Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Wie wordt er koning na David?

Koning David is oud

11Koning David was oud geworden, en hij had het vaak koud. Daarom legden zijn dienaren dekens over hem heen. Maar David werd maar niet warm. 2Zijn dienaren zeiden tegen hem: ‘Koning, wij willen graag een jong meisje voor u zoeken. Dan kan zij voor u zorgen. En ze kan bij u in bed liggen, dicht tegen u aan. Dan wordt u wel warm.’

3-4Toen zochten ze overal in Israël naar een mooi meisje. Ze kozen Abisag, uit de stad Sunem. Het was echt een heel mooi meisje. De dienaren brachten haar bij de koning. Het meisje bracht de koning eten en drinken, en ze verzorgde hem. Maar de koning had geen seks met haar.

Adonia wil koning worden

5-6Adonia was een zoon van David en Chaggit, één van Davids vrouwen. Adonia was heel knap om te zien, net als zijn oudere broer Absalom. Adonia voelde zich beter dan zijn broers en zei: ‘Ik word de nieuwe koning!’ En hij kocht wagens en paarden. Ook nam hij vijftig mannen in dienst die hem moesten beschermen. Zijn vader David zou er vast niets van zeggen. Die vroeg nooit waarom hij iets deed.

Adonia probeert steun te krijgen

7Adonia besprak zijn plannen met de priester Abjatar en met legerleider Joab, de zoon van Seruja. Die twee mannen steunden Adonia.

8Maar er waren ook mannen die de plannen van Adonia niet goed vonden. Dat waren de priester Sadok, de profeet Natan, en Benaja, de zoon van Jojada. En verder Simi en Reï, en Davids dapperste soldaten.

9Toen ging Adonia naar de Slangensteen, bij de Rogel-bron. Daar offerde hij geiten, schapen en koeien. Adonia had zijn eigen broers en alle dienaren van de koning uitgenodigd voor het offerfeest. 10Maar de profeet Natan, Benaja en Davids dapperste soldaten had hij niet uitgenodigd. En ook zijn broer Salomo niet.

De profeet Natan geeft Batseba raad

11Toen ging Natan naar Batseba, de moeder van Salomo. Hij zei: ‘Weet u dat Adonia, de zoon van Chaggit, zichzelf koning maakt? En David weet daar niets van! 12Als Adonia koning wordt, wordt het gevaarlijk voor u en uw zoon Salomo!

Alstublieft, laat mij u raad geven! 13Ga naar koning David. Zeg hem dat hij u een belofte gedaan heeft. Hij heeft u toch plechtig beloofd dat uw zoon Salomo de nieuwe koning zal zijn? Dat hij op de troon zal zitten? Vraag hem waarom Adonia dan nu koning wordt. 14Op dat moment zal ik binnenkomen. En dan zal ik verder praten.’

Batseba gaat naar David

15Toen ging Batseba de kamer van de oude koning David binnen. Abisag, het meisje uit Sunem, was bezig hem te verzorgen. 16Batseba knielde voor de koning. De koning vroeg: ‘Wat is er?’

17‘Mijn heer,’ antwoordde ze, ‘u hebt mij plechtig beloofd dat mijn zoon Salomo de nieuwe koning zal zijn. Dat hij na u op de troon zal zitten. 18Maar nu wordt Adonia koning, zonder dat u het weet. 19Adonia heeft een stier geofferd, en veel schapen en geiten. Hij heeft de priester Abjatar en legerleider Joab voor het offerfeest uitgenodigd. Ook heeft hij al uw zonen uitgenodigd. Alleen Salomo niet.

20-21Nu zit iedereen in Israël in spanning. U moet nu zeggen wie de nieuwe koning wordt, voordat u sterft. Anders wordt Adonia de nieuwe koning. En dan wordt het gevaarlijk voor Salomo en mij.’

Natan komt ook bij David

22Op dat moment kwam Natan binnen. 23De dienaren zeiden: ‘Hier is de profeet Natan.’ Natan knielde voor de koning en boog diep voorover.

