NBV21 (NBV21)
25

251

25:1-12
Jer. 39:1-10
In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam Nebukadnessar, de koning van Babyloni√ę, met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. 2
25:2-11
Jer. 21:1-10
34:1-7
Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. 3Op de negende dag van de maand ‚Äď de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten ‚Äď 4
25:4
Ezech. 33:21
werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldee√ęn rondom de stad lagen, wisten alle soldaten ‚Äôs nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, 5maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen 6en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla, naar de koning van Babyloni√ę, en daar werd hij berecht. 7
25:7
Recht. 16:21
Ezech. 12:13
Eerst werden zijn zonen voor zijn ogen afgeslacht en toen werden hem de ogen uitgestoken. Daarna werd hij naar Babel weggevoerd, geboeid met bronzen ketenen.

8

25:8-21
Jer. 52:12-27
25:8-12
Jer. 39:8-10
Op de zevende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babyloni√ę, trok diens dienaar Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. 9
25:9-17
2 Kron. 36:17-20
25:9
1 Kon. 9:8
Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. 10Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de muren van Jeruzalem neer. 11De mensen die nog in de stad waren overgebleven, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babyloni√ę waren overgelopen, kortom iedereen die nog over was. 12Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

13

25:13-17
1 Kon. 7:15-50
25:13
2 Kon. 16:17
De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldee√ęn uit elkaar gehaald; het brons namen ze mee naar Babel. 14Ook de potten, scheppen, messen, kommen en het andere bronzen tempelgerei namen ze mee. 15Verder nam commandant Nebuzaradan alles mee wat maar van goud of zilver was, zoals de vuurbakken en de offerschalen. 16De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar √©√©n was, en de verrijdbare onderstellen die Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. 17De zuilen waren achttien el hoog en bekroond met een bronzen kapiteel van drie el. Daaromheen zat een vlechtwerk, versierd met granaatappels van massief brons.

18De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. 19En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, vijf van de vertrouwelingen die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber die tot taak had het volk onder de wapenen te roepen, en zestig mensen uit het gewone volk. 20Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babyloni√ę. 21Deze liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen.

Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap. 22

25:22-24
Jer. 40:7-9
Over het deel van het volk dat van koning Nebukadnessar van Babyloni√ę in Juda mocht blijven, stelde hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, als gouverneur aan. 23Toen de bevelhebbers van het leger en hun manschappen daarvan hoorden, zochten zij Gedalja in Mispa op: Jisma√ęl, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa, en Ja√§zanja, de zoon van iemand uit Ma√§cha, allen met hun mannen. 24Gedalja bezwoer de bevelhebbers en hun mannen: ‚ÄėVan de Chaldese ambtenaren hebt u niets te vrezen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babyloni√ę dient zal het u goed gaan.‚Äô 25
25:25-26
Jer. 41:1-3
Maar in de zevende maand van dat jaar kwam Jisma√ęl, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, die tot de koninklijke familie behoorde, met tien mannen naar Mispa. Ze doodden Gedalja en de Judee√ęrs en Chaldee√ęn die bij hem waren. 26
25:26
Jer. 43:5-7
Uit angst voor de Chaldee√ęn nam daarop heel het volk, van hoog tot laag, met de bevelhebbers van het leger de vlucht naar Egypte.

Gratie voor Jojachin

27

25:27-30
Jer. 52:31-34
In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de zevenentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babyloni√ę hem ter gelegenheid van zijn troonsbestijging gratie en hij ontsloeg hem uit de gevangenis. 28Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. 29Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. 30In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning voorzien, zijn leven lang.