Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De wijsheid van koning Salomo

Salomo trouwt met een dochter van de farao

31Salomo trouwde met een dochter van de farao, de koning van Egypte. Zo werd hij de schoonzoon van de farao.

Salomo liet zijn vrouw in het oude deel van Jeruzalem wonen, in het paleis van zijn vader David. Daar woonde ze totdat Salomo klaar was met de bouw van zijn eigen paleis, en met de bouw van de tempel en de muur om Jeruzalem heen.

Salomo brengt offers aan God

2-4Salomo hield van de Heer, en hij deed wat zijn vader David hem geleerd had. Maar in die tijd was er in Jeruzalem nog geen tempel om offers te brengen aan de Heer. De mensen offerden op speciale plaatsen buiten Jeruzalem.

Ook Salomo bracht offers op die speciale offerplaatsen. De belangrijkste offerplaats was in de stad Gibeon.

Op een keer ging Salomo naar Gibeon om te offeren. Hij offerde daar wel duizend dieren aan de Heer.

Salomo vraagt God om wijsheid

5Die nacht in Gibeon droomde Salomo dat de Heer bij hem kwam. God zei tegen hem: ‘Je mag mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’

6Salomo antwoordde: ‘Mijn vader David was trouw aan u, en hij was eerlijk en rechtvaardig. Daarom was u heel goed voor hem. Zo goed dat u hem een zoon gaf die hem kon opvolgen. 7Want u hebt mij koning gemaakt in plaats van mijn vader David.

Maar ik ben nog jong, ik heb nog niet zo veel meegemaakt in het leven. 8En nu ben ik de leider van het volk dat u uitgekozen hebt. Een volk zo groot, dat je het niet kunt tellen. 9Daarom vraag ik u dit: Leer mij om goed te luisteren. En leer mij om het verschil tussen goed en kwaad te zien. Dan kan ik uw volk leiden. Want hoe moet ik anders dit grote volk leiden?’

God geeft Salomo wijsheid

10De Heer vond dat Salomo goede dingen vroeg. 11Hij zei tegen Salomo: ‘Ik vind het bijzonder dat je dit vraagt. Dat je niet vraagt om een lang leven, of om veel bezit, of om de dood van je vijanden. Nee, je hebt gevraagd om wijsheid, zodat je goed kunt luisteren en het volk kunt leiden.

12Daarom zal ik je geven wat je gevraagd hebt. Ik zal ervoor zorgen dat je wijsheid en inzicht krijgt. Zo wijs als jij zult zijn, is nog nooit iemand geweest. En zo wijs zal ook nooit meer iemand zijn.

13Maar ik geef je ook wat je niet gevraagd hebt. Ik geef je ook veel bezit, en ik zorg ervoor dat iedereen respect voor je krijgt. Zolang je leeft, zal er niet één koning zo rijk en machtig zijn als jij. 14En ik zal ervoor zorgen dat je lang leeft. Maar dan moet je wel leven zoals ik het wil, en mijn wetten en regels volgen. Net zoals je vader David gedaan heeft.’

Salomo dankt God

15Toen werd Salomo wakker. Hij begreep dat hij gedroomd had. Hij ging terug naar Jeruzalem. Daar ging hij naar de heilige kist met de wet van de Heer. Hij bracht er offers, en gaf er een feest voor zijn dienaren.

Twee vrouwen komen bij Salomo

16Op een dag kwamen er twee vrouwen bij koning Salomo. Het waren hoeren. Ze gingen voor de koning staan.

17De ene vrouw zei: ‘Koning, luister alstublieft. Deze vrouw en ik wonen in één huis. Ik heb pas een kind gekregen, een jongetje. Zij was erbij. 18Twee dagen later kreeg zij ook een kind, ook een jongetje. We waren alleen in huis, er waren verder geen andere mensen. 19Maar ’s nachts is zij in haar slaap boven op haar kind gaan liggen. Daardoor is haar kind gestorven.

20Toen is zij midden in de nacht opgestaan en naar mij toe gegaan. Ik lag te slapen. Ze heeft toen mijn kind weggehaald en het bij haar in bed gelegd. Het dode kind legde ze bij mij neer.

21Toen ik ’s ochtends wakker werd en mijn kind de borst wilde geven, zag ik dat het dood was. Maar toen ik nog eens goed keek, zag ik dat het niet mijn eigen kind was.’

22‘Dat is niet waar!’ riep de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij. Het dode kind is van jou!’ De eerste vrouw zei: ‘Nee, het dode kind is jouw zoon. Het levende kind is van mij!’

Zo maakten ze ruzie bij de koning.

Salomo geeft een wijs oordeel

23Koning Salomo zei: ‘Jullie zeggen dus allebei dat het levende kind van jezelf is, en het dode kind van de ander.’ 24Toen zei hij: ‘Haal een zwaard.’ Zijn dienaren brachten een zwaard. 25De koning zei: ‘Hak het levende jongetje in twee stukken. Geef de ene helft aan de ene vrouw, en geef de andere helft aan de andere vrouw.’

