Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Oproep terug te keren naar de HEER

11

1:1
Ezra 4:24-5:1
6:14
Neh. 12:16
In de achtste maand van het tweede regeringsjaar van Darius richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo: 2‘De toorn van de HEER heeft jullie voorouders getroffen. 3
1:3
Mal. 3:7
Zeg nu tegen het volk: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Keer terug naar mij, dan zal ik naar jullie terugkeren – zegt de HEER van de hemelse machten. 4Wees niet als jullie voorouders. Toen de vroegere profeten hen in mijn naam opriepen om terug te keren van hun dwaalwegen en te breken met hun kwalijke praktijken, luisterden ze niet en gaven ze aan mijn woorden geen gehoor – spreekt de HEER. 5Waar zijn ze nu, jullie voorouders? En de profeten, leven zij eeuwig voort? 6
1:6
Zach. 7:7-14
Toch hebben mijn woorden en de wetten die ik mijn dienaren de profeten had opgedragen te verkondigen, jullie voorouders getroffen.”’ Toen kwam het volk tot inkeer en erkende: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat hij zich had voorgenomen.’

Visioenen

7

1:7
Zach. 6:1-7
Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand sebat, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo. Dit is zijn relaas.

8

1:8
Op. 6:2-4
Vannacht had ik een visioen. Ik zag een man op een voskleurig paard. Hij stond tussen de mirtenstruiken aan de oever van het diepe water, en iets verderop stonden nog meer paarden: roodvossen, goudvossen en schimmels. 9‘Wat betekent dat, mijn heer?’ vroeg ik, en de engel die met mij sprak antwoordde: ‘Ik zal je laten zien wat dit betekent.’ 10De man die tussen de mirtenstruiken stond zei: ‘Dit zijn de ruiters die de HEER heeft gestuurd om de aarde te doorkruisen.’ 11De ruiters zeiden tegen de engel van de HEER, die tussen de mirtenstruiken stond: ‘Wij hebben de hele aarde doorkruist. Overal is het vredig en stil.’ 12
1:12
Jer. 25:11
29:10
Op. 6:10
Toen riep de engel van de HEER uit: ‘HEER van de hemelse machten, hoe lang zal het nog duren voor u erbarmen toont met Jeruzalem en de steden van Juda, waarop u nu al zeventig jaar verbolgen bent?’ 13Daarop antwoordde de HEER de engel die met mij sprak met troostende en bemoedigende woorden, 14
1:14
Zach. 8:2
en de engel droeg mij op te verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Brandend van liefde neem ik het op voor Jeruzalem en Sion, 15en ziedend van woede ben ik op de zelfgenoegzame volken. Ik had mijn toorn immers al weer laten varen, maar zij hebben mijn volk steeds harder aangepakt. 16
1:16
Jes. 54:6-10
Zach. 2:5-9
Daarom – zegt de HEER – keer ik vol erbarmen terug naar Jeruzalem. Mijn huis zal er worden herbouwd – spreekt de HEER van de hemelse machten – en met het meetlint in de hand zal een begin worden gemaakt met de wederopbouw van de stad.’ 17Verder moest ik verkondigen: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen mijn steden overvloeien van voorspoed, opnieuw zal de HEER Sion troosten, opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen.’

2

21Weer2:1-4 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:18-21. sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik vier horens. 2‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel die met mij sprak, en hij antwoordde: ‘Dat zijn de horens die het volk van Juda, Israël en Jeruzalem uiteen hebben gedreven.’ 3Toen liet de HEER mij vier smeden zien. 4‘Wat komen die doen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Met die horens hebben vreemde volken Juda uiteengedreven en zijn verzet gebroken, en nu zijn de smeden gekomen om die volken op te schrikken en de horens neer te slaan die ze hadden geheven om Juda mee uiteen te drijven.’

5

2:5
Ezech. 40:3
Op. 11:1
21:15
Weer2:5-17 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 2:1-13. sloeg ik mijn ogen op, en daar zag ik een man met een meetlint in zijn hand. 6
2:6
Jer. 31:38-39
‘Waar gaat u heen?’ vroeg ik, en hij antwoordde: ‘Ik ga opmeten hoe groot Jeruzalem moet worden.’ 7Toen verscheen de engel die met mij sprak, en een andere engel kwam hem tegemoet 8
2:8
Jes. 49:19-20
54:2-3
en zei: ‘Vlug, zeg tegen die jongeman dat Jeruzalem een open stad zal blijven, niet ommuurd, vanwege het grote aantal mensen en dieren dat er zal wonen. 9
2:9
Jes. 26:1
Op. 21:23
Ik zal zelf rondom de stad een muur van vuur zijn – spreekt de HEER – en haar met mijn luister vullen.’

10

2:10
Jes. 48:20
Jer. 3:18
50:8
51:6
Joël 2:20
‘Kom! Vlucht weg uit het land van het Noorden! – spreekt de HEER. Als de vier winden van de hemel heb ik jullie verspreid – spreekt de HEER. 11Kom nu, Sion; jullie die in Babel wonen, breng je in veiligheid.’ 12
2:12
Deut. 32:10
Ps. 17:8
Want de HEER van de hemelse machten, die mij zijn grootheid heeft geopenbaard en die mij gezonden heeft, zegt over de volken door wie jullie geplunderd zijn: ‘Wie aan mijn volk komt, komt aan mijn oogappel!2:12 mijn oogappel – Volgens de Vulgata en sommige handschriften van de Septuaginta. MT: ‘zijn oogappel’. 13
2:13
Jes. 14:2
Sef. 2:9
Ik zal mijn hand dreigend naar hen uitstrekken, zodat zij op hun beurt geplunderd worden door degenen die zij hadden geknecht.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij gezonden heeft. 14
2:14
Sef. 3:14
‘Jubel, Sion, en verheug je, want ik kom in jouw midden wonen – spreekt de HEER. 15Er komt een tijd dat vele volken zich bij mij zullen aansluiten. Zij zullen mijn volk zijn, en bij jou, Sion, zal ik wonen.’ Dan zullen jullie inzien dat de HEER van de hemelse machten mij naar jullie gezonden heeft. 16Op heilige grond zal de HEER het volk van Juda voorgoed in bezit nemen en opnieuw zal hij Jeruzalem uitverkiezen. 17
2:17
Amos 6:10
Hab. 2:20
Sef. 1:7
Wees stil voor de HEER, al wat leeft, want hij komt uit zijn heilige woning naar buiten.