Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Koning Achaz van Juda

Achaz wordt koning van Juda

281Achaz werd koning toen hij twintig jaar oud was. Hij regeerde zestien jaar vanuit Jeruzalem.

Achaz is een slechte koning

Achaz leefde niet zoals zijn voorvader David, want hij deed niet wat de Heer wilde. 2Achaz deed net zulke slechte dingen als de koningen van Israël. Hij maakte beelden van de god Baäl. 3-4Hij bracht offers op de offerplaatsen, op elke heuvel en onder iedere groene boom. En hij verbrandde zelfs zijn zonen als offer in het Hinnom-dal. Daarmee volgde hij het afschuwelijke voorbeeld van de volken die de Heer uit het land weggejaagd had.

Juda wordt aangevallen

5-6Koning Achaz en de inwoners van Juda waren dus ontrouw aan de Heer, de God van hun voorouders. Daarom zorgde de Heer ervoor dat Achaz verslagen werd door andere koningen.

Eerst werd Achaz verslagen door de koning van Aram. De Arameeërs namen veel soldaten van Juda als gevangenen mee naar hun stad Damascus.

Daarna werd Achaz verslagen door koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. Dat was een grote overwinning voor Israël. Op één dag werden er 120.000 dappere soldaten van Juda gedood. 7Zichri, uit de stam Efraïm, was een beroemde soldaat in het leger van Israël. Hij doodde Maäseja, de zoon van koning Achaz. Ook doodde hij Azrikam, de leider van de dienaren van de koning, en Elkana, de belangrijkste man na de koning.

8Het leger van Israël nam 200.000 vrouwen en kinderen uit Juda als gevangenen mee naar hun stad Samaria. Ze roofden ook veel bezittingen, en namen die mee naar huis.

Israël moet de Judeeërs vrijlaten

9Toen het leger van Israël terugging naar Samaria, kwam een profeet van de Heer hun tegemoet. Hij heette Oded.

Oded zei tegen het leger van Israël: ‘De Heer, de God van jullie voorouders, was woedend op het volk van Juda. Daarom heeft hij ervoor gezorgd dat jullie hen konden verslaan. Maar jullie hebben je vreselijk gedragen tegenover hen! Jullie hebben heel veel mensen in Juda en Jeruzalem gedood. 10En nu willen jullie ook nog mensen daarvandaan als gevangenen meenemen. Jullie willen hen als slaven en slavinnen voor je laten werken!

Trouwens, jullie zijn zelf ook schuldig! Jullie hebben ook dingen gedaan die de Heer, jullie God, slecht vindt. 11Luister dus naar mij! Stuur de gevangenen terug naar Juda. Want de Heer is boos op jullie.’

12Een paar belangrijke leiders van de stam Efraïm waren het met Oded eens. Dat waren: Azarja, de zoon van Jochanan, Berechja, de zoon van Mesillemot, Jechizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Chadlai. Die mannen gingen naar het leger van Israël, 13en zeiden: ‘Breng die gevangenen niet naar Samaria. Want de Heer is al boos op ons volk, omdat we slechte dingen gedaan hebben. Als jullie de gevangenen naar Israël brengen, dan wordt de Heer nog kwader op ons!’

De Judeeërs mogen terug naar huis

14Toen brachten de soldaten hun gevangenen naar de leiders van Efraïm en naar het volk. De bezittingen die de soldaten geroofd hadden, leverden ze in. 15Die bezittingen werden gebruikt om de gevangenen te helpen. Er werden mensen aangewezen die daarvoor moesten zorgen. Zij gaven kleren en schoenen aan de gevangenen die geen kleren meer hadden. Ook gaven ze de gevangenen eten en drinken, en ze verzorgden hun wonden. De mensen die niet meer konden lopen, werden op ezels gezet. Toen brachten ze alle gevangenen terug naar de grens met Juda, naar Jericho, de stad van de palmbomen.

Daarna gingen de soldaten weer terug naar Samaria.

Juda wordt weer aangevallen

16-21Toen vielen de Edomieten Juda aan. Ze namen mensen uit Juda als gevangenen mee naar Edom. Ook de Filistijnen vielen Juda aan. Ze veroverden steden in de heuvels van Juda en in de Negev-woestijn, en gingen daar wonen. Die steden waren: Bet-Semes, Ajjalon, Gederot, Socho, Timna en Gimzo, en de dorpen eromheen.