24-27‘Koning,’ zei Natan, ‘Adonia is vandaag naar de Rogel-bron gegaan. Daar heeft hij een stier geofferd, en veel schapen en geiten. Hij heeft al uw zonen bij het offerfeest uitgenodigd. En ook de officieren van het leger, en de priester Abjatar. Nu zitten ze allemaal bij Adonia te eten en te drinken. Ze roepen: ‘Leve koning Adonia!’ Maar ik ben niet uitgenodigd. En ook Sadok en Benaja en uw zoon Salomo zijn niet uitgenodigd.

Hebt u soms gezegd dat Adonia de nieuwe koning moet worden? En dat hij op uw troon zal zitten? Is dat uw bedoeling? Maar waarom hebt u dat dan niet aan mij verteld?’

David belooft dat Salomo koning wordt

28Toen zei David: ‘Laat Batseba hier komen.’ Batseba kwam bij de koning staan.

29-30De koning zei: ‘Ik heb jou plechtig beloofd dat je zoon Salomo mij zal opvolgen. Dat hij na mij op de troon zal zitten. En vandaag zal ik doen wat ik beloofd heb. Dat is zo zeker als de Heer leeft! De Heer, de God van Israël, die mij steeds geholpen heeft als ik in gevaar was.’

31Toen knielde Batseba voor de koning en boog diep voorover. ‘Koning David,’ zei ze, ‘ik hoop dat u nog lang zult leven.’

David zegt hoe Salomo koning moet worden

32Toen zei koning David: ‘Laat de priester Sadok, de profeet Natan, en Benaja, de zoon van Jojada, hier komen!’

Toen ze er waren, zei David tegen hen: 33‘Breng mijn zoon Salomo naar de Gichon-bron. Laat hem op mijn ezel rijden, en neem de mannen van mijn lijfwacht mee. 34Daar bij die bron moeten Sadok en Natan olie over het hoofd van Salomo gieten. Zo wordt hij officieel de nieuwe koning van Israël. Daarna moeten jullie op de trompet blazen, en roepen: ‘Leve koning Salomo!’ 35Dan gaan jullie terug naar de stad, achter Salomo aan. Als hij hier aankomt, moet hij op mijn troon gaan zitten. Hij moet gaan regeren in mijn plaats. Hij moet koning worden van Israël en Juda.’

36‘Zo moet het gebeuren,’ antwoordde Benaja. ‘Zo wil de Heer, uw God, het ook. 37God heeft u altijd geholpen. Laat hij nu ook Salomo helpen. Ik hoop dat koning Salomo nog machtiger wordt dan u, koning David!’

Salomo wordt officieel koning

38Toen gingen Sadok, Natan, Benaja en de mannen van Davids lijfwacht met Salomo mee. Salomo reed op de ezel van koning David. Zo brachten ze hem naar de Gichon-bron.

39De priester Sadok had een kruikje olie meegenomen uit de heilige tent. Hij goot de olie over Salomo’s hoofd. Zo maakte hij Salomo officieel koning. Er werd op de trompet geblazen, en iedereen riep: ‘Leve koning Salomo!’

40Daarna ging iedereen met Salomo mee terug naar de stad. Ze speelden op fluiten, en ze zongen en juichten van blijdschap. De grond schudde ervan.

Adonia hoort dat Salomo koning is

41Toen Adonia en zijn gasten het lawaai hoorden, waren ze net klaar met eten. Legerleider Joab hoorde dat er op de trompet geblazen werd. Hij zei: ‘Wat is dat voor lawaai in de stad?’

42Op dat moment kwam Jonatan eraan. Hij was een zoon van de priester Abjatar. Adonia zei tegen Jonatan: ‘Kom eens hier, jij. Jou kan ik wel vertrouwen. Jij hebt vast goed nieuws uit de stad!’

43Maar Jonatan zei: ‘Nee, ik heb juist slecht nieuws. Koning David heeft net Salomo koning gemaakt! 44Hij heeft de priester Sadok, de profeet Natan en Benaja, de zoon van Jojada, en de mannen van zijn lijfwacht met Salomo meegestuurd. Ze hebben hem op de ezel van de koning laten rijden. 45Sadok en Natan hebben bij de Gichon-bron olie over zijn hoofd gegoten. Zo hebben ze hem officieel koning gemaakt. Daarna is iedereen feestvierend teruggegaan naar de stad. En nu maken ze steeds meer lawaai. Dat is wat jullie horen.

