Bijbel in Gewone Taal (BGT)
29

Koning Jechizkia van Juda

Jechizkia wordt koning van Juda

291Jechizkia werd koning toen hij 25 jaar oud was. Hij regeerde 29 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Abia. Zij was een dochter van Zecharja.

Jechizkia is een goede koning

2Jechizkia leefde zoals de Heer het wilde, net als zijn voorvader David.

Jechizkia neemt de tempel weer in gebruik

3Jechizkia was nog maar een maand koning, toen hij de tempel weer in gebruik nam. Hij liet de deuren repareren, en zette die weer open.

4Toen liet hij de priesters en de Levieten bij elkaar komen op het plein aan de oostkant van de tempel. 5Hij zei: ‘Levieten, luister goed! Jullie moeten de tempel van de Heer, jullie God, weer rein maken. Jullie moeten alle onreine voorwerpen uit de tempel halen. Bereid je voor op die heilige taak.

Het volk heeft de Heer verlaten

6Onze voorouders hebben dingen gedaan die de Heer, onze God, slecht vindt. Ze hebben de Heer in de steek gelaten. En ze hebben de tempel van de Heer verlaten, en er niet meer voor gezorgd. 7Ze hebben zelfs de deuren van de hal voor de tempel gesloten, en de lampen gedoofd. Ze brandden geen wierook meer, en ze brachten geen offers meer in de tempel van de God van Israël.’

De Heer heeft het volk gestraft

8Jechizkia zei verder: ‘Toen werd de Heer heel boos op Juda en Jeruzalem. Hij heeft ervoor gezorgd dat er allerlei rampen gebeurden. Het volk was vreselijk bang. En de volken eromheen lachten de mensen van Juda uit. Dat hebben jullie allemaal zelf kunnen zien! 9Onze vaders werden gedood in de strijd, en onze vrouwen en kinderen werden gevangengenomen. Dat gebeurde allemaal omdat het volk ontrouw geworden was aan de Heer.

Jechizkia wil de Heer weer dienen

10Maar nu wil ik weer trouw beloven aan de Heer, de God van Israël. We zullen ons weer houden aan zijn wetten en regels. Dan zal hij niet meer boos op ons zijn.

11Levieten, de Heer heeft jullie uitgekozen om hem in de tempel te dienen, en om offers aan hem te brengen. Dus doe je best!’

De Levieten bereiden zich voor

12Toen kwamen de volgende Levieten naar voren: Machat, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja. Dat waren nakomelingen van Kehat. Verder Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel. Dat waren nakomelingen van Merari. Verder Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach. Dat waren nakomelingen van Gerson. 13Verder nog Simri en Jeïël, nakomelingen van Elisafan, en Zecharja en Mattanja, nakomelingen van Asaf. 14Ten slotte Jechiël en Simi, nakomelingen van Heman, en Semaja en Uzziël, nakomelingen van Jedutun.

15Samen met de andere Levieten bereidden ze zich voor op hun heilige taak. Toen mochten ze de tempel van de Heer binnengaan en die rein maken. Want dat was de opdracht die de koning namens de Heer gegeven had.

De Levieten maken de tempel rein

16Toen gingen de priesters naar binnen. Ze haalden alle onreine voorwerpen uit de tempel, en brachten die naar het plein voor de tempel. Andere Levieten brachten die onreine voorwerpen vanaf het plein de stad uit, naar het Kidron-dal.

17De priesters en de Levieten waren zestien dagen bezig om de tempel van de Heer weer rein en heilig te maken. Ze begonnen op de eerste dag van de eerste maand. Op de achtste dag van die maand waren ze klaar met de hal voor de tempel. Daarna waren ze acht dagen bezig met de tempel zelf. Op de zestiende dag van de eerste maand waren ze helemaal klaar.

18Toen gingen de priesters naar koning Jechizkia, en zeiden: ‘We hebben de hele tempel van de Heer rein gemaakt. We hebben ook het altaar rein gemaakt, en de tafel voor het offerbrood, en alle andere voorwerpen die nodig zijn in de tempel. 19Alles wat Achaz, de vorige koning, onrein gemaakt heeft, is nu weer rein. Het staat allemaal klaar bij het altaar van de Heer.’