Al die dingen gebeurden omdat koning Achaz en het volk van Juda zich niet hielden aan de wetten en regels van de Heer. Daarom strafte de Heer hen.

Koning Achaz vraagt Assyrië om hulp

Toen stuurde koning Achaz boodschappers naar koning Tiglatpileser van Assyrië. Hij vroeg hem om het volk van Juda te helpen. Hij stuurde ook geschenken mee voor Tiglatpileser. Die geschenken kwamen uit zijn eigen paleis, uit de huizen van belangrijke leiders, en ook uit de tempel van de Heer.

Tiglatpileser kwam inderdaad naar Juda, maar niet om te helpen. Hij kwam om Juda aan te vallen. Zo werd het alleen maar erger voor koning Achaz en voor het volk van Juda.

Achaz doet nog meer slechte dingen

22Koning Achaz had het dus heel moeilijk. Maar toch bleef hij dingen doen die de Heer slecht vond. 23Hij bracht offers aan de goden van Aram. Want hij dacht: De Arameeërs hebben mij verslagen, met hulp van hun goden. Als ik nu offers breng aan die goden, zullen ze mij ook helpen!

Maar de goden van Aram hielpen Achaz niet. Ze zorgden er juist voor dat Juda verslagen werd.

24Toen liet Achaz alle voorwerpen uit de tempel halen, en hij liet alles kapotslaan. Daarna liet hij de tempel dichtmaken, en hij zette altaren op alle hoeken van de straten van Jeruzalem. 25Ten slotte liet hij in alle steden van Juda offerplaatsen voor andere goden maken.

Door zijn slechte gedrag maakte Achaz de Heer, de God van zijn voorouders, woedend.

De dood van Achaz

26Alle andere verhalen over Achaz staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda en Israël.

27Toen Achaz stierf, werd hij begraven in het oude deel van Jeruzalem, maar niet bij de andere koningen. Zijn zoon Jechizkia volgde hem op.

29

Koning Jechizkia van Juda

Jechizkia wordt koning van Juda

291Jechizkia werd koning toen hij 25 jaar oud was. Hij regeerde 29 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Abia. Zij was een dochter van Zecharja.

Jechizkia is een goede koning

2Jechizkia leefde zoals de Heer het wilde, net als zijn voorvader David.

Jechizkia neemt de tempel weer in gebruik

3Jechizkia was nog maar een maand koning, toen hij de tempel weer in gebruik nam. Hij liet de deuren repareren, en zette die weer open.

4Toen liet hij de priesters en de Levieten bij elkaar komen op het plein aan de oostkant van de tempel. 5Hij zei: ‘Levieten, luister goed! Jullie moeten de tempel van de Heer, jullie God, weer rein maken. Jullie moeten alle onreine voorwerpen uit de tempel halen. Bereid je voor op die heilige taak.

Het volk heeft de Heer verlaten

6Onze voorouders hebben dingen gedaan die de Heer, onze God, slecht vindt. Ze hebben de Heer in de steek gelaten. En ze hebben de tempel van de Heer verlaten, en er niet meer voor gezorgd. 7Ze hebben zelfs de deuren van de hal voor de tempel gesloten, en de lampen gedoofd. Ze brandden geen wierook meer, en ze brachten geen offers meer in de tempel van de God van Israël.’

De Heer heeft het volk gestraft

8Jechizkia zei verder: ‘Toen werd de Heer heel boos op Juda en Jeruzalem. Hij heeft ervoor gezorgd dat er allerlei rampen gebeurden. Het volk was vreselijk bang. En de volken eromheen lachten de mensen van Juda uit. Dat hebben jullie allemaal zelf kunnen zien! 9Onze vaders werden gedood in de strijd, en onze vrouwen en kinderen werden gevangengenomen. Dat gebeurde allemaal omdat het volk ontrouw geworden was aan de Heer.

Jechizkia wil de Heer weer dienen

10Maar nu wil ik weer trouw beloven aan de Heer, de God van Israël. We zullen ons weer houden aan zijn wetten en regels. Dan zal hij niet meer boos op ons zijn.

