Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

Jechizkia viert het Paasfeest

Het Paasfeest wordt later gevierd

301-5De regel was dat het Paasfeest in de eerste maand van het jaar gevierd moest worden. Maar dit jaar was dat niet gelukt. Dat kwam doordat de priesters zich niet op tijd voorbereid hadden op hun heilige taak. En doordat het volk niet op tijd naar Jeruzalem gekomen was.

Daarom overlegde koning Jechizkia met zijn hoge ambtenaren en met de leiders van de stad. Ze besloten om het Paasfeest in de tweede maand te vieren. Iedereen was het daarmee eens.

Ook de Israëlieten worden uitgenodigd

Toen stuurde Jechizkia boodschappers door heel Israël en Juda. Zij moesten iedereen, van noord tot zuid, uitnodigen om naar de tempel in Jeruzalem te komen. Daar moesten ze het Paasfeest van de Heer, de God van Israël, vieren. Jechizkia liet zelfs brieven brengen naar de gebieden Efraïm en Manasse. Want de regel was dat het Paasfeest met iedereen samen gevierd moest worden. Dat was tot nu toe niet gebeurd.

Israël moet de Heer weer dienen

6Toen gingen de boodschappers op weg met de brief van de koning en zijn hoge ambtenaren. Ze trokken door heel Israël en Juda. In de brief stond: ‘Israëlieten, de Assyriërs hebben jullie aangevallen. Nu is nog maar een klein deel van jullie volk in leven. Keer terug naar de Heer, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dan zal hij ook weer naar jullie terugkeren.

7Doe niet zoals jullie voorouders en familieleden. Zij waren ontrouw aan de Heer, hun God. Daarom heeft de Heer gezorgd voor veel ellende. Dat hebben jullie allemaal kunnen zien. 8Blijf niet zo ongehoorzaam als zij. Beloof dat jullie weer trouw zullen worden aan de Heer. Kom naar zijn tempel, die hij voor altijd heilig gemaakt heeft. Dien de Heer, jullie God. Dan zal hij niet meer boos op jullie zijn.

9Als jullie weer trouw zijn aan de Heer, jullie God, dan zal hij ook trouw zijn aan jullie. Dan zal hij ervoor zorgen dat de Assyriërs medelijden krijgen met de Israëlieten die zij gevangengenomen hebben. En dan zullen die Israëlieten weer naar Israël mogen teruggaan. Want de Heer is goed, en vol liefde.’

De Israëlieten willen niet komen

10De boodschappers gingen naar alle steden en gebieden in Israël om de Israëlieten voor het Paasfeest uit te nodigen. Ze trokken van de gebieden Efraïm en Manasse tot aan het gebied Zebulon. Maar de Israëlieten lachten hen uit. 11Alleen een paar mensen uit de gebieden Aser, Manasse en Zebulon kregen spijt van hun ontrouw. Zij kwamen wel naar Jeruzalem.

12De mensen uit Juda luisterden wel allemaal naar de koning en zijn hoge ambtenaren. Zij deden wat de Heer wilde. Daar had God voor gezorgd.

Het volk viert het Paasfeest

13In de tweede maand kwamen er heel veel mensen naar Jeruzalem om het Feest van het Brood zonder Gist te vieren.

14Eerst haalden de mensen alle altaren uit de stad weg die niet in de tempel stonden. Ook de altaren voor de wierook haalden ze weg. Ze gooiden die allemaal in het Kidron-dal.

15Daarna, op de veertiende dag van de tweede maand, moesten de offerdieren voor het Paasfeest geslacht worden. De priesters en de Levieten brachten de offerdieren naar de tempel. Nu hadden ze zich wel voorbereid op hun heilige taak. Ze schaamden zich ervoor dat ze dat niet eerder gedaan hadden.

