Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Davids laatste wensen

David laat Salomo bij zich komen

21Toen David ging sterven, riep hij zijn zoon Salomo bij zich. 2‘Salomo,’ zei hij, ‘ik ga binnenkort sterven, zoals alle mensen moeten sterven. Jij moet sterk zijn en laten zien dat je een man bent. 3Doe wat God, de Heer, van je wil. Ga de weg die hij je wijst. Doe wat in zijn wetten en regels staat, zoals Mozes die opgeschreven heeft. Dan zal alles wat je doet, goed gaan. 4En dan zal gebeuren wat de Heer mij beloofd heeft. Hij heeft gezegd: ‘Er zal altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zijn. Maar dan moeten ze mij wel echt trouw zijn, en leven zoals ik het wil.’

Davids laatste opdrachten

5Verder moet je Joab, de zoon van Seruja, straffen. Je weet wat hij mij aangedaan heeft. En wat hij Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter, aangedaan heeft. Zij waren de legerleiders van Israël. Joab heeft hen zelf gedood. Hij heeft zijn kleren vuilgemaakt met hun bloed. En het was niet eens oorlog, het was juist een tijd van vrede. 6Wees verstandig: laat hem niet rustig sterven, ook al is hij oud.

7Maar de zonen van Barzillai uit het gebied Gilead moet je goed behandelen. Ontvang hen als gasten in je paleis. Want zij waren ook heel goed voor mij toen ik vluchtte voor je broer Absalom.

8En dan nog iets over Simi, de zoon van Gera, uit het dorp Bachurim in het gebied Benjamin. Toen ik naar de stad Machanaïm ging, heeft Simi de verschrikkelijkste dingen tegen mij geroepen. Maar later is hij bij de rivier de Jordaan naar mij toe gekomen. Ik heb hem toen plechtig beloofd dat ik hem niet zou doden. 9Maar nu moet hij toch gestraft worden. Salomo, jij bent een wijze man. Jij weet wel hoe je dat moet doen. Zorg ervoor dat Simi gedood wordt, ook al is hij oud.’

David sterft en Salomo wordt koning

10Toen stierf David. Hij werd begraven in Jeruzalem, in de oude stad. 11David was veertig jaar koning van Israël geweest. Hij woonde zeven jaar in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem.

12Daarna werd Salomo de nieuwe koning. Ook hij was een machtige koning.

Adonia heeft een vraag aan Batseba

13Toen ging Adonia, de zoon van Chaggit, naar Batseba, de moeder van Salomo. ‘Kom je met goede bedoelingen?’ vroeg Batseba. ‘Ja,’ zei Adonia. 14‘Ik wil u iets vragen.’ ‘Zeg het maar,’ zei Batseba.

15Adonia zei: ‘U weet dat ik eigenlijk koning had moeten zijn. Iedereen in Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar mijn broer Salomo is koning geworden, omdat God dat zo wilde. 16Nu wil ik u iets vragen. Ik hoop dat u geen nee zegt.’ ‘Vraag het maar,’ zei Batseba.

17Toen zei Adonia: ‘Ik wil graag dat Abisag uit Sunem mijn vrouw wordt. Wilt u dat aan Salomo vragen? Hij zal het u niet weigeren.’ 18‘Goed,’ zei Batseba. ‘Ik zal het aan de koning vragen.’

Batseba gaat naar Salomo

19Batseba ging naar koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning kwam naar haar toe en knielde voor haar. Daarna ging hij op zijn troon zitten. Hij liet ook rechts van zich een troon neerzetten. Daar ging Batseba zitten.

20Toen zei Batseba: ‘Ik wil je iets vragen, iets kleins. Zeg alsjeblieft geen nee.’ De koning zei: ‘Vraag het maar, moeder. Ik zal geen nee zeggen.’ 21Toen zei Batseba: ‘Mag Abisag uit Sunem misschien de vrouw worden van je broer Adonia?’

22Salomo antwoordde: ‘Waarom vraagt u of Adonia met Abisag mag trouwen? U kunt beter meteen vragen of hij koning mag zijn. Want hij is ook al ouder dan ik! En door dat aan mij te vragen, steunt u ook nog de priester Abjatar en Joab, de zoon van Seruja.’

23Toen verklaarde Salomo plechtig: ‘Adonia moet sterven omdat hij dit gevraagd heeft. Anders mag God me straffen. 24Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik koning ben en op de troon van mijn vader David zit. En hij zal ervoor zorgen dat mijn zonen me kunnen opvolgen. Adonia zal vandaag nog gedood worden, dat is zo zeker als de Heer leeft!’