26De moeder van het levende kind schrok vreselijk en riep: ‘Alstublieft koning, maak het kind niet dood! Geef het dan maar aan haar!’ Maar de andere vrouw zei: ‘Ja, hak het kind maar in twee stukken. Dan krijgen we het geen van beiden.’

27Toen zei de koning: ‘Maak het kind niet dood, maar geef het aan de vrouw die het kind wil laten leven. Want zij is de echte moeder.’

28Alle Israëlieten hoorden wat koning Salomo besloten had. Ze kregen veel respect voor hem. En ze begrepen dat God hem de wijsheid gegeven had om goede beslissingen te nemen.

4

De regering van koning Salomo

De ambtenaren van Salomo

41Salomo was koning van alle Israëlieten. 2Dit waren zijn elf belangrijkste ambtenaren:

Azarja, de zoon van Sadok, was priester.

3Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren schrijvers van de koning.

Josafat, de zoon van Achilud, was de secretaris van de koning.

4Benaja, de zoon van Jojada, was de leider van het leger.

Sadok en Abjatar waren priesters.

5Azarja, de zoon van Natan, was de leider van de provinciebestuurders.

Zabud, de zoon van Natan, was priester. En hij was ook de persoonlijke raadgever van de koning.

6Achisar had de leiding over het personeel van de koning.

Adoniram, de zoon van Abda, controleerde de arbeiders die voor de koning moesten werken.

De bestuurders van de provincies

7Twaalf mannen bestuurden de provincies van Salomo’s rijk. Iedere maand moest één van hen zorgen voor het eten en drinken van de koning en zijn personeel. 8Dit waren de twaalf provinciebestuurders:

Ben-Chur bestuurde het berggebied Efraïm.

9Ben-Deker bestuurde de steden Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan.

10Ben-Chesed bestuurde de steden Arubbot en Socho, en het gebied van de stad Chefer.

11Ben-Abinadab bestuurde het gebied aan de kust bij de stad Dor. Hij was getrouwd met Tafat, een dochter van Salomo.

12Baäna, de zoon van Achilud, bestuurde de steden Taänach en Megiddo en het hele gebied van de stad Bet-San. De grens van dat gebied ligt in de buurt van de stad Saretan. Bet-San zelf ligt ten zuiden van de stad Jizreël. Het gebied van Bet-San loopt helemaal van de stad Abel-Mechola tot voorbij de stad Jokmeam.

13Ben-Geber bestuurde de stad Ramot en de Dorpen van Jaïr, in het gebied Gilead. (Jaïr was een nakomeling van Manasse.) Ben-Geber bestuurde ook het gebied Argob in het land Basan. In dat gebied lagen zestig grote steden. Om al die steden was een muur gebouwd. In de muren zaten poorten met sterke sloten van brons.

14Achinadab, de zoon van Iddo, bestuurde de stad Machanaïm.

15Achimaäs bestuurde het gebied Naftali. Hij was getrouwd met Basemat, een dochter van Salomo.

16Baäna, de zoon van Chusai, bestuurde de gebieden Aser en Alot.

17Josafat, de zoon van Paruach, bestuurde het gebied Issachar.

18Simi, de zoon van Ela, bestuurde het gebied Benjamin.

19Geber, de zoon van Uri, bestuurde het gebied Gilead. Vroeger waren er twee koningen in dat gebied: koning Sichon van de Amorieten en koning Og van het land Basan. Nu was Geber daar de enige bestuurder.

De macht van koning Salomo

Salomo is rijk en machtig

20In Juda en Israël woonden heel veel mensen, zo veel als er zand is bij de zee. De mensen hadden genoeg te eten en te drinken, en ze waren gelukkig.

5

51Koning Salomo heerste over veel landen: over alle landen vanaf de rivier de Eufraat tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. De koningen van die landen moesten ieder jaar belasting betalen aan Salomo. Dat bleven ze doen, zolang hij leefde.

2Elke dag was er in het paleis van Salomo voor het eten het volgende nodig: 135 zakken extra fijn meel en 270 zakken gewoon meel. 3Verder tien koeien uit de stal, twintig koeien uit de wei en honderd schapen en geiten. En verschillende soorten herten, en vette ganzen.

4Salomo heerste over alle landen en koningen ten westen van de rivier de Eufraat. Van de stad Tifsach in het noorden tot de stad Gaza in het zuiden. Met alle landen om zijn rijk heen had hij vrede.

5Zolang Salomo koning was, was het veilig in heel Juda en Israël, van het noorden tot het zuiden. De mensen konden rustig in hun wijngaard en onder hun vijgenboom zitten.

De taken van de provinciebestuurders

6Salomo had in zijn stallen 40.000 paarden om zijn wagens te trekken. En hij had 12.000 mannen in dienst om zijn wagens te besturen.