46Toen Salomo terug was in de stad, is hij op de koninklijke troon gaan zitten. 47Toen zijn de dienaren van koning David naar Salomo toe gegaan. Ze wensten hem geluk en zeiden: ‘Salomo, we hopen dat God u een machtige koning zal maken. Nog machtiger dan uw vader David.’ Toen maakte David een buiging vanaf zijn bed.

48Daarna dankte David de God van Israël. Want de Heer had ervoor gezorgd dat er nu een nieuwe koning was. David zei: ‘Ik ben blij dat ik dat zelf nog mag meemaken.’’

Adonia wordt bang

49Alle gasten van Adonia werden bang toen ze het verhaal van Jonatan hoorden. Ze stonden op en gingen snel naar huis. 50Ook Adonia zelf werd bang. Daarom ging hij naar de heilige tent en pakte het altaar vast. Hij hoopte dat Salomo hem daar geen kwaad zou doen.

51‘Koning,’ zeiden de mensen tegen Salomo, ‘Adonia is bang voor u. Daarom heeft hij het altaar vastgepakt. Hij wil dat u belooft om hem niet te doden.’

52Toen zei Salomo: ‘Zolang Adonia zich goed gedraagt, zal niemand hem iets aandoen. Maar als hij iets verkeerds doet, zal hij sterven.’

53Daarna liet koning Salomo Adonia bij het altaar weghalen. Adonia ging naar Salomo toe en knielde voor hem. En Salomo zei tegen hem: ‘Ga naar huis.’

2

Davids laatste wensen

David laat Salomo bij zich komen

21Toen David ging sterven, riep hij zijn zoon Salomo bij zich. 2‘Salomo,’ zei hij, ‘ik ga binnenkort sterven, zoals alle mensen moeten sterven. Jij moet sterk zijn en laten zien dat je een man bent. 3Doe wat God, de Heer, van je wil. Ga de weg die hij je wijst. Doe wat in zijn wetten en regels staat, zoals Mozes die opgeschreven heeft. Dan zal alles wat je doet, goed gaan. 4En dan zal gebeuren wat de Heer mij beloofd heeft. Hij heeft gezegd: ‘Er zal altijd één van jouw nakomelingen koning van Israël zijn. Maar dan moeten ze mij wel echt trouw zijn, en leven zoals ik het wil.’

Davids laatste opdrachten

5Verder moet je Joab, de zoon van Seruja, straffen. Je weet wat hij mij aangedaan heeft. En wat hij Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jeter, aangedaan heeft. Zij waren de legerleiders van Israël. Joab heeft hen zelf gedood. Hij heeft zijn kleren vuilgemaakt met hun bloed. En het was niet eens oorlog, het was juist een tijd van vrede. 6Wees verstandig: laat hem niet rustig sterven, ook al is hij oud.

7Maar de zonen van Barzillai uit het gebied Gilead moet je goed behandelen. Ontvang hen als gasten in je paleis. Want zij waren ook heel goed voor mij toen ik vluchtte voor je broer Absalom.

8En dan nog iets over Simi, de zoon van Gera, uit het dorp Bachurim in het gebied Benjamin. Toen ik naar de stad Machanaïm ging, heeft Simi de verschrikkelijkste dingen tegen mij geroepen. Maar later is hij bij de rivier de Jordaan naar mij toe gekomen. Ik heb hem toen plechtig beloofd dat ik hem niet zou doden. 9Maar nu moet hij toch gestraft worden. Salomo, jij bent een wijze man. Jij weet wel hoe je dat moet doen. Zorg ervoor dat Simi gedood wordt, ook al is hij oud.’

David sterft en Salomo wordt koning

10Toen stierf David. Hij werd begraven in Jeruzalem, in de oude stad. 11David was veertig jaar koning van Israël geweest. Hij woonde zeven jaar in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem.

12Daarna werd Salomo de nieuwe koning. Ook hij was een machtige koning.

Adonia heeft een vraag aan Batseba

13Toen ging Adonia, de zoon van Chaggit, naar Batseba, de moeder van Salomo. ‘Kom je met goede bedoelingen?’ vroeg Batseba. ‘Ja,’ zei Adonia. 14‘Ik wil u iets vragen.’ ‘Zeg het maar,’ zei Batseba.