25En koning Salomo gaf Benaja, de zoon van Jojada, opdracht om Adonia te doden.

Salomo stuurt Abjatar weg

26Koning Salomo zei tegen de priester Abjatar: ‘Ga terug naar Anatot, naar je eigen grond. Eigenlijk moet je sterven. Maar ik zal je nu niet doden. Want je hebt de heilige kist van God, de Heer, gedragen voor mijn vader David. En je hebt mijn vader gesteund toen hij het moeilijk had.’

27Zo zorgde Salomo ervoor dat Abjatar geen priester meer was. En zo gebeurde wat de Heer al in Silo gezegd had over Eli en zijn familie.

Joab wordt bang en vlucht

28Joab hoorde wat er met Abjatar gebeurd was, en hij werd bang. Want Joab had Absalom niet gesteund toen Absalom koning wilde worden. Maar nu had hij Adonia wel gesteund. Joab vluchtte naar de heilige tent en pakte daar het altaar vast. Hij hoopte dat de koning hem dan niet zou doden.

29De mensen vertelden aan koning Salomo dat Joab gevlucht was naar de heilige tent, naar het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja daarheen. Hij zei: ‘Ga naar Joab toe en dood hem.’ 30Benaja ging naar de heilige tent en zei tegen Joab: ‘De koning wil dat je naar buiten komt.’ Maar Joab zei: ‘Nee, dat doe ik niet. Ik wil hier sterven.’

Toen ging Benaja terug naar de koning. Hij vertelde hem wat Joab gezegd had.

Salomo laat Joab doden

31Toen zei koning Salomo: ‘Doe wat Joab wil. Dood hem, en begraaf hem ook. Doe dat voor mij en mijn familie. Want Joab heeft onschuldige mensen gedood. 32Daarom straft de Heer hem. Joab heeft met zijn zwaard twee mensen vermoord, zonder dat mijn vader David het wist. Die mensen waren beter en eerlijker dan hij. Joab heeft namelijk Abner, de zoon van Ner, gedood. En hij heeft Amasa, de zoon van Jeter, gedood. Abner was de legerleider van Israël en Amasa was de legerleider van Juda.

33Ik hoop dat de familie van Joab voor altijd gestraft wordt. En ik hoop dat de Heer ervoor zorgt dat er altijd vrede zal zijn voor de familie van David. En ook voor degenen die na hem koning zullen zijn.’

34Toen ging Benaja weer naar Joab toe en hij doodde hem. Joab werd in de woestijn begraven, bij zijn familie. 35En Salomo zorgde ervoor dat Benaja legerleider werd in plaats van Joab. En dat Sadok priester werd in plaats van Abjatar.

Salomo waarschuwt Simi

36Daarna liet koning Salomo Simi bij zich komen. Hij zei tegen hem: ‘Bouw een huis in Jeruzalem, en ga daar wonen. Je moet in de stad blijven, je mag er niet uit. 37Als je toch de stad uit gaat en de rivier de Kidron oversteekt, zul je sterven. Dat zal je straf zijn. Onthoud dat goed.’ 38Simi zei: ‘Koning, ik heb het begrepen. Ik zal doen wat u zegt.’

Salomo laat Simi doden

Zo woonde Simi lange tijd in Jeruzalem. 39Er gingen drie jaren voorbij. Toen vluchtten er twee slaven van Simi naar Achis, de zoon van Maächa. Achis was de koning van de stad Gat.

Simi hoorde dat zijn slaven in Gat waren. 40Toen ging hij met zijn ezel op weg naar Gat. Hij ging bij koning Achis zijn slaven zoeken. Hij vond ze, en haalde ze terug naar Jeruzalem.

41De mensen vertelden aan Salomo dat Simi uit Jeruzalem weggegaan was. Ze vertelden dat hij naar Gat gegaan was, en weer teruggekomen was. 42Toen liet koning Salomo Simi bij zich komen. Hij zei: ‘Ik heb toch tegen je gezegd dat je Jeruzalem niet uit mocht gaan? Dat weet je toch nog wel? Ik zei dat je anders zou sterven. Jij zei dat je het begrepen had. En je beloofde plechtig dat je in de stad zou blijven. 43Waarom heb je dan nu toch niet gedaan wat ik je gezegd heb? En wat je mij plechtig beloofd hebt?’

44Verder zei de koning: ‘Jij weet heel goed wat voor kwaad je vroeger gedaan hebt. En wat je mijn vader David aangedaan hebt. Nu straft de Heer je daarvoor. 45Maar mij zal de Heer zegenen. Want er zal altijd een nakomeling van mijn vader David koning van Israël zijn.’

