Dag 20: wraak of redding?

In Jesaja 63 lezen we een aangrijpende tekst over de woede van God. God vernietigt zijn vijanden. Dat doet God niet uit wraakzucht of omdat hij er plezier in schept, maar om uiteindelijk onrecht en onderdrukking de wereld uit te helpen. Bij God staat de redding centraal. Hij verwerpt onderdrukking en redt zijn volk.

Uitleg Jesaja 63:1-6
De redding van God
Te midden van alle teksten over redding en bevrijding staat een wraaktekst. In het boek Jesaja is de straf van God een noodzakelijk onderdeel van Gods redding. Om zowel Israël als de volken te redden moet er recht gesproken en gestraft worden. Deze tekst doet denken aan de tekst van Jesaja 59, de tekst die we eergisteren lazen, waar God ook geschokt is dat niemand aan zijn kant staat. Niemand is, zoals hij, verontwaardigd over het onrecht dat hij ziet. Daarom gaat God dan maar alleen te werk. Zo is Jesaja 63:1-6 een uitwerking van Jesaja 59:15b-21. In Jesaja 59:16b lezen we over God: ‘Op eigen kracht bracht hij redding en zijn gerechtigheid spoorde hem aan.’ Hier lezen we in vers 5 uit de mond van God: ‘Op eigen kracht bracht ik redding, door mijn woede aangespoord.’ Het feit dat ‘gerechtigheid’ in de tweede tekst vervangen is door ‘woede’, betekent niet dat Gods gerechtigheid geen rol meer speelt (zie vers 1), maar dat de nadruk is verschoven. Het gaat daarbij in Jesaja 63 niet om pure vernietiging, maar om vernietiging van onderdrukking. Door zijn woede en vernietiging brengt God redding. Zo past deze tekst toch tussen al die andere reddingsteksten, het is namelijk zelf ook een reddingstekst.

De wijnpers
De tekst wordt uitgesproken door een wachter die God uit Edom ziet komen. Edom is hier een symbool voor alle vijanden van Israël. Degene die komt draagt purperrode kleding. Dat roept twee associaties op: van koninklijke praal, en van druivensap dat tijdens het persen op de kleding is gespat. Beide blijken echter niet te kloppen: de kleding is rood van bloed – er is in dit vers sprake van een woordspel met de naam Edom en het woord ‘rood’ (adom) (zie ook Jesaja 34:6 en Genesis 25:30). De wijnpers waarin God getreden heeft, zit vol met de vijanden van Israël, waardoor het bloed van de vijanden van Gods volk op Gods kleding is gespat! Zo wordt het beeld van de rode mantel eerst letterlijk gebruikt om Gods praal en macht te laten zien, rood is namelijk een koninklijke kleur, maar blijkt het vervolgens een beeld te zijn voor iets anders: God heeft in zijn woede Edom vernietigd. In vers 6 komt het beeld van de wijnpers weer terug. God heeft de volken niet alleen vertrapt, maar ook dronken gevoerd met zijn toorn. Het beeld van de wijnpers is nogal flexibel: de volken worden vergeleken met druiven die vertrapt zijn én met de mensen die vervolgens dronken zijn (en dus van hun krachten beroofd) van de wijn. Zo brengt God redding, door gerichte woede en straf.

Verband met andere teksten: de woede van God in Openbaring
In Openbaring 19:13-15 komt een aantal beelden uit het boek Jesaja terug. De schrijver van Openbaring verwijst er naar Jesaja 63:1-6. Het beeld van de wijnpers en de met bloed doordrenkte kleding wordt ook in Openbaring gebruikt om Gods woede over de volken te laten zien. Dit keer is het niet God zelf die het doet, maar een ruiter op een wit paard, die Gods vonnis uitvoert.

Vragen

  1. Wat vind je ervan dat Gods redding in dit geval samengaat met wraak en geweld?
  2. God brengt recht en redding door geweld. De dienaar van God wordt heel anders omschreven: hij brengt recht door juist géén geweld te gebruiken. Wat zegt dat over God, over zijn dienaar en over hoe ze zich tot elkaar verhouden?
  3. In Jesaja 63 voert God het geweld uit. In Openbaring 19 worden dezelfde beelden gebruikt, maar voert God niet zelf het geweld uit. Wie is die ruiter die Gods vonnis in Openbaring uitvoert? Waarom zou hij hiervoor gekozen zijn en niet God zelf?

Kader
Edom
De Edomieten worden in de Bijbel voorgesteld als afstammelingen van Esau, de broer van Jakob. Daarom worden de Israëlieten en de Edomieten wel ‘broedervolken’ genoemd.
Het Edomitische rijk lag ten zuiden van Israël. Bosra was de hoofdstad. In latere teksten in de Bijbel wordt Edom vaak voorgesteld als de aartsvijand van Gods volk. Maleachi 1:4 noemt Edom ‘het volk waarop de HEER voor eeuwig verbolgen is’. Soms, zoals in Jesaja 63, staat Edom dan symbool voor alle vijanden van Israël. De reden hiervoor ligt waarschijnlijk in het feit dat de Edomieten de Judese vluchtelingen niet hielpen toen de Babyloniërs in 587-586 voor Christus Jeruzalem omsingelden en verwoestten. Sterker nog: volgens de profeet Obadja waren er Edomieten die bij de poorten van Jeruzalem stonden en Judese vluchtelingen tegenhielden en doodden (Obadja 1:8-15). Wie wel kon wegkomen, werd gevangengenomen en naar de Babyloniërs gebracht. Obadja voorspelt dat de Edomieten zullen worden gestraft voor dat verraad van hun broedervolk. Maar de vijandschap tussen Edom en Israël begint in de Bijbel al eerder: de Edomieten laten Israël niet door hun land trekken tijdens de uittocht uit Egypte (Numeri 20:14-21).