15Adonia zei: ‘U weet dat ik eigenlijk koning had moeten zijn. Iedereen in Israël verwachtte dat ik koning zou worden. Maar mijn broer Salomo is koning geworden, omdat God dat zo wilde. 16Nu wil ik u iets vragen. Ik hoop dat u geen nee zegt.’ ‘Vraag het maar,’ zei Batseba.

17Toen zei Adonia: ‘Ik wil graag dat Abisag uit Sunem mijn vrouw wordt. Wilt u dat aan Salomo vragen? Hij zal het u niet weigeren.’ 18‘Goed,’ zei Batseba. ‘Ik zal het aan de koning vragen.’

Batseba gaat naar Salomo

19Batseba ging naar koning Salomo om met hem over Adonia te spreken. De koning kwam naar haar toe en knielde voor haar. Daarna ging hij op zijn troon zitten. Hij liet ook rechts van zich een troon neerzetten. Daar ging Batseba zitten.

20Toen zei Batseba: ‘Ik wil je iets vragen, iets kleins. Zeg alsjeblieft geen nee.’ De koning zei: ‘Vraag het maar, moeder. Ik zal geen nee zeggen.’ 21Toen zei Batseba: ‘Mag Abisag uit Sunem misschien de vrouw worden van je broer Adonia?’

22Salomo antwoordde: ‘Waarom vraagt u of Adonia met Abisag mag trouwen? U kunt beter meteen vragen of hij koning mag zijn. Want hij is ook al ouder dan ik! En door dat aan mij te vragen, steunt u ook nog de priester Abjatar en Joab, de zoon van Seruja.’

23Toen verklaarde Salomo plechtig: ‘Adonia moet sterven omdat hij dit gevraagd heeft. Anders mag God me straffen. 24Want de Heer heeft ervoor gezorgd dat ik koning ben en op de troon van mijn vader David zit. En hij zal ervoor zorgen dat mijn zonen me kunnen opvolgen. Adonia zal vandaag nog gedood worden, dat is zo zeker als de Heer leeft!’

25En koning Salomo gaf Benaja, de zoon van Jojada, opdracht om Adonia te doden.

Salomo stuurt Abjatar weg

26Koning Salomo zei tegen de priester Abjatar: ‘Ga terug naar Anatot, naar je eigen grond. Eigenlijk moet je sterven. Maar ik zal je nu niet doden. Want je hebt de heilige kist van God, de Heer, gedragen voor mijn vader David. En je hebt mijn vader gesteund toen hij het moeilijk had.’

27Zo zorgde Salomo ervoor dat Abjatar geen priester meer was. En zo gebeurde wat de Heer al in Silo gezegd had over Eli en zijn familie.

Joab wordt bang en vlucht

28Joab hoorde wat er met Abjatar gebeurd was, en hij werd bang. Want Joab had Absalom niet gesteund toen Absalom koning wilde worden. Maar nu had hij Adonia wel gesteund. Joab vluchtte naar de heilige tent en pakte daar het altaar vast. Hij hoopte dat de koning hem dan niet zou doden.

29De mensen vertelden aan koning Salomo dat Joab gevlucht was naar de heilige tent, naar het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja daarheen. Hij zei: ‘Ga naar Joab toe en dood hem.’ 30Benaja ging naar de heilige tent en zei tegen Joab: ‘De koning wil dat je naar buiten komt.’ Maar Joab zei: ‘Nee, dat doe ik niet. Ik wil hier sterven.’

Toen ging Benaja terug naar de koning. Hij vertelde hem wat Joab gezegd had.

Salomo laat Joab doden

31Toen zei koning Salomo: ‘Doe wat Joab wil. Dood hem, en begraaf hem ook. Doe dat voor mij en mijn familie. Want Joab heeft onschuldige mensen gedood. 32Daarom straft de Heer hem. Joab heeft met zijn zwaard twee mensen vermoord, zonder dat mijn vader David het wist. Die mensen waren beter en eerlijker dan hij. Joab heeft namelijk Abner, de zoon van Ner, gedood. En hij heeft Amasa, de zoon van Jeter, gedood. Abner was de legerleider van Israël en Amasa was de legerleider van Juda.