11Levieten, de Heer heeft jullie uitgekozen om hem in de tempel te dienen, en om offers aan hem te brengen. Dus doe je best!’

De Levieten bereiden zich voor

12Toen kwamen de volgende Levieten naar voren: Machat, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja. Dat waren nakomelingen van Kehat. Verder Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel. Dat waren nakomelingen van Merari. Verder Joach, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joach. Dat waren nakomelingen van Gerson. 13Verder nog Simri en Jeïël, nakomelingen van Elisafan, en Zecharja en Mattanja, nakomelingen van Asaf. 14Ten slotte Jechiël en Simi, nakomelingen van Heman, en Semaja en Uzziël, nakomelingen van Jedutun.

15Samen met de andere Levieten bereidden ze zich voor op hun heilige taak. Toen mochten ze de tempel van de Heer binnengaan en die rein maken. Want dat was de opdracht die de koning namens de Heer gegeven had.

De Levieten maken de tempel rein

16Toen gingen de priesters naar binnen. Ze haalden alle onreine voorwerpen uit de tempel, en brachten die naar het plein voor de tempel. Andere Levieten brachten die onreine voorwerpen vanaf het plein de stad uit, naar het Kidron-dal.

17De priesters en de Levieten waren zestien dagen bezig om de tempel van de Heer weer rein en heilig te maken. Ze begonnen op de eerste dag van de eerste maand. Op de achtste dag van die maand waren ze klaar met de hal voor de tempel. Daarna waren ze acht dagen bezig met de tempel zelf. Op de zestiende dag van de eerste maand waren ze helemaal klaar.

18Toen gingen de priesters naar koning Jechizkia, en zeiden: ‘We hebben de hele tempel van de Heer rein gemaakt. We hebben ook het altaar rein gemaakt, en de tafel voor het offerbrood, en alle andere voorwerpen die nodig zijn in de tempel. 19Alles wat Achaz, de vorige koning, onrein gemaakt heeft, is nu weer rein. Het staat allemaal klaar bij het altaar van de Heer.’

Jechizkia brengt offerdieren naar de tempel

20De volgende ochtend vroeg liet Jechizkia alle leiders van de stad bij zich komen. Samen gingen ze naar de tempel. 21Ze namen zeven stieren, zeven volwassen rammen, zeven jonge rammen en zeven bokken mee. Die moesten de priesters, de nakomelingen van Aäron, helemaal verbranden op het altaar van de Heer. Dat was een offer waarmee de fouten van de koning en van het volk van Juda goedgemaakt werden. En waarmee de tempel rein gemaakt werd.

22De stieren werden geslacht. Toen namen de priesters het bloed van de stieren, en goten het langs de zijkanten van het altaar. Hetzelfde gebeurde met de volwassen rammen en de jonge rammen.

De dieren worden geofferd

23Toen werden de bokken naar koning Jechizkia en de leiders van het volk gebracht. Ook de bokken waren voor het offer waarmee de fouten van de koning en het volk goedgemaakt werden. De koning en de leiders legden hun hand op de dieren. 24Daarna slachtten de priesters de bokken, en ze goten het bloed langs de zijkanten van het altaar.

Zo werden de fouten van het volk goedgemaakt. Want de koning had de offers laten brengen voor het hele volk.

Iedereen in de tempel eert de Heer

25Toen moesten de Levieten in de tempel van de Heer gaan staan met harpen en andere muziekinstrumenten. Dat was de regel van de Heer voor de Levieten. Koning David en de profeten Gad en Natan hadden dat al gezegd. 26De Levieten gingen klaarstaan met de muziekinstrumenten die koning David gemaakt had. En de priesters gingen klaarstaan met trompetten.

27Toen gaf Jechizkia de opdracht om de dieren op het altaar te verbranden. Op dat moment begonnen de priesters en de Levieten voor de Heer te zingen. Daarbij speelden ze op de trompetten en op de muziekinstrumenten die koning David gemaakt had.

28Iedereen in de tempel knielde om de Heer te eren. Ze bleven zingen en muziek maken, totdat het offer helemaal verbrand was. 29Daarna knielden ook de koning en de mensen die bij hem waren, om de Heer te eren.