16Daarna gingen ze op hun vaste plaats bij het altaar staan. Precies zoals het opgeschreven was in de wet van de profeet Mozes. De Levieten vingen het bloed van de geslachte dieren in schalen op, en gaven die aan de priesters. Die goten het bloed langs de zijkanten van het altaar.

Sommige mensen zijn onrein

17Er waren veel mensen naar de tempel gekomen die zich niet rein gemaakt hadden. Zij mochten geen offers brengen aan de Heer. Daarom slachtten de Levieten de offerdieren voor hen. Zo konden de offerdieren van die mensen toch aan de Heer gegeven worden.

18Veel van die mensen kwamen uit de gebieden Efraïm, Manasse, Issachar en Zebulon. Ze hadden van het offervlees gegeten, maar dat is verboden als je onrein bent. Daarom bad Jechizkia voor hen tot de Heer. Hij zei: ‘Heer, u bent goed! Wilt u deze mensen vergeven? 19Heer, God van onze voorouders, deze mensen willen u graag dienen. Ook al hebben ze zich niet gehouden aan de regels van de tempel, en ook al zijn ze onrein.’

20De Heer deed wat Jechizkia hem vroeg. Hij vergaf de mensen, en strafte hen niet.

Het Feest van het Brood zonder Gist

21Toen vierde het volk in Jeruzalem zeven dagen lang het Feest van het Brood zonder Gist. Iedereen was vrolijk. De Levieten en de priesters speelden elke dag luid op hun muziekinstrumenten om de Heer te danken. 22En koning Jechizkia bedankte de Levieten, omdat zij de Heer zo goed dienden.

Zeven dagen lang vierden de mensen feest. Ze brachten offers voor het feestmaal en dankten de Heer, de God van hun voorouders.

Het volk viert nog zeven dagen feest

23Toen besloot het volk om het feest zeven dagen langer te laten duren. Ze gingen dus nog zeven dagen door, en iedereen was vrolijk.

24Koning Jechizkia van Juda zorgde voor nog meer offerdieren voor het feest: duizend stieren, en zevenduizend schapen en geiten. Ook de leiders van het volk gaven dieren voor het feest: duizend stieren, en tienduizend schapen en geiten.

Steeds meer priesters bereidden zich voor op hun heilige taak.

Iedereen is vrolijk

25Iedereen in Jeruzalem was vrolijk: de mensen uit Juda, de mensen uit Israël, de priesters en de Levieten, de vreemdelingen in Juda, en de vreemdelingen die uit Israël gekomen waren. 26Iedereen was heel blij. Want zoiets bijzonders was er lang niet meer gebeurd in Jeruzalem. De laatste keer was toen Salomo, de zoon van David, koning van Israël was.

27Toen stonden de priesters op, en ze zegenden het volk. En God hoorde het gebed van het volk, in zijn heilige paleis in de hemel.

31

Het volk vernietigt de offerplaatsen

311Toen het feest afgelopen was, gingen alle Israëlieten vanuit Jeruzalem naar de andere steden van Juda. Daar sloegen ze de heilige stenen kapot, en ze hakten de heilige palen om. Ze vernietigden de offerplaatsen en de altaren, zodat die niet meer gebruikt konden worden. Ze deden hetzelfde in de steden van de gebieden Benjamin, Efraïm en Manasse.

Daarna gingen ze allemaal weer terug naar hun eigen woonplaats.

Voedsel voor priesters en Levieten

Taken van de priesters en de Levieten

2Koning Jechizkia verdeelde de taken voor de priesters en de Levieten. Iedere groep priesters en Levieten had een eigen taak in de tempel van de Heer. Eén groep moest de offers brengen die helemaal verbrand moesten worden. Een andere groep moest de offers brengen om de Heer te danken. Een derde groep moest de Heer dienen in de tempel. En er was ook een groep die moest zingen en muziek maken voor de Heer.

De koning betaalt zelf offers

3De koning betaalde zelf de offers die ’s ochtends en ’s avonds in de tempel gebracht moesten worden. En hij betaalde ook de offers die volgens de wet van de Heer gebracht moesten worden op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op de andere feestdagen.