46Toen gaf de koning aan Benaja de opdracht om Simi te doden. Dat deed Benaja.

Zo werd Salomo een machtige koning.

3

De wijsheid van koning Salomo

Salomo trouwt met een dochter van de farao

31Salomo trouwde met een dochter van de farao, de koning van Egypte. Zo werd hij de schoonzoon van de farao.

Salomo liet zijn vrouw in het oude deel van Jeruzalem wonen, in het paleis van zijn vader David. Daar woonde ze totdat Salomo klaar was met de bouw van zijn eigen paleis, en met de bouw van de tempel en de muur om Jeruzalem heen.

Salomo brengt offers aan God

2-4Salomo hield van de Heer, en hij deed wat zijn vader David hem geleerd had. Maar in die tijd was er in Jeruzalem nog geen tempel om offers te brengen aan de Heer. De mensen offerden op speciale plaatsen buiten Jeruzalem.

Ook Salomo bracht offers op die speciale offerplaatsen. De belangrijkste offerplaats was in de stad Gibeon.

Op een keer ging Salomo naar Gibeon om te offeren. Hij offerde daar wel duizend dieren aan de Heer.

Salomo vraagt God om wijsheid

5Die nacht in Gibeon droomde Salomo dat de Heer bij hem kwam. God zei tegen hem: ‘Je mag mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’

6Salomo antwoordde: ‘Mijn vader David was trouw aan u, en hij was eerlijk en rechtvaardig. Daarom was u heel goed voor hem. Zo goed dat u hem een zoon gaf die hem kon opvolgen. 7Want u hebt mij koning gemaakt in plaats van mijn vader David.

Maar ik ben nog jong, ik heb nog niet zo veel meegemaakt in het leven. 8En nu ben ik de leider van het volk dat u uitgekozen hebt. Een volk zo groot, dat je het niet kunt tellen. 9Daarom vraag ik u dit: Leer mij om goed te luisteren. En leer mij om het verschil tussen goed en kwaad te zien. Dan kan ik uw volk leiden. Want hoe moet ik anders dit grote volk leiden?’

God geeft Salomo wijsheid

10De Heer vond dat Salomo goede dingen vroeg. 11Hij zei tegen Salomo: ‘Ik vind het bijzonder dat je dit vraagt. Dat je niet vraagt om een lang leven, of om veel bezit, of om de dood van je vijanden. Nee, je hebt gevraagd om wijsheid, zodat je goed kunt luisteren en het volk kunt leiden.

12Daarom zal ik je geven wat je gevraagd hebt. Ik zal ervoor zorgen dat je wijsheid en inzicht krijgt. Zo wijs als jij zult zijn, is nog nooit iemand geweest. En zo wijs zal ook nooit meer iemand zijn.

13Maar ik geef je ook wat je niet gevraagd hebt. Ik geef je ook veel bezit, en ik zorg ervoor dat iedereen respect voor je krijgt. Zolang je leeft, zal er niet één koning zo rijk en machtig zijn als jij. 14En ik zal ervoor zorgen dat je lang leeft. Maar dan moet je wel leven zoals ik het wil, en mijn wetten en regels volgen. Net zoals je vader David gedaan heeft.’

Salomo dankt God

15Toen werd Salomo wakker. Hij begreep dat hij gedroomd had. Hij ging terug naar Jeruzalem. Daar ging hij naar de heilige kist met de wet van de Heer. Hij bracht er offers, en gaf er een feest voor zijn dienaren.

Twee vrouwen komen bij Salomo

16Op een dag kwamen er twee vrouwen bij koning Salomo. Het waren hoeren. Ze gingen voor de koning staan.

17De ene vrouw zei: ‘Koning, luister alstublieft. Deze vrouw en ik wonen in één huis. Ik heb pas een kind gekregen, een jongetje. Zij was erbij. 18Twee dagen later kreeg zij ook een kind, ook een jongetje. We waren alleen in huis, er waren verder geen andere mensen. 19Maar ’s nachts is zij in haar slaap boven op haar kind gaan liggen. Daardoor is haar kind gestorven.

20Toen is zij midden in de nacht opgestaan en naar mij toe gegaan. Ik lag te slapen. Ze heeft toen mijn kind weggehaald en het bij haar in bed gelegd. Het dode kind legde ze bij mij neer.

21Toen ik ’s ochtends wakker werd en mijn kind de borst wilde geven, zag ik dat het dood was. Maar toen ik nog eens goed keek, zag ik dat het niet mijn eigen kind was.’