30Koning Jechizkia en de leiders gaven de Levieten de opdracht om de Heer te danken. Ze moesten liederen zingen die geschreven waren door koning David en door de profeet Asaf. Dat deden de Levieten graag, en ze knielden om de Heer te eren.

Het volk brengt offers

31Koning Jechizkia zei tegen het volk: ‘Jullie zijn er weer klaar voor om de Heer te dienen. Daarom mogen jullie naar de tempel van de Heer komen om offers te brengen: offers voor een feestmaal en offers om de Heer te danken.’

Toen kwam het hele volk offers brengen: offers voor het feestmaal en offers om de Heer te danken. Sommige mensen brachten ook nog offers die helemaal verbrand moesten worden.

32Dit waren de dieren voor de offers die helemaal verbrand moesten worden: zeventig koeien, honderd volwassen rammen en tweehonderd jonge rammen. 33En dit waren de dieren voor de offers voor het feestmaal, en voor de offers om de Heer te danken: zeshonderd koeien, en drieduizend schapen en geiten.

34Er werden veel dieren gebracht. Zo veel dat er te weinig priesters waren om de huiden van de dieren eraf te trekken. Daarom werden ze geholpen door Levieten, totdat genoeg andere priesters zich voorbereid hadden op die heilige taak. Want de Levieten hadden zich beter voorbereid op hun heilige taak dan de priesters. 35De priesters moesten niet alleen de dieren verbranden voor de offers die helemaal verbrand moesten worden. Ze moesten ook de vette delen verbranden van de dieren die bestemd waren voor het feestmaal. En verder moesten ze nog wijnoffers brengen bij het altaar.

Zo werd de tempel van de Heer weer in gebruik genomen. 36Jechizkia en het hele volk waren blij. Want het was in korte tijd gebeurd. Daar had God voor gezorgd.

30

Jechizkia viert het Paasfeest

Het Paasfeest wordt later gevierd

301-5De regel was dat het Paasfeest in de eerste maand van het jaar gevierd moest worden. Maar dit jaar was dat niet gelukt. Dat kwam doordat de priesters zich niet op tijd voorbereid hadden op hun heilige taak. En doordat het volk niet op tijd naar Jeruzalem gekomen was.

Daarom overlegde koning Jechizkia met zijn hoge ambtenaren en met de leiders van de stad. Ze besloten om het Paasfeest in de tweede maand te vieren. Iedereen was het daarmee eens.

Ook de Israëlieten worden uitgenodigd

Toen stuurde Jechizkia boodschappers door heel Israël en Juda. Zij moesten iedereen, van noord tot zuid, uitnodigen om naar de tempel in Jeruzalem te komen. Daar moesten ze het Paasfeest van de Heer, de God van Israël, vieren. Jechizkia liet zelfs brieven brengen naar de gebieden Efraïm en Manasse. Want de regel was dat het Paasfeest met iedereen samen gevierd moest worden. Dat was tot nu toe niet gebeurd.

Israël moet de Heer weer dienen

6Toen gingen de boodschappers op weg met de brief van de koning en zijn hoge ambtenaren. Ze trokken door heel Israël en Juda. In de brief stond: ‘Israëlieten, de Assyriërs hebben jullie aangevallen. Nu is nog maar een klein deel van jullie volk in leven. Keer terug naar de Heer, de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dan zal hij ook weer naar jullie terugkeren.

7Doe niet zoals jullie voorouders en familieleden. Zij waren ontrouw aan de Heer, hun God. Daarom heeft de Heer gezorgd voor veel ellende. Dat hebben jullie allemaal kunnen zien. 8Blijf niet zo ongehoorzaam als zij. Beloof dat jullie weer trouw zullen worden aan de Heer. Kom naar zijn tempel, die hij voor altijd heilig gemaakt heeft. Dien de Heer, jullie God. Dan zal hij niet meer boos op jullie zijn.

9Als jullie weer trouw zijn aan de Heer, jullie God, dan zal hij ook trouw zijn aan jullie. Dan zal hij ervoor zorgen dat de Assyriërs medelijden krijgen met de Israëlieten die zij gevangengenomen hebben. En dan zullen die Israëlieten weer naar Israël mogen teruggaan. Want de Heer is goed, en vol liefde.’

