Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

David kan Saul doden

David wordt opnieuw verraden

261Intussen waren een paar inwoners van Zif naar Saul in Gibea gegaan. Ze zeiden: ‘David verstopt zich bij de heuvel van Chachila. Dat is in de buurt van de woestijn van Juda.’ 2Saul maakte zich meteen klaar om David daar te gaan zoeken. Hij nam drieduizend van zijn beste soldaten mee. 3Hij maakte een kamp op de heuvel van Chachila. Dat was vlak bij de weg naar de woestijn van Juda.

David was daar in de buurt toen hij hoorde dat Saul hem achtervolgde. 4David stuurde spionnen door het gebied, en die vertelden hem waar Saul was.

David gaat naar het kamp van Saul

5Toen ging David naar een plaats vlak bij het kamp van Saul. Hij kon de tent zien van Saul en zijn legerleider Abner, de zoon van Ner. Hun tent stond in het midden van het kamp. De tenten van de andere soldaten stonden eromheen.

6Er waren twee mannen met David meegekomen. Het waren de Hethiet Achimelech en Abisai, de broer van Joab. Abisai en Joab waren zonen van Seruja. David vroeg aan Abisai en Achimelech: ‘Wie gaat er met mij mee naar het kamp van Saul?’ Abisai zei: ‘Ik ga mee.’

David kan dicht bij Saul komen

7Die nacht gingen David en Abisai het kamp van Saul binnen. Saul lag te slapen tussen Abner en zijn soldaten. Zijn speer stond naast hem, vlak bij zijn hoofd.

8Toen zei Abisai tegen David: ‘God heeft ervoor gezorgd dat u vandaag uw vijand kunt doden! Laat mij Saul neersteken met zijn eigen speer. Ik hoef maar één keer te steken om hem te doden.’ 9Maar David zei: ‘Nee, je mag hem niet doden! Want de Heer heeft hem uitgekozen om koning te zijn. Als je hem doodt, dan zal de Heer je straffen. 10Dat is zo zeker als de Heer leeft!

Ik weet dat Saul zal sterven. De Heer zal daar zelf voor zorgen. Misschien sterft Saul als hij oud is. Of misschien sterft hij in een oorlog. 11Ik bid dat de Heer mij zal helpen om Saul geen kwaad te doen. Want Saul is koning omdat de Heer hem uitgekozen heeft. Pak daarom alleen zijn speer en zijn waterkruik, Abisai. Dan gaan we weg.’

12Toen pakten ze de speer en de waterkruik die naast het hoofd van Saul stonden. Daarna gingen ze weg. Niemand zag het. Niemand merkte het. Niemand werd wakker. Iedereen in het kamp bleef slapen. Daar zorgde de Heer voor.

Abner heeft Saul niet goed bewaakt

13David ging naar de andere kant van het dal. Daar ging hij op de top van een heuvel staan. Hij stond zo ver mogelijk bij het kamp van Saul vandaan. 14Hij schreeuwde naar de soldaten en naar Abner, de zoon van Ner: ‘Kun je me horen, Abner?’ En Abner riep: ‘Wie ben jij, en hoe durf je zo tegen de koning te schreeuwen?’

15-16David antwoordde: ‘Jij bent toch de belangrijkste soldaat in het leger van Israël? Waarom heb je de koning dan niet bewaakt? Jij hebt je werk niet goed gedaan, want iemand had de kans om de koning te doden. Je verdient de doodstraf! Zo zeker als de Heer leeft! Want je hebt de koning die de Heer zelf uitgekozen heeft, niet goed bewaakt. Kijk maar eens of je de speer en de waterkruik van Saul kunt vinden. Ze stonden naast zijn hoofd.’

David wil Saul geen kwaad doen

17Saul herkende de stem van David. Hij riep: ‘Ben jij het, David?’ David antwoordde: ‘Ja, ik ben het. 18Koning, waarom achtervolgt u mij toch steeds? Wat heb ik verkeerd gedaan?

19Koning, luister toch alstublieft naar mij. Wie heeft ervoor gezorgd dat u kwaad op mij bent? Is het de Heer? Breng dan alstublieft een offer om het weer goed te maken. Of zijn het mensen? Dan zal de Heer hen straffen. Want zij jagen mij weg uit het land van de Heer. Zo dwingen ze mij om andere goden te vereren. 20Dood mij hier alstublieft niet. Want ik ben op een plek waar de Heer niet vereerd wordt.

U bent de koning van Israël! Waarom achtervolgt u dan iemand die helemaal niet belangrijk is? Het lijkt wel alsof u in de bergen jaagt op een kleine vogel.’

