NBV21 (NBV21)
5

Oordeel over de leiders

51Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven.5:2 een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven – Volgens een andere lezing van het Hebreeuws. MT (betekenis onzeker): ‘ontrouwen hebben het slachten diep gemaakt’. Maar Ik zal jullie leren, allemaal! 3Ik kende Efraïm, Israël lag Mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich onrein gemaakt. 4

5:4
Hos. 1:2
Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor ze niet meer vertrouwd zijn met de HEER. 5
5:5
Hos. 14:2
Amos 6:8
Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm struikelt door zijn wandaden; ook Juda sleept hij mee in zijn val. 6
5:6
Spr. 1:28
Amos 8:11-12
Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze Hem niet vinden: Hij zal zich voor hen verborgen houden. 7
5:7
Hos. 2:6
Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun bezittingen verslonden.

8

5:8
Joël 2:1
Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Bet-Awen: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat Ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10De leiders van Juda stillen hun landhonger, maar Ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter nietswaardige goden5:11 nietswaardige goden – Volgens een andere lezing van het Hebreeuws, overeenkomstig de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘een gebod’. aan liep. 12Als een etterwond ben Ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13
5:13
2 Kon. 15:19
16:7-9
Hos. 7:11
8:9
12:2
Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14
5:14
Jes. 5:29
Hos. 2:12
13:7
Amos 3:12
Want Ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer Ik mij tegen het volk van Juda: Ikzelf zal hen verscheuren, Ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15
5:15
Jer. 29:13
Ik ga terug naar de plaats waar Ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en Mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar Mij vragen.