De Israëlieten willen niet komen

10De boodschappers gingen naar alle steden en gebieden in Israël om de Israëlieten voor het Paasfeest uit te nodigen. Ze trokken van de gebieden Efraïm en Manasse tot aan het gebied Zebulon. Maar de Israëlieten lachten hen uit. 11Alleen een paar mensen uit de gebieden Aser, Manasse en Zebulon kregen spijt van hun ontrouw. Zij kwamen wel naar Jeruzalem.

12De mensen uit Juda luisterden wel allemaal naar de koning en zijn hoge ambtenaren. Zij deden wat de Heer wilde. Daar had God voor gezorgd.

Het volk viert het Paasfeest

13In de tweede maand kwamen er heel veel mensen naar Jeruzalem om het Feest van het Brood zonder Gist te vieren.

14Eerst haalden de mensen alle altaren uit de stad weg die niet in de tempel stonden. Ook de altaren voor de wierook haalden ze weg. Ze gooiden die allemaal in het Kidron-dal.

15Daarna, op de veertiende dag van de tweede maand, moesten de offerdieren voor het Paasfeest geslacht worden. De priesters en de Levieten brachten de offerdieren naar de tempel. Nu hadden ze zich wel voorbereid op hun heilige taak. Ze schaamden zich ervoor dat ze dat niet eerder gedaan hadden.

16Daarna gingen ze op hun vaste plaats bij het altaar staan. Precies zoals het opgeschreven was in de wet van de profeet Mozes. De Levieten vingen het bloed van de geslachte dieren in schalen op, en gaven die aan de priesters. Die goten het bloed langs de zijkanten van het altaar.

Sommige mensen zijn onrein

17Er waren veel mensen naar de tempel gekomen die zich niet rein gemaakt hadden. Zij mochten geen offers brengen aan de Heer. Daarom slachtten de Levieten de offerdieren voor hen. Zo konden de offerdieren van die mensen toch aan de Heer gegeven worden.

18Veel van die mensen kwamen uit de gebieden Efraïm, Manasse, Issachar en Zebulon. Ze hadden van het offervlees gegeten, maar dat is verboden als je onrein bent. Daarom bad Jechizkia voor hen tot de Heer. Hij zei: ‘Heer, u bent goed! Wilt u deze mensen vergeven? 19Heer, God van onze voorouders, deze mensen willen u graag dienen. Ook al hebben ze zich niet gehouden aan de regels van de tempel, en ook al zijn ze onrein.’

20De Heer deed wat Jechizkia hem vroeg. Hij vergaf de mensen, en strafte hen niet.

Het Feest van het Brood zonder Gist

21Toen vierde het volk in Jeruzalem zeven dagen lang het Feest van het Brood zonder Gist. Iedereen was vrolijk. De Levieten en de priesters speelden elke dag luid op hun muziekinstrumenten om de Heer te danken. 22En koning Jechizkia bedankte de Levieten, omdat zij de Heer zo goed dienden.

Zeven dagen lang vierden de mensen feest. Ze brachten offers voor het feestmaal en dankten de Heer, de God van hun voorouders.

Het volk viert nog zeven dagen feest

23Toen besloot het volk om het feest zeven dagen langer te laten duren. Ze gingen dus nog zeven dagen door, en iedereen was vrolijk.

24Koning Jechizkia van Juda zorgde voor nog meer offerdieren voor het feest: duizend stieren, en zevenduizend schapen en geiten. Ook de leiders van het volk gaven dieren voor het feest: duizend stieren, en tienduizend schapen en geiten.

Steeds meer priesters bereidden zich voor op hun heilige taak.

Iedereen is vrolijk

25Iedereen in Jeruzalem was vrolijk: de mensen uit Juda, de mensen uit Israël, de priesters en de Levieten, de vreemdelingen in Juda, en de vreemdelingen die uit Israël gekomen waren. 26Iedereen was heel blij. Want zoiets bijzonders was er lang niet meer gebeurd in Jeruzalem. De laatste keer was toen Salomo, de zoon van David, koning van Israël was.

27Toen stonden de priesters op, en ze zegenden het volk. En God hoorde het gebed van het volk, in zijn heilige paleis in de hemel.