Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

Paulus als voorbeeld

Paulus’ rechten als apostel

91Natuurlijk heb ik de vrijheid om te doen wat ik wil. Ik ben een apostel! Onze Heer Jezus zelf heeft mij de opdracht gegeven om het goede nieuws te vertellen. En door mijn werk zijn jullie gaan geloven. 2Ik heb niet overal het goede nieuws van God verteld. Maar wel bij jullie. En doordat jullie geloven, bewijzen jullie dat ik een apostel ben.

3Sommigen van jullie vinden mij geen echte apostel. Want ik werk anders dan andere apostelen. Ik zal jullie vertellen waarom ik het zo doe.

4-6Apostelen hebben het recht om hun vrouw mee te nemen op hun reizen. Petrus en de broers van onze Heer Jezus hebben dat recht. En ik heb dat recht natuurlijk ook!

Verder hoeven apostelen niet te werken voor hun eigen eten. Ze hebben het recht om van andere christenen eten en drinken te krijgen. Barnabas en ik hebben dat recht natuurlijk ook!

Paulus heeft recht op eten en drinken

7Trouwens, ook een soldaat hoeft niet voor zijn eigen eten te zorgen. Iemand die een wijngaard aanlegt, mag zelf van de druiven eten. En een herder heeft het recht om de melk van zijn schapen te drinken.

8Dat zijn zomaar een paar voorbeelden uit het dagelijks leven. Maar ook in de wet vinden we zulke regels. 9-10In de wet van Mozes staat: «Als je bij de graanoogst een koe gebruikt, mag je de bek van de koe niet dichtbinden.» Die regel geldt niet alleen voor dieren, maar ook voor mensen. God wil dat mensen die op het land werken, een deel van de oogst krijgen.

11Die regel geldt ook voor mij. Ik heb bij jullie gezaaid: ik heb jullie namelijk verteld hoe je de hemelse rijkdom kunt krijgen. Dan mag ik ook oogsten: ik heb recht op een deel van jullie aardse rijkdom.

Paulus zorgt voor zijn eigen eten

12-14Jullie weten dat priesters in de tempel mogen eten van het voedsel dat aan God geofferd wordt. Ook de mensen die het goede nieuws vertellen, hebben het recht om van de christenen eten en drinken te krijgen. Dat is een regel van de Heer Jezus zelf!

Andere apostelen hebben zich door jullie laten verzorgen. Daar hadden ze recht op. En ik had daar nog veel meer recht op dan zij! Maar ik heb niets van jullie aangenomen. Ik heb het moeilijk, maar dat vind ik niet erg. Want ik wil maar één ding: het goede nieuws over Christus vertellen zonder er iets voor te vragen.

Paulus vraagt geen geld

15Ik heb nooit iets van jullie aangenomen. En dat schrijf ik niet omdat ik nu toch nog geld van jullie wil krijgen. Nee, dan ga ik nog liever dood van de honger! Ik ben er juist trots op dat ik me niet laat betalen voor mijn werk als apostel.

16Ik wil er niet over opscheppen dat ik als apostel het goede nieuws vertel. Want ik moet dat doen, in opdracht van God. En hij zou mij zwaar straffen als ik het niet zou doen.

17Ik moet dus mijn werk doen, of ik het nu leuk vind of niet. Maar ik doe het graag. En ik krijg loon! 18Mijn loon is dat ik vol trots kan zeggen: Ik vertel het goede nieuws zonder er iets voor terug te krijgen. De christenen hoeven mij niet het geld of het eten te geven waar ik recht op heb.

Paulus past zich aan

19Omdat ik van niemand geld aanneem, ben ik helemaal vrij. Maar ik gebruik die vrijheid om me aan te passen aan alle mensen met wie ik omga. Zo wil ik zo veel mogelijk mensen voor het geloof winnen.

20Als ik bij Joden ben, gedraag ik me als een Jood. Dat doe ik om hen voor het geloof te winnen. Mijn leven wordt niet beheerst door de Joodse wet. Toch gedraag ik me bij mensen die leven volgens de Joodse wet, als iemand die ook leeft volgens die wet. Dat doe ik om hen voor het geloof te winnen.

21Bij mensen die niet leven volgens de Joodse wet, gedraag ik me als iemand die ook niet leeft volgens die wet. Dat doe ik om ook die mensen voor het geloof te winnen. Maar ik leef natuurlijk wel volgens de wet van Christus, en ik doe precies wat God van mij vraagt.