Jechizkia brengt offerdieren naar de tempel

20De volgende ochtend vroeg liet Jechizkia alle leiders van de stad bij zich komen. Samen gingen ze naar de tempel. 21Ze namen zeven stieren, zeven volwassen rammen, zeven jonge rammen en zeven bokken mee. Die moesten de priesters, de nakomelingen van Aäron, helemaal verbranden op het altaar van de Heer. Dat was een offer waarmee de fouten van de koning en van het volk van Juda goedgemaakt werden. En waarmee de tempel rein gemaakt werd.

22De stieren werden geslacht. Toen namen de priesters het bloed van de stieren, en goten het langs de zijkanten van het altaar. Hetzelfde gebeurde met de volwassen rammen en de jonge rammen.

De dieren worden geofferd

23Toen werden de bokken naar koning Jechizkia en de leiders van het volk gebracht. Ook de bokken waren voor het offer waarmee de fouten van de koning en het volk goedgemaakt werden. De koning en de leiders legden hun hand op de dieren. 24Daarna slachtten de priesters de bokken, en ze goten het bloed langs de zijkanten van het altaar.

Zo werden de fouten van het volk goedgemaakt. Want de koning had de offers laten brengen voor het hele volk.

Iedereen in de tempel eert de Heer

25Toen moesten de Levieten in de tempel van de Heer gaan staan met harpen en andere muziekinstrumenten. Dat was de regel van de Heer voor de Levieten. Koning David en de profeten Gad en Natan hadden dat al gezegd. 26De Levieten gingen klaarstaan met de muziekinstrumenten die koning David gemaakt had. En de priesters gingen klaarstaan met trompetten.

27Toen gaf Jechizkia de opdracht om de dieren op het altaar te verbranden. Op dat moment begonnen de priesters en de Levieten voor de Heer te zingen. Daarbij speelden ze op de trompetten en op de muziekinstrumenten die koning David gemaakt had.

28Iedereen in de tempel knielde om de Heer te eren. Ze bleven zingen en muziek maken, totdat het offer helemaal verbrand was. 29Daarna knielden ook de koning en de mensen die bij hem waren, om de Heer te eren.

30Koning Jechizkia en de leiders gaven de Levieten de opdracht om de Heer te danken. Ze moesten liederen zingen die geschreven waren door koning David en door de profeet Asaf. Dat deden de Levieten graag, en ze knielden om de Heer te eren.

Het volk brengt offers

31Koning Jechizkia zei tegen het volk: ‘Jullie zijn er weer klaar voor om de Heer te dienen. Daarom mogen jullie naar de tempel van de Heer komen om offers te brengen: offers voor een feestmaal en offers om de Heer te danken.’

Toen kwam het hele volk offers brengen: offers voor het feestmaal en offers om de Heer te danken. Sommige mensen brachten ook nog offers die helemaal verbrand moesten worden.

32Dit waren de dieren voor de offers die helemaal verbrand moesten worden: zeventig koeien, honderd volwassen rammen en tweehonderd jonge rammen. 33En dit waren de dieren voor de offers voor het feestmaal, en voor de offers om de Heer te danken: zeshonderd koeien, en drieduizend schapen en geiten.

34Er werden veel dieren gebracht. Zo veel dat er te weinig priesters waren om de huiden van de dieren eraf te trekken. Daarom werden ze geholpen door Levieten, totdat genoeg andere priesters zich voorbereid hadden op die heilige taak. Want de Levieten hadden zich beter voorbereid op hun heilige taak dan de priesters. 35De priesters moesten niet alleen de dieren verbranden voor de offers die helemaal verbrand moesten worden. Ze moesten ook de vette delen verbranden van de dieren die bestemd waren voor het feestmaal. En verder moesten ze nog wijnoffers brengen bij het altaar.