Saul heeft spijt

21Toen zei Saul: ‘Ik heb iets verkeerds gedaan. Kom bij me terug, David. Ik zal je nooit meer kwaad doen. Want jij hebt mij vandaag niet gedood. Maar ik ben dom geweest en ik heb verschrikkelijke fouten gemaakt.’

22David zei: ‘Koning, ik heb hier uw speer. Stuur één van de soldaten om die op te halen. 23De Heer zal mijn eerlijkheid en trouw belonen. Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik u vandaag kon doden. En toch heb ik u geen kwaad gedaan. Want u bent uitgekozen door de Heer. Hij heeft u koning gemaakt. 24Ik heb u vandaag beschermd. Zo zal de Heer mij ook beschermen en mij redden uit elk gevaar.’ 25Toen zei Saul: ‘Ik bid dat de Heer goed voor je zal zijn, David. Alles wat je doet, zal lukken.’

Daarna ging David weg, en Saul ging terug naar huis.

27

David woont bij de Filistijnen

David vlucht naar de Filistijnen

271Maar David dacht: Op een dag zal Saul mij toch doden. Daarom kan ik beter vluchten naar het gebied van de Filistijnen. Dan ben ik niet meer in Israël, en dan zal Saul mij niet meer zoeken. Alleen zo kan ik aan hem ontsnappen.

2-3Daarom ging David met zijn zeshonderd soldaten naar het gebied van de Filistijnen. Alle soldaten namen hun gezin mee. Ze gingen wonen bij koning Achis, de zoon van Maoch. Achis was de koning van de stad Gat. David nam zijn twee vrouwen mee: Achinoam en Abigaïl. Achinoam kwam uit de stad Jizreël en Abigaïl kwam uit de stad Karmel. Zij was de vrouw van Nabal geweest.

4Toen Saul hoorde dat David naar de stad Gat gevlucht was, zocht hij niet langer naar David.

David gaat in Siklag wonen

5Op een dag zei David tegen Achis: ‘Ik ben het niet waard om in uw stad te wonen, want dit is een koninklijke stad. Wilt u daarom alstublieft iets voor mij doen? Wilt u mij één van uw kleine steden geven? Dan kunnen mijn soldaten en ik daar gaan wonen.’

6Toen gaf Achis de stad Siklag aan David. Siklag is nu nog steeds in het bezit van de koningen van Juda.

David bedriegt koning Achis

7David woonde één jaar en vier maanden in het gebied van de Filistijnen. 8-9In die tijd overvielen David en zijn soldaten vaak de steden van de Gesurieten, de Girzieten en de Amalekieten. Die steden lagen in het gebied tussen Telam en Sur, bij de grens met Egypte. Als ze zo’n stad aanvielen, doodden ze daar iedereen. Ze namen alle schapen, geiten, koeien, ezels en kamelen mee. En ook alle kleding.

Als ze terugkwamen, ging David altijd naar koning Achis. 10Dan vroeg Achis: ‘Welke stad hebben jullie vandaag aangevallen?’ David gaf nooit een eerlijk antwoord. Hij zei bijvoorbeeld: ‘Een stad in het zuiden van Juda.’ Of: ‘Een stad van de familie van Jerachmeël.’ Of: ‘Een stad van de Kenieten.’

11David zorgde ervoor dat niemand uit de veroverde steden in leven bleef. En hij nam ook geen gevangenen mee naar de stad Gat. Anders kon iemand aan koning Achis verraden wat David echt deed.

Zolang David in het gebied van de Filistijnen woonde, bedroog hij Achis. 12Maar Achis vertrouwde David. Want hij dacht: Het volk van Israël zal nu wel woedend zijn op David. Daarom zal hij mij voor altijd trouw moeten blijven.

28

Achis wil dat David voor hem vecht

281In die tijd maakten de Filistijnen hun leger klaar voor een oorlog tegen Israël.

Achis zei tegen David: ‘Je begrijpt natuurlijk wel dat jij en je soldaten voor mij moeten vechten.’ 2En David zei: ‘Ja, natuurlijk! Ik zal u laten zien wat ik allemaal kan.’ Achis zei: ‘Goed, dan hoor jij voortaan bij mijn lijfwacht.’

De geest van Samuel

Saul is doodsbang

3-6Toen kwamen de Filistijnen bij elkaar. Ze maakten een kamp in Sunem. En Saul verzamelde zijn hele leger en maakte een kamp in de Gilboa-bergen. Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, werd hij doodsbang. Hij vroeg de Heer om raad, maar de Heer antwoordde niet. Niet in dromen en niet via priesters of profeten.