33Ik hoop dat de familie van Joab voor altijd gestraft wordt. En ik hoop dat de Heer ervoor zorgt dat er altijd vrede zal zijn voor de familie van David. En ook voor degenen die na hem koning zullen zijn.’

34Toen ging Benaja weer naar Joab toe en hij doodde hem. Joab werd in de woestijn begraven, bij zijn familie. 35En Salomo zorgde ervoor dat Benaja legerleider werd in plaats van Joab. En dat Sadok priester werd in plaats van Abjatar.

Salomo waarschuwt Simi

36Daarna liet koning Salomo Simi bij zich komen. Hij zei tegen hem: ‘Bouw een huis in Jeruzalem, en ga daar wonen. Je moet in de stad blijven, je mag er niet uit. 37Als je toch de stad uit gaat en de rivier de Kidron oversteekt, zul je sterven. Dat zal je straf zijn. Onthoud dat goed.’ 38Simi zei: ‘Koning, ik heb het begrepen. Ik zal doen wat u zegt.’

Salomo laat Simi doden

Zo woonde Simi lange tijd in Jeruzalem. 39Er gingen drie jaren voorbij. Toen vluchtten er twee slaven van Simi naar Achis, de zoon van Maächa. Achis was de koning van de stad Gat.

Simi hoorde dat zijn slaven in Gat waren. 40Toen ging hij met zijn ezel op weg naar Gat. Hij ging bij koning Achis zijn slaven zoeken. Hij vond ze, en haalde ze terug naar Jeruzalem.

41De mensen vertelden aan Salomo dat Simi uit Jeruzalem weggegaan was. Ze vertelden dat hij naar Gat gegaan was, en weer teruggekomen was. 42Toen liet koning Salomo Simi bij zich komen. Hij zei: ‘Ik heb toch tegen je gezegd dat je Jeruzalem niet uit mocht gaan? Dat weet je toch nog wel? Ik zei dat je anders zou sterven. Jij zei dat je het begrepen had. En je beloofde plechtig dat je in de stad zou blijven. 43Waarom heb je dan nu toch niet gedaan wat ik je gezegd heb? En wat je mij plechtig beloofd hebt?’

44Verder zei de koning: ‘Jij weet heel goed wat voor kwaad je vroeger gedaan hebt. En wat je mijn vader David aangedaan hebt. Nu straft de Heer je daarvoor. 45Maar mij zal de Heer zegenen. Want er zal altijd een nakomeling van mijn vader David koning van Israël zijn.’

46Toen gaf de koning aan Benaja de opdracht om Simi te doden. Dat deed Benaja.

Zo werd Salomo een machtige koning.

3

De wijsheid van koning Salomo

Salomo trouwt met een dochter van de farao

31Salomo trouwde met een dochter van de farao, de koning van Egypte. Zo werd hij de schoonzoon van de farao.

Salomo liet zijn vrouw in het oude deel van Jeruzalem wonen, in het paleis van zijn vader David. Daar woonde ze totdat Salomo klaar was met de bouw van zijn eigen paleis, en met de bouw van de tempel en de muur om Jeruzalem heen.

Salomo brengt offers aan God

2-4Salomo hield van de Heer, en hij deed wat zijn vader David hem geleerd had. Maar in die tijd was er in Jeruzalem nog geen tempel om offers te brengen aan de Heer. De mensen offerden op speciale plaatsen buiten Jeruzalem.

Ook Salomo bracht offers op die speciale offerplaatsen. De belangrijkste offerplaats was in de stad Gibeon.

Op een keer ging Salomo naar Gibeon om te offeren. Hij offerde daar wel duizend dieren aan de Heer.

Salomo vraagt God om wijsheid

5Die nacht in Gibeon droomde Salomo dat de Heer bij hem kwam. God zei tegen hem: ‘Je mag mij vragen wat je wilt. Ik zal het je geven.’

6Salomo antwoordde: ‘Mijn vader David was trouw aan u, en hij was eerlijk en rechtvaardig. Daarom was u heel goed voor hem. Zo goed dat u hem een zoon gaf die hem kon opvolgen. 7Want u hebt mij koning gemaakt in plaats van mijn vader David.