22Bij christenen met een zwak geloof gedraag ik me als iemand die ook een zwak geloof heeft. Zo zorg ik ervoor dat ze vasthouden aan hun geloof.

Ik pas me dus altijd aan, aan alle mensen met wie ik omga. En dan zijn er altijd wel een paar die gered zullen worden, omdat ze gaan geloven. 23Zo doe ik mijn best om aan iedereen het goede nieuws te vertellen. En ik hoop dat ik ook zelf in Gods nieuwe wereld kom.

De prijs is het eeuwige leven

24-25Je kunt christenen vergelijken met hardlopers die meedoen aan een wedstrijd. Net zoals hardlopers moeten wij veel opgeven in ons leven. En net zoals hardlopers hebben ook wij er alles voor over om de eerste prijs te winnen. Maar wij willen geen gewone prijs. Voor ons is de prijs het eeuwige leven.

26Ook ik probeer die prijs te winnen. Ik weet precies wat ik wil. 27En daarom ben ik streng voor mezelf, en verdraag ik alles wat me overkomt. Want ik wil niet alleen dat anderen door mijn werk het eeuwige leven krijgen. Nee, ik wil ook zelf het eeuwige leven krijgen!

10

Leven tot eer van God

De Israëlieten in de woestijn

101Vrienden, het is belangrijk dat ik jullie vertel over de Israëlieten in de woestijn, onze voorouders. Ooit werden de Israëlieten allemaal beschermd door een wolk die boven hen hing. En allemaal liepen ze veilig over een pad door de zee. 2Het was alsof ze toen allemaal gedoopt werden, in de naam van Mozes.

3Alle Israëlieten aten hetzelfde brood uit de hemel. Dat kregen ze van God. 4En allemaal dronken ze hetzelfde water. Dat kregen ze ook van God. Dat water stroomde uit een bijzondere rots. En overal waar de Israëlieten kwamen, was die rots er ook. Het was alsof die rots Christus zelf was.

5Toch is het duidelijk dat God over de meeste Israëlieten niet tevreden was. Want hij liet hen sterven in de woestijn.

Een waarschuwing voor ons

6Wat er met de Israëlieten gebeurde in de woestijn, is een waarschuwing voor ons. Wij moeten geen slechte dingen willen doen, zoals zij.

7We moeten dus geen afgoden vereren, zoals sommige Israëlieten deden. Want over hen staat in de heilige boeken: «Ze gingen eten en drinken, en ze dansten om het beeld van de stier heen.»

8We moeten ook nooit verboden seks hebben, zoals sommige Israëlieten hadden. Het gevolg was dat er op één dag 23.000 Israëlieten gedood werden. 9Ook moeten we nooit twijfelen aan de macht van Christus. Sommige Israëlieten twijfelden aan de macht van God. Daarom werden zij gebeten door slangen en stierven ze. 10En we moeten ook nooit klagen tegen God. Sommige Israëlieten klaagden, en daarom kwam er een engel die hen vernietigde.

11Wij leven nu in Gods nieuwe tijd. Voor ons zijn die verhalen over de Israëlieten een waarschuwing. 12Als je vindt dat je een sterk geloof hebt, moet je oppassen dat je geen verkeerde dingen doet.

13Satan zal zeker proberen jullie te laten zondigen, net zoals hij dat bij alle mensen probeert. Maar God is trouw. Hij zal jullie altijd helpen. En hij zal ervoor zorgen dat jullie het kunnen volhouden, en dat jullie geen verkeerde keuzes maken.

Vereer geen andere goden

14Dus, beste vrienden, vereer beslist geen afgoden! 15Jullie zijn toch verstandige mensen? Dan zullen jullie mij zeker gelijk geven en doen wat ik zeg.

16Als wij als christenen bij elkaar komen, danken we God voor de beker met wijn. En we delen samen het brood. Zo vormen we een eenheid met elkaar. Het is een eenheid van mensen die bij Christus horen, en gered worden dankzij zijn dood. 17Samen vormen we één geheel, omdat we samen van dat brood eten.

18Denk eens aan wat de Joden doen. Als zij een dier offeren aan de Heer, eten ze met elkaar van het vlees. Dan vormen ze een eenheid van mensen die God vereren.

Maak God niet jaloers

19Jullie vragen misschien: ‘Wat heeft dat te maken met het vereren van andere goden?’ Luister! Natuurlijk maakt het niet uit als vlees aan afgoden geofferd is. Want die goden stellen helemaal niets voor. 20Maar als mensen vlees offeren aan afgoden, dan vereren ze daarmee die afgoden en niet God. En ik wil niet dat jullie een eenheid vormen met mensen die afgoden vereren.

