Woensdag 24 februari

Meditatio
Vorige zondag hoorden we uit het evangelie volgens Marcus hoe Jezus in de woestijn op de proef wordt gesteld. Als Matteüs en Lucas spreken over Jezus’ ervaringen in de woestijn, werken ze dit veel gedetailleerder uit dan Marcus. Marcus beperkt zich tot de vermelding dat Jezus be-proefd wordt. Bij Matteüs en Lucas wordt dit concreet gemaakt in drie bekoringen, die Jezus telkens countert met een bijbelvers. De eerste bekoring bestaat erin een steen te veranderen in brood; de tweede voor de duivel in aanbidding neer te vallen. De derde beproeving lezen we hier uit het Lucas-evangelie. Er staat:
‘De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette hem op het hoogste punt van de tempel en hij zei tegen hem: “Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschre-ven: ‘Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.’ En ook: ‘Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.’” Maar Jezus antwoordde: “Er is gezegd: ‘Stel de Heer, uw God, niet op de proef’”’ (Lucas 4, 9-12).
Na de eerste twee bekoringen gebruikt de duivel in de derde bekoring dezelfde strategie als Je-zus en citeert een stukje uit Psalm 91 om Jezus te overtuigen roekeloos te zijn aangezien God hem zal beschermen, zoals in de Psalm staat (vers 11 en 12): ‘Hij vertrouwt je toe aan zijn enge-len, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen.’ De derde bekoring is misschien de meest subtiele omdat Jezus hier bekoord wordt in zijn relatie tot God, in zijn geloof. Voor de duivel is het heel eenvoudig: als je zo sterk gelooft, kun je het je veroorloven om zelf voor god te spelen. Dit is eigenlijk de definitie van hoogmoed: hoogmoed is de mens die zichzelf voor God neemt. Wat de duivel Jezus hier voor-houdt, is hoogmoed 100 % puur en ongezoet!
De duivel put uit Psalm 91, een prachtige psalm die wij in onze abdij elke avond in het laatste gebed, de completen, zingen. Er klinkt een diepe uitnodiging tot vertrouwen, tot overgave. God zal voor iedere mens zorgen, op velerlei manieren.
Een van de subtielste manieren die de duivel, of het kwade of hoe je de bekoorder ook noemt, gebruikt, is het woord van God perverteren. Het verdraaien, het uit zijn context halen om zo de betekenis te vervormen. Het oermodel van het geperverteerde woord van God is wat de slang deed in het tweede hoofdstuk van Genesis. God heeft Adam en Eva gezegd dat er één boom is waarvan ze niet mogen eten. De slang fluistert Eva in het oor: ‘Heeft God u werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom mag eten?’ De slang vervormt het woord van God. Van een verbod om van één boom te eten wordt het plotseling een algemeen verbod dat geldt voor alle bomen. Het is evident dat het onmiddellijk veel moeilijker wordt om je aan zo’n algemeen verbod te houden. Want ineens mag je van geen enkele boom meer eten. Tja, dan kun je toch ook niet anders dan het verbod van God naast je neerleggen, en toegeven aan de slang met zijn bekoorlij-ke woorden. Jezus’ bekoringen in de woestijn verlopen volgens hetzelfde stramien: God heeft toch gezegd dat Hij over je zal waken? Dus mag je rustig roekeloos zijn en risico nemen. Je mag doen wat je wilt, God zal wel voor je zorgen. Het doet me denken aan de karikatuur die in deze coronatijden circuleert. Een man die zegt: ‘Ik heb geen mondmasker nodig, handgel gebruik ik niet, sociale afstand is aan mij niet besteed, want ik leg al mijn vertrouwen in God.’ Hij raakt besmet en sterft aan de ziekte. In de hemel vraagt hij God hoe het komt dat hij gestorven is en waarom God niet voor hem gezorgd heeft. God antwoordt: ‘Heb Ik niet voor je gezorgd? Ik heb je toch een mondmasker gegeven, je van handgel voorzien, je uitgenodigd de anderhalve meter afstand te bewaken?’

Oratio
Psalm 91 is een psalm van overgave in bijbelse taal. Elke avond wordt de mens uitgenodigd los te laten en zich toe te vertrouwen aan God. Er wordt in de psalm ook gesproken over kwaad, pest en plagen, leeuw en adder… Het dagelijkse leven is geen zoet verhaal waarbij enkel het goede aan bod komt. De psalmist weet dat ons leven doorspekt is met goed en kwaad dat we zelf aanrichten en ondervinden. Hij weet dat we tegenstanders hebben, dat er ziekte en angst is, dat ook wij bekoringen en verleidingen kennen – en niet altijd stevig genoeg staan om weerstand te bieden. Maar we staan nooit alleen. God is bij ons. Hij draagt ons. We worden uitgenodigd ons telkens opnieuw tot God te keren en onze toevlucht bij Hem te zoeken, niet om domme dingen te gaan doen en roekeloos te zijn, maar omdat Hij onze God is en wij weten dat Hij voor ons zorgt, op zijn manier.

Contemplatio
De psalm nodigt ons uit na te denken over ons geloof en waar we staan:
• Hoe sterk, hoe diep reikt ons vertrouwen op God?
• Hebben we ogen die de hulp ontdekken die God ons toezendt?