Zo werd de tempel van de Heer weer in gebruik genomen. 36Jechizkia en het hele volk waren blij. Want het was in korte tijd gebeurd. Daar had God voor gezorgd.

30

Jechizkia viert het Paasfeest

Het Paasfeest wordt later gevierd

301-5De regel was dat het Paasfeest in de eerste maand van het jaar gevierd moest worden. Maar dit jaar was dat niet gelukt. Dat kwam doordat de priesters zich niet op tijd voorbereid hadden op hun heilige taak. En doordat het volk niet op tijd naar Jeruzalem gekomen was.

Daarom overlegde koning Jechizkia met zijn hoge ambtenaren en met de leiders van de stad. Ze besloten om het Paasfeest in de tweede maand te vieren. Iedereen was het daarmee eens.

Ook de Israëlieten worden uitgenodigd

Toen stuurde Jechizkia boodschappers door heel Israël en Juda. Zij moesten iedereen, van noord tot zuid, uitnodigen om naar de tempel in Jeruzalem te komen. Daar moesten ze het Paasfeest van de Heer, de God van Israël, vieren. Jechizkia liet zelfs brieven brengen naar de gebieden Efraïm en Manasse. Want de regel was dat het Paasfeest met iedereen samen gevierd moest worden. Dat was tot nu toe niet gebeurd.

Israël moet de Heer weer dienen

6Toen gingen de boodschappers op weg met de brief van de koning en zijn hoge ambtenaren. Ze trokken door heel Israël en Juda. In de brief stond: ‘Israëlieten, de Assyriërs hebben jullie aangevallen. Nu is nog maar een klein deel van jullie volk in leven. Keer terug naar de Heer, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dan zal hij ook weer naar jullie terugkeren.

7Doe niet zoals jullie voorouders en familieleden. Zij waren ontrouw aan de Heer, hun God. Daarom heeft de Heer gezorgd voor veel ellende. Dat hebben jullie allemaal kunnen zien. 8Blijf niet zo ongehoorzaam als zij. Beloof dat jullie weer trouw zullen worden aan de Heer. Kom naar zijn tempel, die hij voor altijd heilig gemaakt heeft. Dien de Heer, jullie God. Dan zal hij niet meer boos op jullie zijn.

9Als jullie weer trouw zijn aan de Heer, jullie God, dan zal hij ook trouw zijn aan jullie. Dan zal hij ervoor zorgen dat de Assyriërs medelijden krijgen met de Israëlieten die zij gevangengenomen hebben. En dan zullen die Israëlieten weer naar Israël mogen teruggaan. Want de Heer is goed, en vol liefde.’

De Israëlieten willen niet komen

10De boodschappers gingen naar alle steden en gebieden in Israël om de Israëlieten voor het Paasfeest uit te nodigen. Ze trokken van de gebieden Efraïm en Manasse tot aan het gebied Zebulon. Maar de Israëlieten lachten hen uit. 11Alleen een paar mensen uit de gebieden Aser, Manasse en Zebulon kregen spijt van hun ontrouw. Zij kwamen wel naar Jeruzalem.

12De mensen uit Juda luisterden wel allemaal naar de koning en zijn hoge ambtenaren. Zij deden wat de Heer wilde. Daar had God voor gezorgd.

Het volk viert het Paasfeest

13In de tweede maand kwamen er heel veel mensen naar Jeruzalem om het Feest van het Brood zonder Gist te vieren.

14Eerst haalden de mensen alle altaren uit de stad weg die niet in de tempel stonden. Ook de altaren voor de wierook haalden ze weg. Ze gooiden die allemaal in het Kidron-dal.

15Daarna, op de veertiende dag van de tweede maand, moesten de offerdieren voor het Paasfeest geslacht worden. De priesters en de Levieten brachten de offerdieren naar de tempel. Nu hadden ze zich wel voorbereid op hun heilige taak. Ze schaamden zich ervoor dat ze dat niet eerder gedaan hadden.

16Daarna gingen ze op hun vaste plaats bij het altaar staan. Precies zoals het opgeschreven was in de wet van de profeet Mozes. De Levieten vingen het bloed van de geslachte dieren in schalen op, en gaven die aan de priesters. Die goten het bloed langs de zijkanten van het altaar.