21Door samen te eten en te drinken, eren jullie de Heer. Maar dan kun je niet meer meedoen met een maaltijd die bedoeld is om een afgod te vereren. 22Als jullie dat doen, maken jullie God jaloers en kwaad. En vergeet niet dat God sterker is dan wij!

Denk ook aan anderen

23Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar niet alles is goed. Jullie zeggen: ‘Wij mogen doen wat we willen.’ Maar ik zeg: Ja, maar alleen als je daarmee ook de anderen helpt. 24Jullie moeten niet alleen aan jezelf denken, maar ook aan anderen.

25Jullie mogen gerust al het vlees eten dat op de markt verkocht wordt. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar dat vlees precies vandaan komt. 26Want in de heilige boeken staat: «Van de Heer is de aarde en alles wat er leeft.»

27Stel dat een ongelovige jullie uitnodigt voor een maaltijd. Dan mogen jullie gerust alles eten wat er op tafel staat. Je hoeft je niet bezorgd af te vragen waar het vlees precies vandaan komt.

28-30Maar stel dat iemand aan tafel tegen jullie zegt: ‘Dit vlees is aan onze goden geofferd.’ Dan moeten jullie het niet eten. Het probleem is niet wat jullie van dat vlees vinden. Nee, het probleem is wat die persoon ervan vindt. Hij vindt het verkeerd dat jullie vlees eten dat aan zijn goden geofferd is. Daarom waarschuwt hij jullie.

Stel dat jullie dat vlees dan toch eten, en God ervoor danken. Dan zal die ander denken: Die christenen doen wat ze zelf willen, ze trekken zich van niemand iets aan. En dan zal hij slechte dingen gaan vertellen over jullie en over God.

Doe alles tot eer van God

31Als jullie eten of drinken of andere dingen doen, doe dat dan steeds tot eer van God. 32Gedraag je zo dat de Joden en de ongelovigen respect kunnen hebben voor ons geloof. En breng het geloof van andere christenen nooit in gevaar.

33Zo leef ik ook. Ik houd altijd rekening met andere mensen. Ik denk nooit aan wat goed is voor mezelf, maar altijd aan wat goed is voor anderen. Want ik wil dat er zo veel mogelijk mensen gered worden.

11

111Leef net zoals ik! Want ik leef net zoals Christus.

Regels voor goed gedrag

Gedraag je zoals het hoort

2Ik vind het heel goed dat jullie altijd aan mijn woorden denken. En dat jullie je gedragen zoals ik het jullie geleerd heb. 3Maar nu wil ik jullie nog iets duidelijk maken: zoals Christus leeft tot eer van God, zo moet een man leven tot eer van Christus, en een vrouw tot eer van haar man.

4Als een man in de kerk hardop bidt of een boodschap van God vertelt, dan mag hij niets op zijn hoofd hebben. Want anders gedraagt hij zich niet zoals het hoort, en zo beledigt hij Christus. 5Maar luister! Als een vrouw in de kerk hardop bidt of een boodschap van God vertelt, moet zij juist wel iets op haar hoofd hebben. Anders gedraagt ze zich niet zoals het hoort, en zo beledigt ze haar man. Dat is net zo erg als een vrouw die zich helemaal kaal laat scheren!

6Het is een grote schande als vrouwen hun haar helemaal laten afscheren. Maar het is net zo erg als een vrouw spreekt zonder iets op haar hoofd te hebben. Een vrouw die hardop bidt of een boodschap van God vertelt, moet iets op haar hoofd hebben!

Een vrouw leeft tot eer van haar man

7Als een man spreekt, mag hij niets op zijn hoofd hebben. Want een man lijkt op God. En alles wat hij doet, moet tot eer van God zijn. Maar een vrouw moet juist alles doen tot eer van haar man. 8Want God heeft de vrouw gemaakt van een rib van de man, niet andersom. 9En God maakte de vrouw voor de man, niet andersom.

10Als vrouwen spreken in de kerk, moeten ze ervoor zorgen dat hun haar bedekt blijft. Want de engelen kijken toe!

Bidden met bedekt hoofd

11Christenen mogen zich niet gedragen alsof er geen verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. 12Want God heeft mannen en vrouwen hun eigen plek gegeven. De vrouw is gemaakt van een rib van de man, en een man komt uit de buik van een vrouw. En al het leven komt van God.

13Wat vinden jullie trouwens zelf? Vinden jullie het netjes als een vrouw haar hoofd niet bedekt als ze hardop bidt? Nee toch?