Saul roept de geest van Samuel op

Toen Samuel gestorven was, hadden alle Israëlieten gerouwd om zijn dood. Ze hadden Samuel begraven in zijn woonplaats Rama. Daarna had Saul alle waarzeggers en mensen die geesten opriepen, weggejaagd uit Israël.

7Maar nu zei Saul tegen zijn dienaren: ‘Zoek voor mij een vrouw die geesten kan oproepen. Dan ga ik naar haar toe en vraag ik haar om raad.’ Zijn dienaren zeiden: ‘In Endor woont zo’n vrouw.’

8Toen deed Saul andere kleren aan, zodat hij niet herkend kon worden. Hij ging midden in de nacht naar de vrouw toe. En hij nam twee dienaren mee. Hij zei tegen de vrouw: ‘Kunt u voor mij een geest om raad vragen? Ik zal zeggen wie u moet oproepen.’ 9Maar de vrouw zei: ‘U weet toch wat Saul gedaan heeft? Hij heeft alle waarzeggers en mensen die geesten kunnen oproepen, weggejaagd uit Israël. Waarom wilt u mij iets laten doen waarvoor Saul mij zal doden?’ 10Maar Saul beloofde plechtig: ‘Zo zeker als de Heer leeft: u zult hiervoor niet gestraft worden.’ 11Toen vroeg de vrouw: ‘Wie moet ik voor u oproepen?’ En Saul zei: ‘Roep Samuel voor mij op.’

12Toen de vrouw de geest van Samuel zag, begon ze hard te schreeuwen. Ze riep tegen Saul: ‘Waarom hebt u mij bedrogen? U bent Saul zelf!’ 13Maar Saul zei tegen haar: ‘U hoeft niet bang te zijn! Vertel me wat u ziet.’ De vrouw antwoordde: ‘Ik zie een geest uit de aarde omhoogkomen.’ 14Saul vroeg: ‘Hoe ziet die geest eruit?’ De vrouw zei: ‘Het is een oude man met een mantel.’ Toen wist Saul dat het Samuel was. Saul knielde en maakte een diepe buiging.

Saul zal verslagen worden

15Samuel vroeg aan Saul: ‘Waarom laat je me oproepen? Waarom stoor je mij?’ Saul antwoordde: ‘Omdat de Filistijnen oorlog tegen mij willen voeren! Ik ben doodsbang, want God beschermt me niet meer. Hij zegt niets meer tegen mij. Niet via de profeten en niet in dromen. Daarom heb ik u geroepen, u moet me vertellen wat ik moet doen.’

16Maar Samuel zei: ‘Waarom vraag je dat? Je weet toch dat de Heer je in de steek gelaten heeft? Hij is je vijand geworden. 17De Heer heeft gedaan wat ik je vroeger al verteld heb. Hij wil niet meer dat jij koning bent. Hij wil dat David koning wordt. 18De Heer heeft dat besloten, omdat jij niet naar hem geluisterd hebt. Want je hebt de Amalekieten niet gestraft, ook al moest dat van de Heer.

19De Heer zal de Filistijnen laten winnen van jou en van de Israëlieten. Morgen zullen jij en je zonen sterven, en het leger van Israël zal worden verslagen.’

Saul schrikt van Samuels woorden

20Toen Saul dat hoorde, viel hij voorover op de grond. Hij was erg geschrokken van Samuels woorden. En hij had geen kracht meer. Dat kwam doordat hij de hele dag en de hele nacht niets gegeten had.

21De vrouw ging naar Saul toe en zag hoe bang hij was. Ze zei tegen hem: ‘Ik heb gedaan wat u vroeg. Daarmee heb ik mijn leven in gevaar gebracht. Ik heb geluisterd naar wat u tegen mij zei. 22Luister daarom ook naar mij. Laat mij u iets te eten geven. Als u eet, krijgt u weer kracht. Dan kunt u weer op weg gaan.’

23Saul zei: ‘Nee, ik wil niet eten.’ Maar zijn dienaren en de vrouw bleven zeggen dat hij iets moest eten. Uiteindelijk luisterde Saul naar hen. Hij stond op en ging op een bed zitten.

24De vrouw maakte eten klaar. Ze slachtte een kalf en bakte platte broden. 25Ze gaf Saul en zijn dienaren te eten. Nadat ze gegeten hadden, gingen ze midden in de nacht weer bij de vrouw weg.