Sommige mensen zijn onrein

17Er waren veel mensen naar de tempel gekomen die zich niet rein gemaakt hadden. Zij mochten geen offers brengen aan de Heer. Daarom slachtten de Levieten de offerdieren voor hen. Zo konden de offerdieren van die mensen toch aan de Heer gegeven worden.

18Veel van die mensen kwamen uit de gebieden Efraïm, Manasse, Issachar en Zebulon. Ze hadden van het offervlees gegeten, maar dat is verboden als je onrein bent. Daarom bad Jechizkia voor hen tot de Heer. Hij zei: ‘Heer, u bent goed! Wilt u deze mensen vergeven? 19Heer, God van onze voorouders, deze mensen willen u graag dienen. Ook al hebben ze zich niet gehouden aan de regels van de tempel, en ook al zijn ze onrein.’

20De Heer deed wat Jechizkia hem vroeg. Hij vergaf de mensen, en strafte hen niet.

Het Feest van het Brood zonder Gist

21Toen vierde het volk in Jeruzalem zeven dagen lang het Feest van het Brood zonder Gist. Iedereen was vrolijk. De Levieten en de priesters speelden elke dag luid op hun muziekinstrumenten om de Heer te danken. 22En koning Jechizkia bedankte de Levieten, omdat zij de Heer zo goed dienden.

Zeven dagen lang vierden de mensen feest. Ze brachten offers voor het feestmaal en dankten de Heer, de God van hun voorouders.

Het volk viert nog zeven dagen feest

23Toen besloot het volk om het feest zeven dagen langer te laten duren. Ze gingen dus nog zeven dagen door, en iedereen was vrolijk.

24Koning Jechizkia van Juda zorgde voor nog meer offerdieren voor het feest: duizend stieren, en zevenduizend schapen en geiten. Ook de leiders van het volk gaven dieren voor het feest: duizend stieren, en tienduizend schapen en geiten.

Steeds meer priesters bereidden zich voor op hun heilige taak.

Iedereen is vrolijk

25Iedereen in Jeruzalem was vrolijk: de mensen uit Juda, de mensen uit Israël, de priesters en de Levieten, de vreemdelingen in Juda, en de vreemdelingen die uit Israël gekomen waren. 26Iedereen was heel blij. Want zoiets bijzonders was er lang niet meer gebeurd in Jeruzalem. De laatste keer was toen Salomo, de zoon van David, koning van Israël was.

27Toen stonden de priesters op, en ze zegenden het volk. En God hoorde het gebed van het volk, in zijn heilige paleis in de hemel.

31

Het volk vernietigt de offerplaatsen

311Toen het feest afgelopen was, gingen alle Israëlieten vanuit Jeruzalem naar de andere steden van Juda. Daar sloegen ze de heilige stenen kapot, en ze hakten de heilige palen om. Ze vernietigden de offerplaatsen en de altaren, zodat die niet meer gebruikt konden worden. Ze deden hetzelfde in de steden van de gebieden Benjamin, Efraïm en Manasse.

Daarna gingen ze allemaal weer terug naar hun eigen woonplaats.

Voedsel voor priesters en Levieten

Taken van de priesters en de Levieten

2Koning Jechizkia verdeelde de taken voor de priesters en de Levieten. Iedere groep priesters en Levieten had een eigen taak in de tempel van de Heer. Eén groep moest de offers brengen die helemaal verbrand moesten worden. Een andere groep moest de offers brengen om de Heer te danken. Een derde groep moest de Heer dienen in de tempel. En er was ook een groep die moest zingen en muziek maken voor de Heer.

De koning betaalt zelf offers

3De koning betaalde zelf de offers die ’s ochtends en ’s avonds in de tempel gebracht moesten worden. En hij betaalde ook de offers die volgens de wet van de Heer gebracht moesten worden op sabbat, op het Feest van Nieuwe Maan en op de andere feestdagen.