7-8De provinciebestuurders zorgden voor het eten en drinken van koning Salomo, en van zijn gasten en zijn personeel. Iedere maand deed een andere bestuurder dat, ieder op zijn beurt. Ze zorgden ervoor dat er van alles genoeg was. Ook brachten ze voer en stro voor de paarden naar de plaatsen waar dat nodig was.

Salomo is wijzer dan iedereen

9God gaf Salomo veel wijsheid en inzicht. Ook gaf God Salomo kennis over enorm veel verschillende dingen.

10Salomo was wijzer dan iedereen in het Oosten en in Egypte. 11Hij was wijzer dan alle andere mensen. Hij was wijzer dan de Ezrachiet Etan, en wijzer dan Heman, Kalkol en Darda, de zonen van Machol. Alle volken in de omgeving wisten hoe wijs koning Salomo was.

12Salomo maakte drieduizend spreuken en 1005 liederen. 13Die gingen over bomen en planten. Over de hoge ceders op de Libanon-bergen en over kleine plantjes die uit muren groeien. En over grote dieren op het land, over vogels, over kleine dieren en vissen.

14De koningen van andere landen hoorden over Salomo’s wijsheid. Ze stuurden hun dienaren naar hem toe om naar zijn wijze woorden te luisteren.

Voorbereidingen voor de tempelbouw

Salomo vraagt koning Chiram om hulp

15Ook Chiram, de koning van Tyrus, stuurde dienaren naar koning Salomo. Want Chiram had gehoord dat David opgevolgd was door zijn zoon Salomo. Chiram had altijd een goede relatie met David gehad.

16Salomo stuurde de dienaren naar Chiram terug met het volgende bericht: 17‘U weet dat mijn vader David geen tempel kon bouwen voor de Heer, zijn God. Want hij had oorlog met de landen in de buurt. Maar de Heer zorgde ervoor dat David zijn vijanden kon verslaan. 18Zo heeft de Heer ervoor gezorgd dat het rustig is in het land. Er zijn geen vijanden meer, en er is geen gevaar meer.

19Daarom heb ik besloten om voor de Heer, mijn God, een tempel te bouwen. Want de Heer heeft aan mijn vader David beloofd: ‘De zoon die jou zal opvolgen, zal een huis voor mij bouwen.’

20Mijn voorstel is dat uw arbeiders cederbomen uit de Libanon-bergen omhakken. En dat mijn arbeiders hen daarbij helpen. Ik zal uw arbeiders heel goed betalen. Want u weet: wij hebben hier nergens zulke goede houthakkers als uw arbeiders, de mannen uit Sidon.’

Salomo en Chiram gaan samenwerken

21Toen Chiram hoorde wat Salomo vroeg, was hij heel blij. Hij zei: ‘Ik dank de Heer vandaag. Want hij heeft David een wijze zoon gegeven om dit grote volk te leiden.’

22En hij stuurde dit bericht terug naar Salomo: ‘Ik heb uw bericht ontvangen. Ik zal u net zo veel cederbomen en cipressen geven als u wilt. 23Mijn mannen zullen de bomen van de Libanon-bergen naar zee brengen. Daar zal ik er vlotten van laten maken. Die gaan over zee tot waar u ze wilt hebben. Daar zal ik de vlotten weer uit elkaar laten halen. Dan krijgt u de bomen. In ruil daarvoor vraag ik u om te zorgen dat de mensen in mijn paleis genoeg te eten hebben.’

24Zo gaf Chiram cederbomen en cipressen aan Salomo, precies zoals die het wilde. 25En Salomo gaf Chiram ieder jaar 90.000 zakken tarwe en 9000 liter olijfolie.

26De Heer gaf Salomo wijsheid, zoals hij hem beloofd had. En er was vrede tussen Chiram en Salomo. Ze sloten een verdrag om geen oorlog met elkaar te voeren.

Heel Israël werkt mee

27Salomo liet mannen uit heel Israël meewerken, in totaal 30.000 mannen. 28Hij stuurde hen in groepen naar de Libanon-bergen. Iedere maand stuurde hij een groep van tienduizend mannen naar de Libanon-bergen. Daar bleven ze één maand, en daarna waren ze twee maanden thuis. Adoniram had de opdracht om die arbeiders te controleren.

29Ook had Salomo 70.000 mannen in dienst om alles te dragen. En 80.000 mannen om stenen te hakken in de bergen. 30Verder waren er nog 3300 mannen die de leiding hadden over de arbeiders. Zij moesten het werk controleren.

31Salomo gaf zijn arbeiders de opdracht om grote stukken steen uit de bergen te hakken. Dat deden ze, en ze maakten er blokken van om daar de tempel op te bouwen.

32De bouwers van Salomo en de bouwers van Chiram werkten samen met mensen uit Gebal. Zo maakten ze het hout en de stenen geschikt voor de bouw van de tempel.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]