Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11

1:1
2 Kon. 22:1
2 Kron. 34:1
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Sefanja, de zoon van Kusi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia, toen Josia, de zoon van Amon, in Juda regeerde.

De dag van de HEER

2Alles zal ik van de aardbodem wegvagen – spreekt de HEER. 3Mens en dier zal ik wegvagen. Ik zal de vogels aan de hemel wegvagen en de vissen in de zee, alles wat de zondaars ten val heeft gebracht. En ik laat de mensen van de aardbodem verdwijnen – spreekt de HEER. 4

1:4
2 Kon. 23:4,12
Ik zal mijn hand naar Juda en de inwoners van Jeruzalem uitstrekken. Daar zal ik de Baäls, de afgodendienaars en de priesters vernietigen. 5
1:5
1 Kon. 11:33
2 Kon. 23:13
Ik zal wegvagen wie op het dak knielt voor het sterrenleger aan de hemel, wie knielt voor de HEER en trouw aan hem zweert, maar tegelijk ook aan Milkom.1:5 Milkom – Voorgestelde lezing ondersteund door sommige handschriften van de Septuaginta, door de Pesjitta en de Vulgata. MT: ‘hun koning’. 6Ik zal vernietigen wie de HEER de rug toekeert, hem niet zoekt en hem niet raadpleegt.

7

1:7
Zach. 2:17
Wees stil voor God, de HEER,

de dag van de HEER is nabij!

De HEER zal een offermaaltijd houden

en zijn genodigden heiligen.

8Op de dag van die maaltijd

zal ik de leiders en de koningszonen straffen,

en al wie zich hult in uitheemse kledij.

9Op die dag zal ik straffen wie over de drempel springt,

wie het huis van zijn heer vult met geweld en bedrog.

10Op die dag – spreekt de HEER –

klinkt er geschreeuw uit de Vispoort,

gehuil uit de nieuwe stad,

en heerst er verslagenheid in de heuvels.

11Huil, bewoners van de Vijzelbuurt:

de handelaars zijn omgekomen,

de geldwegers zijn uitgeroeid.

12

1:12
Ps. 14:1
64:7
Spr. 20:27
Dan doorzoek ik Jeruzalem met lampen,

straf ik hen die zich aan wijn te buiten gaan en denken:

De HEER doet geen goed en geen kwaad.

13

1:13
Micha 6:15
Hun bezittingen worden buitgemaakt,

hun huizen verwoest.

Ze zullen huizen bouwen maar er niet in wonen,

wijngaarden planten maar de wijn niet drinken.

14De grote dag van de HEER is nabij,

hij is nabij en komt zeer snel.

Hoor! De dag van de HEER!

Zelfs de dappersten schreeuwen het uit!

15Die dag zal een dag zijn van razernij,

een dag van angst en benauwdheid,

een dag van rampspoed en onheil,

een dag van duisternis en donkerheid,

een dag van dreigende, donkere wolken,

16een dag van hoorngeschal en krijgsgeschreeuw

tegen de vestingsteden en hun hoge torens.

17

1:17
Jer. 9:21
Ik zal de mensen angst aanjagen,

ze zullen rondlopen als blinden,

want ze hebben tegen de HEER gezondigd.

Hun bloed wordt vergoten als was het maar stof,

hun vlees zal tot straatvuil vergaan.

18

1:18
Ezech. 7:19
Goud noch zilver kan hen redden

als de toorn van de HEER hen treft,

als het vuur van zijn woede de aarde verteert

en hij al haar bewoners een gruwelijk einde bereidt.

2

21Kom tot jezelf en kom samen, schaamteloos volk, 2voordat mijn besluit gestalte krijgt – een dag verwaait als kaf –, voordat de brandende toorn van de HEER zich tegen je keert, voordat de dag van de toorn van de HEER zich tegen je keert. 3Zoek de HEER, allen in het land die nederig zijn en naar zijn wetten leven, zoek rechtvaardigheid, zoek nederigheid: misschien blijven jullie dan gespaard op de dag van de toorn van de HEER.

Profetie over de omringende volken

4

2:4-7
Jer. 47:1-7
Ezech. 25:15-17
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Zach. 9:5-7
2:4
Jes. 14:29-31
Gaza zal verlaten zijn, Askelon een woestenij, Asdod wordt midden op de dag ontvolkt, Ekron ontworteld. 5Wee jullie, bewoners van de kustvlakte, Kretenzers! De HEER richt zich tegen jou, Kanaän, land van de Filistijnen! Ik zal je te gronde richten, met al je bewoners. 6De kustvlakte wordt grasland, met weidegrond voor herders en kooien voor schapen en geiten. 7Het gebied zal toevallen aan wie er van Juda overblijven. Zij zullen daar weiden en ’s avonds rusten in de huizen van Askelon, want de HEER, hun God, zal naar hen omzien en hun lot ten goede keren.

8

2:8-11
Jes. 15:1-16:14
Jer. 48:1-49:6
2:8
Ezech. 21:33-37
25:1-11
Amos 1:13-2:3
Ik heb de hoon van Moab gehoord en de spot van Ammon, ik heb gehoord hoe ze mijn volk hoonden en zijn gebied bedreigden. 9
2:9
Gen. 19:24
Jes. 14:2
Zach. 2:13
Daarom, zo waar ik leef – spreekt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël –, Moab zal worden als Sodom en Ammon als Gomorra: een distelveld, een zoutput, voor altijd een woestenij. Ze zullen worden geplunderd door wat er nog over is van mijn volk, hun bezit valt toe aan wat er van mijn natie nog rest. 10Dat is het loon voor de hoogmoed waarmee ze het volk van de HEER van de hemelse machten hebben gehoond en bedreigd! 11De HEER zal ze ontzag inboezemen, hij zal alle goden van de aarde doen verschrompelen. Aan alle kusten zal men voor hem knielen, ieder in zijn eigen land.

12

2:12
Jes. 18:1-7
Nubiërs, jullie worden door mijn zwaard doorboord!

13

2:13-15
Jes. 10:5-34
Nah. 1:1
Hij zal zijn hand uitstrekken naar het noorden,

Assyrië te gronde richten,

Nineve tot een wildernis maken,

dor als een woestijn.

14Kudden zullen er een rustplaats vinden,

allerlei dieren zullen er samentroepen,

uilen en stekelvarkens zullen zich nestelen tussen de zuilen.

Hoor hoe het huilt door de vensters,

puin ligt op de drempels, het cederhout is losgerukt.

15

2:15
Jes. 47:8-10
Jer. 18:16
19:8
49:17
Dat is er over van die vrolijke stad,

de stad die zo onbezorgd leefde,

die dacht: Ik, en ik alleen!

Ach, wat een wildernis is ze geworden,

een rustplaats voor wilde dieren.

Wie er voorbij komt sist tussen zijn tanden

en gebaart vol afschuw met zijn hand.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]