Voedsel voor de priesters en Levieten

4De koning gaf de inwoners van Jeruzalem deze opdracht: ‘Geef de priesters en de Levieten alles wat ze nodig hebben. Dan kunnen zij al hun tijd gebruiken om de Heer te dienen.’

5Toen de inwoners van Jeruzalem dat hoorden, gaven ze het beste deel van hun graan, wijn, olie en honing. Ook gaven ze een tiende deel van de oogst van de akkers. 6Ook de Israëlieten en Judeeërs in de andere steden van Juda deden dat. Zij gaven een tiende deel van hun koeien, schapen en geiten. En ze gaven ook alle heilige geschenken die bestemd waren voor de Heer, hun God.

Er zijn grote voorraden

Zo werden er grote voorraden voedsel bij elkaar gebracht. 7Dat duurde van de derde tot de zevende maand.

8Daarna kwam koning Jechizkia kijken, samen met zijn hoge ambtenaren. Toen ze de grote voorraden zagen, dankten ze de Heer en zijn volk Israël. 9Jechizkia vroeg aan de priesters en de Levieten of het genoeg was. 10Hogepriester Azarja, een nakomeling van Sadok, antwoordde: ‘Koning, vanaf het moment dat de mensen voedsel naar de tempel moesten brengen, hebben wij meer dan genoeg te eten gehad. De Heer heeft zijn volk een grote oogst gegeven. Kijk maar hoeveel er nog over is!’

Het voedsel wordt in kamers bewaard

11Koning Jechizkia gaf de opdracht om in de tempel kamers te maken voor de voorraden. 12Toen die kamers klaar waren, brachten de mensen daar trouw hun deel van de oogst en van de heilige geschenken naartoe.

De Leviet Konanjahu was verantwoordelijk voor de voorraden, samen met zijn broer Simi. 13Zij hadden de leiding over tien andere Levieten: Jechiël, Azazjahu, Nachat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismachjahu, Machat en Benaja. Koning Jechizkia en hogepriester Azarja hadden die taak aan hen gegeven.

Het voedsel wordt verdeeld

14De Leviet Kore, de zoon van Jimna, was de bewaker van de Oostpoort van de tempel. Hij moest het voedsel dat de mensen vrijwillig brachten, aannemen. En hij moest het verdelen onder de priesters en de Levieten. Ook moest hij de heilige geschenken verdelen.

15In de andere steden waar priesters woonden, werd Kore trouw geholpen door zes andere Levieten: Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sechanja. Zij zorgden ervoor dat het eten verdeeld werd onder de priesters en de Levieten daar. Het maakte niet uit bij welke groep ze hoorden, of hoe oud ze waren. Iedereen die op de lijst van priesters en Levieten stond, kreeg een deel van het eten.

16Priesters stonden per familie op de lijst. Jongens uit priesterfamilies stonden al op de lijst als ze drie jaar oud waren. Vanaf die leeftijd kregen ze dus een deel van het eten, ook als ze niet in de tempel werkten.

17Levieten stonden per groep of per taak op de lijst. Zij stonden pas op de lijst als ze twintig jaar of ouder waren. Want dan begonnen ze met hun taak in de tempel. 18Ook de vrouwen en kinderen van de Levieten stonden op de lijst. Zij kregen een deel van de voorraad, omdat de Levieten een heilige taak hadden.

19Er waren ook priesters en Levieten die op de velden buiten de steden woonden. Als ze op de lijst stonden, kregen ook zij een deel van het voedsel. Daar zorgden priesters en Levieten uit de steden voor. Die waren speciaal voor die taak aangewezen.

Jechizkia heeft alles goed geregeld

20Zo regelde Jechizkia de verdeling van het voedsel voor de priesters en de Levieten in alle steden van Juda.

