Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Vlees dat aan afgoden geofferd is

Liefde is belangrijker dan kennis

81Jullie zeggen: ‘Christenen kunnen gerust vlees eten dat aan afgoden geofferd is. Want christenen weten dat afgoden helemaal niets voorstellen.’ Jullie hebben gelijk, maar die kennis heeft jullie trots gemaakt. En daardoor zijn jullie het belangrijkste vergeten: je moet anderen steunen door hen lief te hebben.

2Vinden sommigen van jullie dat ze veel weten? Dan zeg ik: Jullie hebben geen echte kennis! 3Alleen God heeft echte kennis. Want hij weet precies wie de mensen zijn die van hem houden.

Voedsel is voor God niet belangrijk

4-5Natuurlijk weten wij als christenen dat er in de hele wereld maar één God is. Andere mensen denken dat er in de hemel en op aarde heel veel goden zijn. Maar wij weten dat die goden helemaal niets voorstellen. 6Wij kennen maar één God. Hij is onze Vader. Hij heeft alles gemaakt, en wij bestaan om hem te dienen. Wij kennen ook maar één Heer, namelijk Jezus Christus. Alles bestaat dankzij hem, en ook wij bestaan dankzij hem.

7Maar sommige christenen hebben die kennis nog niet. Hun geloof is nog zwak. Want ze zijn nog maar net gestopt met het vereren van afgoden. Ze denken: Als ik vlees eet, dan vereer ik de goden aan wie dat vlees geofferd is. En dan wordt God boos op mij.

8Maar voedsel is voor God niet belangrijk. Hij vindt je geen slechtere christen als je iets niet durft te eten. En hij vindt je ook geen betere christen als je wel alles durft te eten.

Maak het anderen niet moeilijk

9Jullie mogen inderdaad vlees eten dat aan afgoden geofferd is. Maar maak het christenen met een zwak geloof niet moeilijk!

10Stel dat je weet dat afgoden geen enkele macht hebben. En je gaat naar een tempel, en daar eet je vlees dat aan afgoden geofferd is. En stel dat daar ook een christen is met een zwak geloof. Dan is de kans groot dat hij met jou meedoet, en ook dat vlees eet. 11Maar daardoor verliest hij misschien zijn geloof. En zo breng jij dan zijn redding in gevaar. Maar Christus is ook voor hem gestorven! 12Iedereen die zich slecht gedraagt tegenover een christen met een zwak geloof, gedraagt zich slecht tegenover Christus.

13Stel dat ik het geloof van een ander in gevaar zou brengen door het vlees dat ik eet. Weten jullie wat ik dan zou doen? Dan zou ik helemaal nooit meer vlees eten!

9

Paulus als voorbeeld

Paulus’ rechten als apostel

91Natuurlijk heb ik de vrijheid om te doen wat ik wil. Ik ben een apostel! Onze Heer Jezus zelf heeft mij de opdracht gegeven om het goede nieuws te vertellen. En door mijn werk zijn jullie gaan geloven. 2Ik heb niet overal het goede nieuws van God verteld. Maar wel bij jullie. En doordat jullie geloven, bewijzen jullie dat ik een apostel ben.

3Sommigen van jullie vinden mij geen echte apostel. Want ik werk anders dan andere apostelen. Ik zal jullie vertellen waarom ik het zo doe.

4-6Apostelen hebben het recht om hun vrouw mee te nemen op hun reizen. Petrus en de broers van onze Heer Jezus hebben dat recht. En ik heb dat recht natuurlijk ook!

Verder hoeven apostelen niet te werken voor hun eigen eten. Ze hebben het recht om van andere christenen eten en drinken te krijgen. Barnabas en ik hebben dat recht natuurlijk ook!

Paulus heeft recht op eten en drinken

7Trouwens, ook een soldaat hoeft niet voor zijn eigen eten te zorgen. Iemand die een wijngaard aanlegt, mag zelf van de druiven eten. En een herder heeft het recht om de melk van zijn schapen te drinken.

8Dat zijn zomaar een paar voorbeelden uit het dagelijks leven. Maar ook in de wet vinden we zulke regels. 9-10In de wet van Mozes staat: «Als je bij de graanoogst een koe gebruikt, mag je de bek van de koe niet dichtbinden.» Die regel geldt niet alleen voor dieren, maar ook voor mensen. God wil dat mensen die op het land werken, een deel van de oogst krijgen.

11Die regel geldt ook voor mij. Ik heb bij jullie gezaaid: ik heb jullie namelijk verteld hoe je de hemelse rijkdom kunt krijgen. Dan mag ik ook oogsten: ik heb recht op een deel van jullie aardse rijkdom.