Maar ik ben nog jong, ik heb nog niet zo veel meegemaakt in het leven. 8En nu ben ik de leider van het volk dat u uitgekozen hebt. Een volk zo groot, dat je het niet kunt tellen. 9Daarom vraag ik u dit: Leer mij om goed te luisteren. En leer mij om het verschil tussen goed en kwaad te zien. Dan kan ik uw volk leiden. Want hoe moet ik anders dit grote volk leiden?’

God geeft Salomo wijsheid

10De Heer vond dat Salomo goede dingen vroeg. 11Hij zei tegen Salomo: ‘Ik vind het bijzonder dat je dit vraagt. Dat je niet vraagt om een lang leven, of om veel bezit, of om de dood van je vijanden. Nee, je hebt gevraagd om wijsheid, zodat je goed kunt luisteren en het volk kunt leiden.

12Daarom zal ik je geven wat je gevraagd hebt. Ik zal ervoor zorgen dat je wijsheid en inzicht krijgt. Zo wijs als jij zult zijn, is nog nooit iemand geweest. En zo wijs zal ook nooit meer iemand zijn.

13Maar ik geef je ook wat je niet gevraagd hebt. Ik geef je ook veel bezit, en ik zorg ervoor dat iedereen respect voor je krijgt. Zolang je leeft, zal er niet één koning zo rijk en machtig zijn als jij. 14En ik zal ervoor zorgen dat je lang leeft. Maar dan moet je wel leven zoals ik het wil, en mijn wetten en regels volgen. Net zoals je vader David gedaan heeft.’

Salomo dankt God

15Toen werd Salomo wakker. Hij begreep dat hij gedroomd had. Hij ging terug naar Jeruzalem. Daar ging hij naar de heilige kist met de wet van de Heer. Hij bracht er offers, en gaf er een feest voor zijn dienaren.

Twee vrouwen komen bij Salomo

16Op een dag kwamen er twee vrouwen bij koning Salomo. Het waren hoeren. Ze gingen voor de koning staan.

17De ene vrouw zei: ‘Koning, luister alstublieft. Deze vrouw en ik wonen in één huis. Ik heb pas een kind gekregen, een jongetje. Zij was erbij. 18Twee dagen later kreeg zij ook een kind, ook een jongetje. We waren alleen in huis, er waren verder geen andere mensen. 19Maar ’s nachts is zij in haar slaap boven op haar kind gaan liggen. Daardoor is haar kind gestorven.

20Toen is zij midden in de nacht opgestaan en naar mij toe gegaan. Ik lag te slapen. Ze heeft toen mijn kind weggehaald en het bij haar in bed gelegd. Het dode kind legde ze bij mij neer.

21Toen ik ’s ochtends wakker werd en mijn kind de borst wilde geven, zag ik dat het dood was. Maar toen ik nog eens goed keek, zag ik dat het niet mijn eigen kind was.’

22‘Dat is niet waar!’ riep de andere vrouw. ‘Het levende kind is van mij. Het dode kind is van jou!’ De eerste vrouw zei: ‘Nee, het dode kind is jouw zoon. Het levende kind is van mij!’

Zo maakten ze ruzie bij de koning.

Salomo geeft een wijs oordeel

23Koning Salomo zei: ‘Jullie zeggen dus allebei dat het levende kind van jezelf is, en het dode kind van de ander.’ 24Toen zei hij: ‘Haal een zwaard.’ Zijn dienaren brachten een zwaard. 25De koning zei: ‘Hak het levende jongetje in twee stukken. Geef de ene helft aan de ene vrouw, en geef de andere helft aan de andere vrouw.’

26De moeder van het levende kind schrok vreselijk en riep: ‘Alstublieft koning, maak het kind niet dood! Geef het dan maar aan haar!’ Maar de andere vrouw zei: ‘Ja, hak het kind maar in twee stukken. Dan krijgen we het geen van beiden.’

27Toen zei de koning: ‘Maak het kind niet dood, maar geef het aan de vrouw die het kind wil laten leven. Want zij is de echte moeder.’

28Alle Israëlieten hoorden wat koning Salomo besloten had. Ze kregen veel respect voor hem. En ze begrepen dat God hem de wijsheid gegeven had om goede beslissingen te nemen.