Dag 2: de gelijkenis van de wijngaard

Het lied van de wijngaard in Jesaja 5 is een aanklacht tegen het volk Israël. Jesaja spreekt het volk aan met een gelijkenis, een verhaal over een wijngaard en zijn eigenaar. Halverwege het verhaal spreekt de eigenaar van de wijngaard ineens direct tot het volk. Wat blijkt: met de eigenaar wordt God zelf bedoeld en de wijngaard staat voor Israël.

Bijbeltekst(en)

Uitleg Jesaja 5:1-24
Een liefdeslied of een gelijkenis?
Het lied van de wijngaard is een soort gelijkenis. Een situatie uit het echte leven (namelijk van iemand die een wijngaard heeft) wordt gebruikt om iets duidelijk te maken over de relatie tussen God en zijn volk. De herhaling van de woorden ‘lief’ en ‘geliefde’ en ‘wijngaard’ in het eerste vers, doen denken aan een liefdeslied (zie bijvoorbeeld Hooglied 1:13-14 en 7:11-13). De profeet zingt dit lied over zijn geliefde en diens wijngaard. Dat laat de intieme band tussen de zanger (de profeet) en de eigenaar van de wijngaard zien. Uit de eerste verzen blijkt ook de liefde van de eigenaar voor zijn wijngaard: hij heeft er alles aan gedaan om de wijngaard, die gelegen is op vruchtbare grond, tot bloei te brengen. Hij verwacht er veel van.

Aanklacht tegen het publiek
Dan verandert de gelijkenis van perspectief (vers 3-4). Dat wordt gemarkeerd door een plotseling ‘Welnu’. Er komt een andere spreker aan het woord – de eigenaar van de wijngaard. En hij richt zich nu direct tot zijn publiek. Hij keert zich tot de inwoners van Jeruzalem en Juda en vraagt om hun oordeel over de wijngaard waar hij net over heeft verteld. Wie heeft schuld aan de wrange druiven: hijzelf, de eigenaar, of de wijngaard? Het publiek wordt aangespoord actief mee te doen, te reageren op wat er gezegd wordt. Daarbij herhaalt de eigenaar nog eens hoeveel moeite hij heeft gestoken in zijn wijngaard, en hoeveel hij ervan verwachtte (vers 4). Daarmee geeft hij al aan dat de fout niet bij hem ligt. Er wordt dan ook niet gewacht op het antwoord van het publiek. De eigenaar geeft zelf het oordeel al (vers 5-6). De wijngaard wordt afgebroken, vernietigd. Alle moeite die de eigenaar in de wijngaard gestoken heeft, alle inspanningen om hem zorgvuldig op te bouwen, doet de eigenaar nu zelf teniet. Hij vernietigt stap voor stap wat hij aan het begin zelf stap voor stap heeft opgebouwd. De eigenaar van de wijngaard vertelt als laatste dat hij zelfs de wolken zal opdragen om geen regen meer op de wijngaard te laten vallen (vers 6). Zo onthult hij zijn ware identiteit: hij moet wel God zelf zijn. In vers 7 lees je de toepassing van de gelijkenis. Nu wordt verteld waar het lied echt over ging: Israël is de wijngaard. Dit beeld grijpt terug op Jesaja 1:8, waar Sion ‘een hut in een wijngaard’ wordt genoemd. God is de eigenaar. God verwachtte een rechtvaardig volk, maar vond een onrechtvaardig volk. Dat is uitgebreid te lezen vanaf vers 8. Daar wordt het volk aangeklaagd om al het sociaal onrecht dat vooral de rijken de armen aandoen.

Verband met andere teksten: Jezus en het lied van de wijngaard 
In Matteüs 21:33-46 vertelt Jezus een gelijkenis die op dit lied uit Jesaja gebaseerd is. Jezus gebruikt de voorstelling uit de gelijkenis in Jesaja 5 om zijn eigen gelijkenis te vertellen. Hij herhaalt veel van de beelden die in Jesaja gebruikt worden, maar geeft zijn eigen wending aan het verhaal. In de gelijkenis van Jesaja klinkt er kritiek op het volk om sociaal onrecht en machtsmisbruik; Jezus gebruikt dezelfde beelden om kritiek te leveren op de leiders van het volk, omdat ze niet naar de profeten en naar Jezus zelf luisteren.

Vragen

  1. Hoe zou je de gelijkenis uit Jesaja 5 in moderne beelden kunnen hervertellen?
  2. Wat zegt het ‘zesvoudig wee over de onrechtvaardigen’ (vers 8-24) over wat God belangrijk vindt?
  3. Aan welke mensen of groepen uit onze tijd denk je bij het ‘zesvoudig wee’ in vers 8-24?

Kader
Een gelijkenis als aanklacht
De gelijkenis van Jesaja 5 doet denken aan de gelijkenis die de profeet Natan aan David vertelt (2 Samuel 12:1-10). Hij vertelt over een rijke man die het laatste lammetje van een arme man afpakt. David reageert woedend op dit verhaal en veroordeelt de rijke man. Zowel bij Jesaja als bij Natan en David is de gelijkenis tegelijk een aanklacht tegen de toehoorder. In het Oude Testament komen zulk soort gelijkenissen vaker voor. In 2 Samuel 14:1-20 klaagt Joab koning David aan, net als de profeet Natan eerder deed. Hij doet dit met behulp van een wijze vrouw uit Tekoa. In 1 Koningen 20:35-43 spreekt een niet bij naam genoemde profeet  koning Achab aan op zijn gedrag. Telkens wordt er eerst een verhaal verteld. De toehoorder wordt vervolgens om een oordeel gevraagd. En na het oordeel wordt onthuld dat de toehoorder zojuist een oordeel over zichzelf heeft uitgesproken. Het verhaal was namelijk een gelijkenis, en ging over de toehoorder zelf. In navolging van de gelijkenis van Jesaja en de andere bijbelse gelijkenissen gebruikt ook Jezus deze vorm. We noemden al Matteüs 21:33-46, waar hij de bouwstenen van Jesaja 5 gebruikt om de leiders van zijn tijd aan te klagen