Dag 13

Psalm 68:8-21 blikt terug op de tijd dat God de Israëlieten door de woestijn leidde en naar Kanaän bracht. Al die tijd heeft God voor zijn volk gezorgd. Hij zorgde voor water in de woestijn en voor regen op de akkers in het nieuwe land.

‘De aarde beefde, en water stortte uit de hemel’ (vers 9). Het beeld herinnert aan Gods verschijning op de Sinai, toen de berg schudde, en de donder en bliksem wellicht gevolgd werden door heftige regenbuien (Exodus 19:18). Maar de Hebreeuwse tekst is cryptisch en de tweede zin betekent letterlijk: ‘de hemelen dropen voor het aangezicht van God’. Misschien is hier (ook) het manna bedoeld dat God uit de hemel liet neerregenen voor de Israëlieten.

In vers 20-21 wordt God geprezen om wat Hij voor de mensen heeft gedaan. Iedere dag draagt Hij hen, zoals een adelaar zijn vermoeide jongen opvangt en op zijn vleugels verder draagt (Exodus 19:4; Deuteronomium 32:11). Hij heeft hen bevrijd uit de dood: de dood die dreigde in Egypte, en de dood die op de loer lag in de woestijn. Maar ook de dood als een macht die de mens in zijn greep hield.

‘Bij God, de HEER, is bevrijding uit de dood’: hoe leg jij deze zin uit?