Dag 1

Eens waren de Israëlieten in Egypte gaan wonen omdat in hun eigen land hongersnood heerste. Lange tijd hadden ze het daar goed. Maar nu is er een farao aan de macht gekomen die hen wantrouwt. Om de groei van het volk de kop in te drukken, laat deze farao de Israëlieten zware slavenarbeid verrichten. Een handige oplossing, voor de gemoedsrust én de portemonnee van de farao. De Israëlieten gaan zwaar onder de onderdrukking gebukt. Maar God laat zijn volk niet in de steek. Hij zorgt er juist voor dat het steeds groter wordt.

Wantrouwen tegen vreemdelingen en de onderdrukking die er soms op volgt, het is iets van alle tijden. Wanneer de Israëlieten jaren later als vrije mensen in hun eigen land leven, waarschuwt God hen hiertegen. Ze mogen vreemdelingen en slaven niet onderdrukken maar moeten hen met liefde behandelen. Ze weten immers hoe het voelt om onvrij en afhankelijk te zijn, omdat ze dat zelf ook zijn geweest in Egypte.

Is er iets waardoor je je aan het begin van deze veertigdagentijd onvrij of gebonden voelt? Hoe kun je dit veranderen, of er op een andere manier mee omgaan?