Luther en de Bijbel

Telkens als een lutherse kerk verkondigt dat de Bijbel, het Woord van God, ‘onfeilbaar’ is, lopen koude rillingen langs mijn rug. Alarmbellen gaan rinkelen, want ‘onfeilbaar’ betekent dan meestal: foutloos, letterlijk te nemen, geen discussie mogelijk. Is dat werkelijk hoe Luther over de Heilige Schrift dacht? 

Menig Facebookbericht bloklettert: THE BIBE SAYS IT, I BELIEVE IT, THAT SETTLES IT!
(De Bijbel zegt het, ik geloof het, daarmee uit!). Ik walg van zulke simplistische stellingen.

Sola Scriptura

Voor Luther had de Bijbel inderdaad slechts één betekenis: de eenvoudige, vanzelfsprekende, voor zich sprekende betekenis, zoals die in het gangbare taalidioom werd gebruikt. Echter, ook bij hem bleef beeldspraak uiteindelijk figuratief bedoeld; ook Luther interpreteerde.

We weten dat in zijn tijd de mensen van alles en nog wat werd voorgelogen over zaken die zogenaamd in de Bijbel zouden staan, vooral over kerkelijke instellingen en het canoniek recht. Men kon het dan ook niet zelf gaan controleren; of men kon niet lezen, en al zeker geen Latijn, of men kon zich geen Bijbel veroorloven. Daarenboven verkondigde de Kerk van toen dat de Traditie op gelijke voet met de Schrift stond en enkel diezelfde Kerk (magisterium – het pauselijk leergezag, red.) kon beide interpreteren. Dat is nog steeds de officiële positie van de Rooms-Katholieke Kerk.
Neen, zei Luther, enkel (sola scriptura) de Bijbel kan dogma definiëren; staat het niet in de Schriften, dan kan het onmogelijk worden opgelegd. Enkel de Bijbel is de bron en autoriteit voor de geloofsleer, zij is de enige normerende norm (norma normans) die nodig is. De Bijbel als buffer tegen de willekeur van predikanten en kerkleiders – en dat is vandaag opnieuw noodzakelijk!

Toch had de kerkhervormer geen eenduidige systematische doctrine inzake de Bijbel en om dan het woordje ‘onfeilbaar’ op sola scriptura te plakken is anachronistisch en erg kortzichtig. Dan hebben we het nog niet eens over transcripties en vertalingen gehad.

Biblicisme

Leidt het sola scriptura-beginsel niet automatisch tot biblicisme en bibliolatrie; de Bijbel als afgod? 
Luther zou huiveren van hoe het Woord Gods vaak boven de God van het Woord lijkt te worden verheven. Zou een versoepeling van het principe naar prima scriptura (eerst de Schrift) zoals anglicanen en methodisten dit meestal aanhouden, hiertegen weerwerk kunnen bieden? De Bijbel als dé gesprekspartner die altijd en overal bij betrokken moet worden, maar niet noodzakelijk alleen hoeft te staan. Maar welke andere gesprekspartners zijn er dan nog: Traditie, Rede, Ervaring?

Belofte

Terug naar Luther. Als die over Bijbelteksten sprak, dan had hij het niet enkel over de tekst zelf, maar over de belofte die er achter zat. Belofte is een kernwoord in Luthers theologie. Die belofte, dat Woord, is het vleesgeworden Woord, Jezus Christus. Gods Woord ís Jezus en Jezus is het genadewoord dat aan ieder het eeuwig leven verkondigt, ieder rechtvaardigt, ieder bevrijdt.
Jezus is de lens waardoor de hele Bijbel wordt gelezen. “…al wat Christus verkondigt is apostolisch”, (Waß Christum treibet) staat in de Inleiding op de brieven van Jacobus en Judas. Dat betekent dat er een canon binnen de canon bestaat: niet alle Bijbelboeken zijn even doorslaggevend (wat niet wil zeggen dat ze niet belangrijk zijn).

Sint Augustinus (354-430), kerkvader én stichter van de augustijner monnikenorde waartoe Luther behoorde, hamerde er bovendien in Over de christelijke leer op dat het gebod om God, de naaste en zichzelf lief te hebben (Mc. 12:30-31) de basisregel is waardoor we letterlijke van allegorische teksten moeten onderscheiden. Een Bijbeluitleg zonder liefde is bijgevolg geen goede Bijbeluitleg.
Jezus is de incarnatie van God die liefde is. Jezus is onze Bijbeluitleg.

Dialoog

Het lezen van de Schrift, geleid door de Heilige Geest, wordt een proces, een leerproces, een dialoog. Luther omschreef dit met oratio-meditatio-tentatio, ofwel bidden-overdenken-worstelen met. Dat maakt van de lezer een bijbellezer een theoloog. De Heilige Schriften zijn met andere woorden geen gemakkelijkheidsoplossing!

Luther vond het evident dat elk woord in de Schrift door de Heilige Geest geïnspireerd werd en het is de Geest die elk woord duidelijk en levend maakt. Het is diezelfde Geest die in het predikambt en het uitwendige, verkondigde Woord – en enkel daar! – werkzaam is (cf. Over de geknechte wil, iv, en De Schmalkaldische artikelen, iii-3). Dit is de Geest van de schepping, van de incarnatie, de Geest van waarheid.

In zijn artikel Luther and Biblical Infallibility (Innerancy and the Church), argumenteert Robert D. Preus dat Luthers geloof in de waarheidsgetrouwheid (truthfulness) of onfeilbaarheid (innerancy) van de Schrift heel klaar en vanzelfsprekend is. Preus maakt geen onderscheid in zijn terminologie, maar dat is niet helemaal correct; we kunnen gerust in ons debat over de Bijbel dat verschil maken. De mens bijvoorbeeld is waarlijk mens, maar zeker niet onfeilbaar. Gods Woord kan waarheid spreken, zonder letterlijk (dode letter-lijk) genomen te moeten worden. Dan krijgt het Levenswoord meer ruimte om te ademen en het christendom wordt ontspannener. Daar wordt iedereen alleen maar beter van.

Jo Jan Vandenheede
Luthers predikant en theoloog. Momenteel doctoreert hij over de relatie tussen anglicanen en lutheranen.

Dit bericht is geplaatst op vrijdag 16 augustus 2019