14Jullie weten dat het niet normaal is als een man lang haar heeft. Niemand heeft respect voor een man met lang haar. 15Maar voor een vrouw is het juist normaal om lang haar te hebben. Zo heeft iedereen respect voor haar. God heeft vrouwen dat lange haar gegeven om daarmee hun hoofd te bedekken. En daarom moeten vrouwen die spreken in de kerk, zelf ook iets op hun hoofd doen.

16Misschien vinden sommigen van jullie dat allemaal onzin. Maar die mensen zijn dan wel erg eigenwijs. Want overal hebben vrouwen iets op hun hoofd als ze spreken in de kerk. Dat is de gewoonte hier bij mij en bij alle andere christenen.

Bij elkaar komen tot eer van de Heer

17Er is nog iets dat ik wil zeggen. Als jullie in de kerk bij elkaar komen, gedragen jullie je helemaal verkeerd. Daardoor zou het wel eens slecht met jullie kunnen aflopen.

18Als jullie bij elkaar komen, doet iedereen waar hij zelf zin in heeft. Jullie vormen dan geen eenheid. Dat is tenminste wat ik over jullie gehoord heb, en dat zal zeker voor een deel waar zijn. 19Verschillen tussen jullie zullen er natuurlijk altijd zijn. Die verschillen zijn er om te zien wie van jullie echte christenen zijn.

20Als jullie bij elkaar komen, dan eten jullie met elkaar. Maar dat is beslist geen maaltijd tot eer van de Heer! 21Want jullie zorgen er eerst voor dat je zelf genoeg te eten en te drinken hebt. Maar dan blijft er niets over voor anderen. Dus als de één al dronken is, heeft de ander nog steeds honger.

22Wat moet ik daarvan zeggen? Dat jullie uitstekende christenen zijn? Nee, natuurlijk niet! Als iemand zich vol wil eten en drinken, moet hij dat thuis maar doen! Hebben jullie dan geen enkel respect voor andere christenen? Hoe durven jullie anderen die niets te eten hebben, zo te behandelen?

De paasmaaltijd van Jezus

23Ik heb jullie al eens verteld over de nacht waarin onze Heer Jezus Christus gevangen werd genomen. Ik heb het van de Heer zelf gehoord.

’s Avonds bij de maaltijd pakte Jezus een brood. 24Hij dankte God, en hij brak het brood in stukken. En hij zei tegen zijn leerlingen: ‘Kijk, dit is mijn lichaam. Ik zal sterven voor jullie. Herhaal deze maaltijd steeds opnieuw om aan mij te blijven denken.’

25Na het eten pakte Jezus een beker wijn. Hij zei: ‘Mijn bloed zal vloeien. Maar daardoor zullen jullie gered worden. Dat heeft God beloofd. Deze beker is daarvan het teken. Drink steeds opnieuw uit deze beker om aan mij te blijven denken.’

26Dat is dus de manier waarop jullie met elkaar brood moeten eten en wijn moeten drinken. Want daarmee laten jullie zien dat de Heer voor ons gestorven is. En dat moeten jullie blijven doen totdat de Heer terugkomt.

Samen eten met respect voor elkaar

27Als je eet van het brood en drinkt uit de beker, doe dat dan met respect voor de andere gelovigen. Anders is de maaltijd niet tot eer van de Heer. En dan maak je alles wat de Heer voor ons gedaan heeft, belachelijk.

28Kijk dus eerst kritisch naar jezelf! Ga pas daarna samen met anderen de maaltijd vieren tot eer van de Heer. 29Want mensen die tijdens de maaltijd geen enkel respect voor andere gelovigen hebben, worden door God gestraft. 30Daarom zijn er bij jullie zo veel mensen ziek en zwak. Er zijn bij jullie zelfs al veel mensen gestorven!

31Als wij kritisch naar onszelf zouden kijken, zou de Heer ons niet hoeven te straffen. 32Maar als de Heer ons straft, is dat om ons iets te leren. Hij wil dat we beter gaan leven. Want hij wil niet dat christenen later dezelfde straf zullen krijgen als de mensen van deze wereld.

33Vrienden, als jullie bij elkaar komen om samen te eten, wacht dan op elkaar! 34Als je niet wilt wachten, omdat je honger hebt, kun je beter thuis eten. Anders maken jullie de christelijke maaltijd belachelijk, en dan zal God jullie straffen.

Verder zijn er nog een paar andere dingen die jullie moeten doen. Maar die zal ik vertellen als ik bij jullie ben.