NBV21 (NBV21)
109

1091

109:1
Ps. 35:22
Voor de koorleider. Van David, een psalm.

God, die ik loof, blijf niet zwijgen,

2want vijandig en bedrieglijk is de mond

van hen die mij beschuldigen,

hun tong spreekt niets dan leugens,

3ze bestoken mij met woorden van haat,

zonder reden bestrijden ze mij.

4

109:4-5
Ps. 35:12-13
109:4
Jer. 18:20
Ik bid voor hen,

maar mijn liefde roept vijandschap op,

5

109:5
Ps. 38:21
ze vergelden goed met kwaad

en liefde met haat:

6‘Wijs een gewetenloos man aan

die hem aanklaagt bij de rechter.

7Dat hij schuldig wordt bevonden

en dat zijn gebed tegen hem pleit.

8

109:8
Hand. 1:20
Dat zijn dagen geteld zijn,

een ander zijn ambt overneemt,

9

109:9
Ex. 22:23
dat hij zijn kinderen vaderloos,

zijn vrouw als weduwe achterlaat.

10Dat zijn kinderen bedelend rondzwerven,

naar eten zoeken in het puin van hun huizen,

11dat schuldeisers beslag leggen op zijn bezit

en vreemden roven wat hij moeizaam verwierf.

12Dat niemand hem trouw blijft,

niemand zich ontfermt over zijn kinderen,

13

109:13
Job 18:19
dat zijn nageslacht voorgoed verdwijnt,

hun naam na hun leven wordt uitgewist.

14

109:14
Ex. 20:5
Dat de schuld van zijn voorouders de HEER in gedachte blijft,

de zonde van zijn moeder niet wordt uitgewist,

15

109:15
Ps. 34:17
dat hun zonde en schuld de HEER steeds voor ogen staan

en Hij hun namen van de aarde wegvaagt.

16

109:16
Job 20:19
Want die man bewees aan niemand trouw,

hij vervolgde zwakken en armen,

wanhopigen dreef hij de dood in.

17Dat de vloek die hij liefhad hemzelf treft,

de zegen die hij een ander misgunde

hem nooit ten deel zal vallen.

18Dat de vloek hem als een mantel omhult,

zijn lichaam vult als water,

zijn gebeente doordringt als olie.

19Dat de vloek als het kleed is dat hij draagt,

als de gordel die hij dagelijks omheeft!’

20Laat zó de HEER mijn aanklagers straffen,

hen die zelf over mij dit kwaad afroepen.

21

109:21
Ps. 103:8
Maar U, HEER, mijn God,

doe voor mij wat tot eer van uw naam is:

bevrijd mij, U bent goed en trouw.

22Ik ben verzwakt en arm,

gewond in het diepst van mijn hart.

23

109:23
Ps. 102:12
Ik verdwijn als een schaduw die lengt,

als een sprinkhaan die wordt afgeschud;

24mijn knieën zijn slap van het vasten,

ik ben tot op het bot vermagerd.

25

109:25
Ps. 22:8
Ik wek de lachlust op,

wie mij ziet schudt meewarig het hoofd.

26Help mij, HEER, mijn God,

red mij in uw trouw,

27

109:27
Ps. 64:10
dan zullen zij weten dat het uw hand is,

dat U, HEER, dit hebt gedaan.

28Komt van hen de vloek, van U verwacht ik zegen,

schande voor mijn belagers, vreugde voor uw dienaar.

29

109:29
Jer. 20:11
Hoon zal het kleed zijn van wie mij aanklagen,

schande de mantel waarin zij zich hullen.

30

109:30
Ps. 22:26
71:22
De HEER zal ik prijzen met luide stem,

Hem loven te midden van velen,

31Hij staat de armen terzijde

en redt hen uit de greep van hun rechters.