Voedsel voor de priesters en Levieten

4De koning gaf de inwoners van Jeruzalem deze opdracht: ‘Geef de priesters en de Levieten alles wat ze nodig hebben. Dan kunnen zij al hun tijd gebruiken om de Heer te dienen.’

5Toen de inwoners van Jeruzalem dat hoorden, gaven ze het beste deel van hun graan, wijn, olie en honing. Ook gaven ze een tiende deel van de oogst van de akkers. 6Ook de Israëlieten en Judeeërs in de andere steden van Juda deden dat. Zij gaven een tiende deel van hun koeien, schapen en geiten. En ze gaven ook alle heilige geschenken die bestemd waren voor de Heer, hun God.

Er zijn grote voorraden

Zo werden er grote voorraden voedsel bij elkaar gebracht. 7Dat duurde van de derde tot de zevende maand.

8Daarna kwam koning Jechizkia kijken, samen met zijn hoge ambtenaren. Toen ze de grote voorraden zagen, dankten ze de Heer en zijn volk Israël. 9Jechizkia vroeg aan de priesters en de Levieten of het genoeg was. 10Hogepriester Azarja, een nakomeling van Sadok, antwoordde: ‘Koning, vanaf het moment dat de mensen voedsel naar de tempel moesten brengen, hebben wij meer dan genoeg te eten gehad. De Heer heeft zijn volk een grote oogst gegeven. Kijk maar hoeveel er nog over is!’

Het voedsel wordt in kamers bewaard

11Koning Jechizkia gaf de opdracht om in de tempel kamers te maken voor de voorraden. 12Toen die kamers klaar waren, brachten de mensen daar trouw hun deel van de oogst en van de heilige geschenken naartoe.

De Leviet Konanjahu was verantwoordelijk voor de voorraden, samen met zijn broer Simi. 13Zij hadden de leiding over tien andere Levieten: Jechiël, Azazjahu, Nachat, Asaël, Jerimot, Jozabad, Eliël, Jismachjahu, Machat en Benaja. Koning Jechizkia en hogepriester Azarja hadden die taak aan hen gegeven.

Het voedsel wordt verdeeld

14De Leviet Kore, de zoon van Jimna, was de bewaker van de Oostpoort van de tempel. Hij moest het voedsel dat de mensen vrijwillig brachten, aannemen. En hij moest het verdelen onder de priesters en de Levieten. Ook moest hij de heilige geschenken verdelen.

15In de andere steden waar priesters woonden, werd Kore trouw geholpen door zes andere Levieten: Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sechanja. Zij zorgden ervoor dat het eten verdeeld werd onder de priesters en de Levieten daar. Het maakte niet uit bij welke groep ze hoorden, of hoe oud ze waren. Iedereen die op de lijst van priesters en Levieten stond, kreeg een deel van het eten.

16Priesters stonden per familie op de lijst. Jongens uit priesterfamilies stonden al op de lijst als ze drie jaar oud waren. Vanaf die leeftijd kregen ze dus een deel van het eten, ook als ze niet in de tempel werkten.

17Levieten stonden per groep of per taak op de lijst. Zij stonden pas op de lijst als ze twintig jaar of ouder waren. Want dan begonnen ze met hun taak in de tempel. 18Ook de vrouwen en kinderen van de Levieten stonden op de lijst. Zij kregen een deel van de voorraad, omdat de Levieten een heilige taak hadden.

19Er waren ook priesters en Levieten die op de velden buiten de steden woonden. Als ze op de lijst stonden, kregen ook zij een deel van het voedsel. Daar zorgden priesters en Levieten uit de steden voor. Die waren speciaal voor die taak aangewezen.

Jechizkia heeft alles goed geregeld

20Zo regelde Jechizkia de verdeling van het voedsel voor de priesters en de Levieten in alle steden van Juda.

Jechizkia deed wat de Heer, zijn God, wilde. Jechizkia was eerlijk en trouw. 21Hij deed zijn best voor de tempel, en hield zich zo goed mogelijk aan de wetten en regels van zijn God. Daarom ging het goed met alles wat hij deed.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]