Jechizkia deed wat de Heer, zijn God, wilde. Jechizkia was eerlijk en trouw. 21Hij deed zijn best voor de tempel, en hield zich zo goed mogelijk aan de wetten en regels van zijn God. Daarom ging het goed met alles wat hij deed.

32

Sanherib valt Juda aan

Koning Sanherib valt de steden aan

321Koning Jechizkia had met zijn werk aan de tempel laten zien dat hij trouw was aan de Heer.

Op een dag viel koning Sanherib van Assyrië Juda binnen. Hij viel de versterkte steden aan, want hij dacht dat hij die kon veroveren.

Jechizkia gooit de bronnen dicht

2Jechizkia begreep dat Sanherib ook Jeruzalem wilde aanvallen. 3Daarom overlegde hij met zijn legerleiders en met zijn belangrijkste soldaten. Ze besloten om alle waterbronnen buiten de stad dicht te gooien. 4Met een grote groep mensen gingen ze naar de bronnen toe, en gooiden die dicht. Ze zorgden er ook voor dat er geen water meer door de rivier liep. Zo zouden de Assyriërs geen water hebben als ze Jeruzalem wilden aanvallen.

Jechizkia versterkt de stad

5Toen liet Jechizkia Jeruzalem versterken. Hij liet de gaten in de muren repareren, en hij liet de torens hoger maken. Om de muur liet hij een tweede muur bouwen. Verder liet hij het fort Millo, in het oude deel van de stad, versterken. Ten slotte liet hij heel veel wapens en schilden maken.

Jechizkia spreekt de mannen moed in

6Daarna koos Jechizkia legerleiders uit. Hij liet het hele leger naar het plein bij de poort van de stad komen. Daar sprak hij de soldaten moed in. Hij zei: 7‘Mannen, wees dapper en sterk. Jullie moeten niet bang zijn voor de koning van Assyrië en zijn grote leger. Want wij zijn sterker dan zij! 8De koning van Assyrië heeft alleen maar een leger van mensen. Maar wij hebben de Heer, onze God! Hij zal ons helpen, en met ons meevechten.’

Toen de mannen de woorden van koning Jechizkia hoorden, waren ze niet bang meer.

Sanheribs boodschap voor de Judeeërs

9Op dat moment viel koning Sanherib van Assyrië met zijn leger de stad Lachis aan. Daarvandaan stuurde hij dienaren naar koning Jechizkia in Jeruzalem. Die dienaren moesten tegen Jechizkia en het volk van Juda zeggen: 10‘Koning Sanherib heeft jullie stad omsingeld. Waarom blijven jullie in Jeruzalem? 11Koning Jechizkia zegt dat jullie op de Heer, jullie God, moeten vertrouwen. Maar hij liegt! Jullie zullen hier sterven van de honger en de dorst!

Jechizkia zegt dat de Heer jullie zal beschermen tegen mij, de koning van Assyrië. 12Maar hij heeft zelf de offerplaatsen en altaren van de Heer laten weghalen! Hij heeft gezegd dat er nog maar één altaar is waarvoor de mensen mogen knielen. En alleen op dat altaar mogen ze offers brengen.

Sanherib zegt dat Jechizkia liegt

13Jullie weten toch dat mijn voorouders en ik andere landen en volken verslagen hebben? De goden van die landen hebben hun volk niet kunnen redden. 14Geen enkele god kon zijn volk beschermen tegen de aanvallen van mij en mijn voorouders. Waarom zou jullie God dat dan wel kunnen?

15Jullie moeten Jechizkia niet geloven, want hij liegt! Er is nog nooit een god geweest die zijn volk en zijn land kon beschermen tegen een aanval van mij of mijn voorouders. Dus denk maar niet dat jullie God dat wel kan!’

16Dat soort dingen zeiden de dienaren namens Sanherib tegen het volk. En ze zeiden nog veel meer over God, de Heer, en over koning Jechizkia.