22‘Dat is niet waar!’ riep de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij. Het dode kind is van jou!’ De eerste vrouw zei: ‘Nee, het dode kind is jouw zoon. Het levende kind is van mij!’

Zo maakten ze ruzie bij de koning.

Salomo geeft een wijs oordeel

23Koning Salomo zei: ‘Jullie zeggen dus allebei dat het levende kind van jezelf is, en het dode kind van de ander.’ 24Toen zei hij: ‘Haal een zwaard.’ Zijn dienaren brachten een zwaard. 25De koning zei: ‘Hak het levende jongetje in twee stukken. Geef de ene helft aan de ene vrouw, en geef de andere helft aan de andere vrouw.’

26De moeder van het levende kind schrok vreselijk en riep: ‘Alstublieft koning, maak het kind niet dood! Geef het dan maar aan haar!’ Maar de andere vrouw zei: ‘Ja, hak het kind maar in twee stukken. Dan krijgen we het geen van beiden.’

27Toen zei de koning: ‘Maak het kind niet dood, maar geef het aan de vrouw die het kind wil laten leven. Want zij is de echte moeder.’

28Alle Israëlieten hoorden wat koning Salomo besloten had. Ze kregen veel respect voor hem. En ze begrepen dat God hem de wijsheid gegeven had om goede beslissingen te nemen.

4

De regering van koning Salomo

De ambtenaren van Salomo

41Salomo was koning van alle Israëlieten. 2Dit waren zijn elf belangrijkste ambtenaren:

Azarja, de zoon van Sadok, was priester.

3Elichoref en Achia, de zonen van Sisa, waren schrijvers van de koning.

Josafat, de zoon van Achilud, was de secretaris van de koning.

4Benaja, de zoon van Jojada, was de leider van het leger.

Sadok en Abjatar waren priesters.

5Azarja, de zoon van Natan, was de leider van de provinciebestuurders.

Zabud, de zoon van Natan, was priester. En hij was ook de persoonlijke raadgever van de koning.

6Achisar had de leiding over het personeel van de koning.

Adoniram, de zoon van Abda, controleerde de arbeiders die voor de koning moesten werken.

De bestuurders van de provincies

7Twaalf mannen bestuurden de provincies van Salomo’s rijk. Iedere maand moest één van hen zorgen voor het eten en drinken van de koning en zijn personeel. 8Dit waren de twaalf provinciebestuurders:

Ben-Chur bestuurde het berggebied Efraïm.

9Ben-Deker bestuurde de steden Makas, Saälbim, Bet-Semes en Elon-Bet-Chanan.

10Ben-Chesed bestuurde de steden Arubbot en Socho, en het gebied van de stad Chefer.

11Ben-Abinadab bestuurde het gebied aan de kust bij de stad Dor. Hij was getrouwd met Tafat, een dochter van Salomo.

12Baäna, de zoon van Achilud, bestuurde de steden Taänach en Megiddo en het hele gebied van de stad Bet-San. De grens van dat gebied ligt in de buurt van de stad Saretan. Bet-San zelf ligt ten zuiden van de stad Jizreël. Het gebied van Bet-San loopt helemaal van de stad Abel-Mechola tot voorbij de stad Jokmeam.

13Ben-Geber bestuurde de stad Ramot en de Dorpen van Jaïr, in het gebied Gilead. (Jaïr was een nakomeling van Manasse.) Ben-Geber bestuurde ook het gebied Argob in het land Basan. In dat gebied lagen zestig grote steden. Om al die steden was een muur gebouwd. In de muren zaten poorten met sterke sloten van brons.

14Achinadab, de zoon van Iddo, bestuurde de stad Machanaïm.

15Achimaäs bestuurde het gebied Naftali. Hij was getrouwd met Basemat, een dochter van Salomo.

16Baäna, de zoon van Chusai, bestuurde de gebieden Aser en Alot.

17Josafat, de zoon van Paruach, bestuurde het gebied Issachar.

18Simi, de zoon van Ela, bestuurde het gebied Benjamin.

19Geber, de zoon van Uri, bestuurde het gebied Gilead. Vroeger waren er twee koningen in dat gebied: koning Sichon van de Amorieten en koning Og van het land Basan. Nu was Geber daar de enige bestuurder.

De macht van koning Salomo

Salomo is rijk en machtig

20In Juda en Israël woonden heel veel mensen, zo veel als er zand is bij de zee. De mensen hadden genoeg te eten en te drinken, en ze waren gelukkig.