NBV21 (NBV21)
3

31Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4-5
Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3
3:3
Ps. 89:31-38
2 Tim. 2:13
Maar wat als sommigen van hen ontrouw zijn geworden? Maakt hun ontrouw dan een einde aan Gods trouw? 4
3:4
Ps. 51:6
116:11
Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘Als U spreekt blijkt uw rechtvaardigheid, U overwint in elk geschil.’ 5
3:5
Job 34:12,17
Rom. 1:17
Maar wanneer het onrecht dat wij doen laat zien dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo – ik redeneer nu zoals mensen dat doen – dat God onrechtvaardig is wanneer Hij ons toch nog veroordeelt? 6Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8
3:8
Rom. 6:1,15
Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen.

9

3:9
Rom. 3:23
Wat betekent dit alles? Zijn wij nu in het voordeel? In het geheel niet, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10
3:10-12
Ps. 14:1-3
53:2-4
3:10
Pred. 7:20
Zo staat er ook geschreven:

‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één,

11er is geen mens verstandig,

er is geen mens die God zoekt.

12Allen zijn afgedwaald, allen ontaard.

Er is geen mens die het goede doet, zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
140:4
Hun keel is een open graf,

hun tong is bedrieglijk,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder,

14

3:14
Ps. 10:7
hun mond is vol vervloeking en venijn.

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
Ze haasten zich om bloed te vergieten,

16verwoesting en rampspoed vergezellen hen.

17

3:17
Jes. 59:8
De weg van de vrede kennen ze niet,

18

3:18
Ps. 36:2
angst voor God is hun vreemd.’

19Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt, spreekt tot degenen die onder de wet staan. En zo wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20
3:20
Ps. 143:2
Rom. 7:7
Gal. 2:16
Daarom geldt geen mens voor Hem als rechtvaardig door de wet na te leven, want juist de wet leert ons de zonde kennen.

Rechtvaardig voor God door geloof in Jezus Christus

21Maar nu is Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, zichtbaar geworden buiten de wet om: 22

3:22
Rom. 10:12
God schenkt vrijspraak op grond van geloof in Jezus Christus, aan allen die geloven. En er is geen onderscheid. 23
3:23
Rom. 3:9
5:12
Want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God, 24
3:24
Ef. 1:7
Tit. 3:7
en iedereen wordt uit genade rechtvaardig verklaard, om niet, dankzij de verlossing door Christus Jezus. 25-26
3:25-26
Hand. 17:30
1 Joh. 2:2
Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee toont God zijn gerechtigheid, want in zijn verdraagzaamheid gaat Hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan, om nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid te bewijzen: Hij laat zien dat Hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.

27

3:27
Ef. 2:8-9
Kan iemand zich dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. Door welke wet? De wet die naleving eist? Nee, door de wet van het geloof. 28
3:28
Gal. 2:16
Ik heb u er immers op gewezen dat een mens door geloof wordt vrijgesproken, en niet door de wet na te leven. 29
3:29
Rom. 10:12
Is God soms alleen de God van de Joden en niet ook van de andere volken? Zeker ook van de andere volken, 30
3:30
Deut. 6:4
Rom. 4:11-12
Gal. 3:20
want er is maar één God, en Hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof rechtvaardig verklaren. 31Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist.

Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Het voorrecht van de Joden

31Wat heeft de Jood dan voor op anderen? Of wat is het voordeel van het besneden zijn?

2Veel, in alle opzichten.

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4
Want in de eerste plaats zijn hun de woorden van God toevertrouwd.

3Want wat is het geval? Als sommigen ontrouw zijn geweest, zal

3:3
Num. 23:19
Rom. 9:6
2 Tim. 2:13
hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen?

4Volstrekt niet! Zo echter moet het zijn:

3:4
Joh. 3:33
God is waarachtig
3:4
Ps. 116:11
maar ieder mens een leugenaar, zoals geschreven staat:
3:4
Ps. 51:6
Opdat U gerechtvaardigd wordt wanneer U rechtspreekt,3:4 wanneer U rechtspreekt - Letterlijk: in Uw woorden. en overwint wanneer U oordeelt.

5Als nu onze ongerechtigheid de gerechtigheid van God bevestigt, wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig als Hij toorn over ons brengt? Ik spreek op menselijke wijze.

6Volstrekt niet! Hoe zal God anders de wereld oordelen?

7Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden tot Zijn heerlijkheid, waarom word ik dan toch nog als zondaar geoordeeld?

8En het is toch niet, zoals wij belasterd worden en zoals sommigen zeggen dat wij zeggen: Laten wij het kwade doen, opdat het goede daaruit voortkomt? De verdoemenis van hen is rechtvaardig.

Alle mensen zijn zondaars

9Wat dan wel? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd

3:9
Gal. 3:22
dat zij allen onder de zonde zijn,

10zoals geschreven staat:

3:10
Ps. 14:3
53:4
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één,

11er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.

12Allen zijn zij afgedwaald, samen zijn zij nutteloos geworden. Er is niemand die goeddoet, er is er zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrog,
3:13
Ps. 140:4
addergif is onder hun lippen.

14

3:14
Ps. 10:7
Hun mond is vol vervloeking en bitterheid,

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
hun voeten zijn snel om bloed te vergieten.

16Vernieling en ellende is op hun wegen,

17en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.

18

3:18
Ps. 36:2
De vreze Gods staat hun niet voor ogen.

19Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God.

20

3:20
Gal. 2:16
Daarom zal uit werken van de wet geen vlees3:20 vlees - d.i. een zondig mens. voor Hem gerechtvaardigd worden.
3:20
Rom. 7:7
Hebr. 7:18
Door de wet is immers kennis van zonde.

Rechtvaardiging door het geloof

21Maar nu is zonder de wet

3:21
Rom. 1:17
Filipp. 3:9
gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:

22namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid.

23Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God,

24

3:24
Jes. 53:5
en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

25

3:25
2 Kor. 5:19
Kol. 1:20
Hebr. 4:16
1 Joh. 4:10
Hem heeft God openlijk aangewezen
3:25
Ex. 25:17
als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.

26Hij deed dit om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen nu in deze tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is én rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.

27Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.

28

3:28
Hand. 13:38
Rom. 8:3
Gal. 2:16
Hebr. 7:25
Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.

29Of is God alleen de God van Joden? En niet ook van heidenen? Ja, ook van heidenen.

30Het is toch immers één en dezelfde God, Die besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en onbesnedenen3:30 onbesnedenen - Letterlijk: voorhuid. door het geloof.

31Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.