Sanherib maakt God belachelijk

17Koning Sanherib had ook een brief geschreven. Daarin maakte hij de Heer, de God van Israël, belachelijk. In die brief stond: ‘Geen enkele andere god kon zijn volk beschermen tegen mijn aanval. Dus ook de God van Jechizkia zal zijn volk niet kunnen redden!’

18Er stonden veel inwoners op de muren van Jeruzalem. De dienaren van Sanherib riepen zo hard mogelijk naar hen, in het Hebreeuws. Ze probeerden hen bang te maken, zodat het makkelijker zou zijn om de stad te veroveren. 19Ze praatten over de God van Jeruzalem alsof hij net zo’n god was als de goden van andere volken. Maar dat waren afgoden, door mensen gemaakt!

Jechizkia en Jesaja bidden om hulp

20Koning Jechizkia en de profeet Jesaja vroegen de Heer om hulp. 21Toen stuurde de Heer een engel. Die doodde alle soldaten en legerleiders van Assyrië. Toen ging koning Sanherib terug naar Assyrië. Hij voelde zich vernederd, omdat hij verslagen was.

Een tijdje later werd Sanherib door zijn eigen zonen vermoord, toen hij naar de tempel van zijn god ging.

De Heer heeft Jeruzalem gered

22Zo redde de Heer koning Jechizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de macht van koning Sanherib van Assyrië. Hij beschermde ze ook tegen andere vijanden. Er was vrede in het hele land.

23Er kwamen veel mensen naar Jeruzalem. Ze brachten in de tempel offers aan de Heer. En ze gaven kostbare geschenken aan koning Jechizkia. Want de koning was heel beroemd geworden, ook in het buitenland.

Het succes van Jechizkia

Koning Jechizkia wordt ziek

24In die tijd werd koning Jechizkia ernstig ziek, en hij bad tot de Heer. De Heer antwoordde hem, en gaf hem een teken dat hij weer beter zou worden. 25Maar Jechizkia was niet dankbaar, want hij was veel te trots geworden. Daarom werd de Heer woedend, niet alleen op Jechizkia, maar ook op het volk van Juda en op de inwoners van Jeruzalem.

26Toen kreeg Jechizkia er spijt van dat hij zo trots geweest was. Ook de inwoners van Jeruzalem kregen spijt. Daarna was de Heer niet meer boos op hen, zolang Jechizkia koning was.

Koning Jechizkia heeft veel succes

27Koning Jechizkia werd heel rijk en beroemd. Hij liet schatkamers maken voor zijn zilver, goud, edelstenen, geurige kruiden, schilden en andere kostbare voorwerpen. 28Hij liet ook schuren bouwen voor de voorraden koren, wijn en olie. En verder stallen voor al het vee, 29want hij kreeg heel veel schapen, geiten en koeien. Ook bouwde hij nieuwe steden. Koning Jechizkia werd dus heel rijk. Daar zorgde God voor.

30Jechizkia liet ook een watertunnel maken om water naar de stad te laten stromen. Die tunnel liep van de Gichon-bron tot aan de westkant van het oude deel van de stad.

Jechizkia had succes bij alles wat hij deed.

De Heer test Jechizkia

31Eén keer kwam de Heer Jechizkia niet te hulp. Hij wilde hem testen om te weten of Jechizkia hem dan nog steeds trouw zou blijven. Dat was toen er boodschappers uit Babylon bij Jechizkia kwamen. Zij vroegen hem om de betekenis van een teken dat in Juda gezien was.

De dood van Jechizkia

32Alle andere verhalen over Jechizkia en over zijn trouw aan de Heer staan opgeschreven in het boek van de profeet Jesaja, en in de boeken over de koningen van Juda en Israël.

33Toen Jechizkia stierf, werd hij begraven langs de weg die omhoogliep naar de graven van de nakomelingen van David. Alle mensen uit Juda en Jeruzalem kwamen naar zijn begrafenis. Zijn zoon Manasse volgde hem op.