Paulus zorgt voor zijn eigen eten

12-14Jullie weten dat priesters in de tempel mogen eten van het voedsel dat aan God geofferd wordt. Ook de mensen die het goede nieuws vertellen, hebben het recht om van de christenen eten en drinken te krijgen. Dat is een regel van de Heer Jezus zelf!

Andere apostelen hebben zich door jullie laten verzorgen. Daar hadden ze recht op. En ik had daar nog veel meer recht op dan zij! Maar ik heb niets van jullie aangenomen. Ik heb het moeilijk, maar dat vind ik niet erg. Want ik wil maar één ding: het goede nieuws over Christus vertellen zonder er iets voor te vragen.

Paulus vraagt geen geld

15Ik heb nooit iets van jullie aangenomen. En dat schrijf ik niet omdat ik nu toch nog geld van jullie wil krijgen. Nee, dan ga ik nog liever dood van de honger! Ik ben er juist trots op dat ik me niet laat betalen voor mijn werk als apostel.

16Ik wil er niet over opscheppen dat ik als apostel het goede nieuws vertel. Want ik moet dat doen, in opdracht van God. En hij zou mij zwaar straffen als ik het niet zou doen.

17Ik moet dus mijn werk doen, of ik het nu leuk vind of niet. Maar ik doe het graag. En ik krijg loon! 18Mijn loon is dat ik vol trots kan zeggen: Ik vertel het goede nieuws zonder er iets voor terug te krijgen. De christenen hoeven mij niet het geld of het eten te geven waar ik recht op heb.

Paulus past zich aan

19Omdat ik van niemand geld aanneem, ben ik helemaal vrij. Maar ik gebruik die vrijheid om me aan te passen aan alle mensen met wie ik omga. Zo wil ik zo veel mogelijk mensen voor het geloof winnen.

20Als ik bij Joden ben, gedraag ik me als een Jood. Dat doe ik om hen voor het geloof te winnen. Mijn leven wordt niet beheerst door de Joodse wet. Toch gedraag ik me bij mensen die leven volgens de Joodse wet, als iemand die ook leeft volgens die wet. Dat doe ik om hen voor het geloof te winnen.

21Bij mensen die niet leven volgens de Joodse wet, gedraag ik me als iemand die ook niet leeft volgens die wet. Dat doe ik om ook die mensen voor het geloof te winnen. Maar ik leef natuurlijk wel volgens de wet van Christus, en ik doe precies wat God van mij vraagt.

22Bij christenen met een zwak geloof gedraag ik me als iemand die ook een zwak geloof heeft. Zo zorg ik ervoor dat ze vasthouden aan hun geloof.

Ik pas me dus altijd aan, aan alle mensen met wie ik omga. En dan zijn er altijd wel een paar die gered zullen worden, omdat ze gaan geloven. 23Zo doe ik mijn best om aan iedereen het goede nieuws te vertellen. En ik hoop dat ik ook zelf in Gods nieuwe wereld kom.

De prijs is het eeuwige leven

24-25Je kunt christenen vergelijken met hardlopers die meedoen aan een wedstrijd. Net zoals hardlopers moeten wij veel opgeven in ons leven. En net zoals hardlopers hebben ook wij er alles voor over om de eerste prijs te winnen. Maar wij willen geen gewone prijs. Voor ons is de prijs het eeuwige leven.

26Ook ik probeer die prijs te winnen. Ik weet precies wat ik wil. 27En daarom ben ik streng voor mezelf, en verdraag ik alles wat me overkomt. Want ik wil niet alleen dat anderen door mijn werk het eeuwige leven krijgen. Nee, ik wil ook zelf het eeuwige leven krijgen!

10

Leven tot eer van God

De Israëlieten in de woestijn

101Vrienden, het is belangrijk dat ik jullie vertel over de Israëlieten in de woestijn, onze voorouders. Ooit werden de Israëlieten allemaal beschermd door een wolk die boven hen hing. En allemaal liepen ze veilig over een pad door de zee. 2Het was alsof ze toen allemaal gedoopt werden, in de naam van Mozes.

3Alle Israëlieten aten hetzelfde brood uit de hemel. Dat kregen ze van God. 4En allemaal dronken ze hetzelfde water. Dat kregen ze ook van God. Dat water stroomde uit een bijzondere rots. En overal waar de Israëlieten kwamen, was die rots er ook. Het was alsof die rots Christus zelf was.

5Toch is het duidelijk dat God over de meeste Israëlieten niet tevreden was. Want hij liet hen sterven in de woestijn.

