NBV21 (NBV21)
28

281Van David.

U, HEER, roep ik aan,

mijn rots, houd u niet doof.

Als U blijft zwijgen, word ik

een dode met de doden in het graf.

2

28:2
Ps. 134:2
Hoor mijn smeekbede

als ik U om hulp roep,

als ik mijn handen ophef

naar het hart van uw heiligdom.

3

28:3
Ps. 12:3
26:9
55:22
62:5
Spr. 26:24-25
Ruk mij niet weg met de kwaadwilligen,

met hen die onrecht doen,

die hun vrienden vrede wensen,

maar in hun hart zinnen op kwaad.

4

28:4
Jer. 50:29
Geef hun wat ze verdienen,

vergeld hun naar hun daden,

naar het werk van hun handen,

laat hen voor hun misdrijven boeten.

5

28:5
Jes. 5:12
Voor de daden van de HEER hebben ze geen oog,

noch voor het werk van zijn handen.

Daarom zal Hij hen afbreken en nooit meer opbouwen.

6De HEER zij geprezen,

Hij heeft mijn smeekbede gehoord.

7De HEER is mijn kracht en mijn schild,

op Hem vertrouwde mijn hart,

ik werd geholpen en mijn hart jubelde,

Hem wil ik loven in mijn lied.

8De HEER is de kracht van zijn volk,28:8 zijn volk – Volgens een andere lezing van het Hebreeuws, overeenkomstig de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘voor hen’.

een burcht van redding voor zijn gezalfde.

9

28:9
Ps. 3:9
29:11
Red het volk dat U toebehoort, zegen het,

wees zijn herder en draag het voor eeuwig.