Een waarschuwing voor ons

6Wat er met de Israëlieten gebeurde in de woestijn, is een waarschuwing voor ons. Wij moeten geen slechte dingen willen doen, zoals zij.

7We moeten dus geen afgoden vereren, zoals sommige Israëlieten deden. Want over hen staat in de heilige boeken: «Ze gingen eten en drinken, en ze dansten om het beeld van de stier heen.»

8We moeten ook nooit verboden seks hebben, zoals sommige Israëlieten hadden. Het gevolg was dat er op één dag 23.000 Israëlieten gedood werden. 9Ook moeten we nooit twijfelen aan de macht van Christus. Sommige Israëlieten twijfelden aan de macht van God. Daarom werden zij gebeten door slangen en stierven ze. 10En we moeten ook nooit klagen tegen God. Sommige Israëlieten klaagden, en daarom kwam er een engel die hen vernietigde.

11Wij leven nu in Gods nieuwe tijd. Voor ons zijn die verhalen over de Israëlieten een waarschuwing. 12Als je vindt dat je een sterk geloof hebt, moet je oppassen dat je geen verkeerde dingen doet.

13Satan zal zeker proberen jullie te laten zondigen, net zoals hij dat bij alle mensen probeert. Maar God is trouw. Hij zal jullie altijd helpen. En hij zal ervoor zorgen dat jullie het kunnen volhouden, en dat jullie geen verkeerde keuzes maken.

Vereer geen andere goden

14Dus, beste vrienden, vereer beslist geen afgoden! 15Jullie zijn toch verstandige mensen? Dan zullen jullie mij zeker gelijk geven en doen wat ik zeg.

16Als wij als christenen bij elkaar komen, danken we God voor de beker met wijn. En we delen samen het brood. Zo vormen we een eenheid met elkaar. Het is een eenheid van mensen die bij Christus horen, en gered worden dankzij zijn dood. 17Samen vormen we één geheel, omdat we samen van dat brood eten.

18Denk eens aan wat de Joden doen. Als zij een dier offeren aan de Heer, eten ze met elkaar van het vlees. Dan vormen ze een eenheid van mensen die God vereren.

Maak God niet jaloers

19Jullie vragen misschien: ‘Wat heeft dat te maken met het vereren van andere goden?’ Luister! Natuurlijk maakt het niet uit als vlees aan afgoden geofferd is. Want die goden stellen helemaal niets voor. 20Maar als mensen vlees offeren aan afgoden, dan vereren ze daarmee die afgoden en niet God. En ik wil niet dat jullie een eenheid vormen met mensen die afgoden vereren.

21Door samen te eten en te drinken, eren jullie de Heer. Maar dan kun je niet meer meedoen met een maaltijd die bedoeld is om een afgod te vereren. 22Als jullie dat doen, maken jullie God jaloers en kwaad. En vergeet niet dat God sterker is dan wij!

Denk ook aan anderen

23Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar niet alles is goed. Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar alleen als je daarmee ook de anderen helpt. 24Jullie moeten niet alleen aan jezelf denken, maar ook aan anderen.

25Jullie mogen gerust al het vlees eten dat op de markt verkocht wordt. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar dat vlees precies vandaan komt. 26Want in de heilige boeken staat: «Van de Heer is de aarde en alles wat er leeft.»

27Stel dat een ongelovige jullie uitnodigt voor een maaltijd. Dan mogen jullie gerust alles eten wat er op tafel staat. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar het vlees precies vandaan komt.

28-30Maar stel dat iemand aan tafel tegen jullie zegt: ‘Dit vlees is aan onze goden geofferd.’ Dan moeten jullie het niet eten. Het probleem is niet wat jullie van dat vlees vinden. Nee, het probleem is wat die persoon ervan vindt. Hij vindt het verkeerd dat jullie vlees eten dat aan zijn goden geofferd is. Daarom waarschuwt hij jullie.

Stel dat jullie dat vlees dan toch eten, en God ervoor danken. Dan zal die ander denken: Die christenen doen wat ze zelf willen, ze trekken zich van niemand iets aan. En dan zal hij slechte dingen gaan vertellen over jullie en over God.

Doe alles tot eer van God

31Als jullie eten of drinken of andere dingen doen, doe dat dan steeds tot eer van God. 32Gedraag je zo dat de Joden en de ongelovigen respect kunnen hebben voor ons geloof. En breng het geloof van andere christenen nooit in gevaar.

33Zo leef ik ook. Ik houd altijd rekening met andere mensen. Ik denk nooit aan wat goed is voor mezelf, maar altijd aan wat goed is voor anderen. Want ik wil dat er zo veel mogelijk mensen gered worden.