Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

11Dit is de geschiedenis van Tobit. Hij was een zoon van Tobiël, die een zoon was van Ananiël, de zoon van Aduel, de zoon van Gabaël, de zoon van Rafaël, de zoon van Raguel, en afkomstig uit het geslacht van Asiël, uit de stam Naftali. 2

1:2
2 Kon. 18:9-11
Tobit werd tijdens de regering van Salmanassar, de koning van Assyrië, vanuit Tisbe in ballingschap gevoerd. Tisbe ligt ten zuiden van Kedes in Naftali, in Boven-Galilea, ten noordwesten van Hasor en ten noorden van Fogor.

Tobits vroomheid

3Ik, Tobit, ben mijn leven lang rechtvaardig en oprecht geweest. Ik heb altijd de nood gelenigd van mijn verwanten en volksgenoten die samen met mij in ballingschap waren gevoerd naar Nineve in Assyrië. 4In mijn jeugd, toen ik nog in mijn eigen land Israël woonde, brak de stam van mijn voorvader Naftali met het huis van David en met Jeruzalem, de stad die uit het hele gebied van de stammen van Israël gekozen was als de plaats waar elke stam moest offeren. Daar was de tempel gebouwd en gewijd tot de plaats waar God tot in eeuwigheid zou wonen. 5

1:5
1 Kon. 12:26-32
Maar al mijn verwanten en de hele stam Naftali brachten op alle offerhoogten van Galilea offers aan het stierkalf dat koning Jerobeam van Israël in de stad Dan had laten neerzetten. 6
1:6-8
Deut. 14:22-29
1:6
Ex. 23:19
Deut. 16:16
Ik was de enige die de feestdagen zo veel mogelijk in Jeruzalem doorbracht, zoals dat door een eeuwig gebod aan heel Israël is voorgeschreven. Ik ging er altijd tijdig naartoe met het eerste deel van de oogst, de eerstgeboren dieren van de kudde en het tiende deel daarvan, en met de eerste schapenwol. 7
1:7
Num. 18:12-13
Deut. 18:3-5
Dat alles gaf ik als offer aan de priesters, de nakomelingen van Aäron. Verder gaf ik de Levieten die dienstdeden in Jeruzalem een tiende deel van het graan, de wijn, de olijfolie, de granaatappels, de vijgen en allerlei andere vruchten. Ook maakte ik elk jaar, behalve in een sabbatsjaar, het tweede tiende deel te gelde en besteedde het geld in Jeruzalem. 8Het derde tiende deel1:8 Het derde tiende deel – Aangevuld vanuit de korte tekst. gaf ik aan weduwen en wezen, en aan vreemdelingen die in Israël waren komen wonen. Dat deed ik elk derde jaar. We gebruikten dit deel voor een maaltijd, zoals de regel in de wet van Mozes voorschrijft en zoals me was geleerd door Debora, de moeder van mijn vader.1:8 Debora, de moeder van mijn vader – Volgens de korte tekst. De lange tekst leest: ‘Debora, de moeder van Ananiël, mijn vader’. Ananiël is echter Tobits grootvader, niet zijn vader (1:1). Mijn vader had me toen hij stierf als wees achtergelaten. 9Toen ik volwassen was, trouwde ik met een vrouw uit mijn eigen familie. Ik kreeg bij haar een zoon, die ik Tobias noemde.

10Nadat ik door de Assyriërs gevangen was genomen, werd ik als balling naar Nineve gevoerd. Al mijn verwanten en volksgenoten aten onrein voedsel, 11maar ik hoedde me daarvoor. 12Met heel mijn hart bleef ik God trouw. 13

1:13
Dan. 2:48
Daarom zorgde de Allerhoogste ervoor dat koning Salmanassar mij opmerkte en dat ik bij hem in de gunst kwam. Salmanassar belastte mij met de inkoop van de hofvoorraden. 14Zolang hij leefde moest ik daarvoor geregeld naar Medië. Op een van die reizen gaf ik aan Gabaël, de broer van Gabri, een bedrag van tien talent zilver in bewaring. 15Toen Salmanassar stierf, volgde zijn zoon Sanherib hem op. De wegen naar Medië werden afgesloten, zodat ik er niet langer naartoe kon.

16In de jaren van Salmanassars koningschap was ik mijn volksgenoten vaak tot steun; 17

1:17
Job 31:16-20
ik deelde mijn voedsel met wie honger leed, mijn kleding met wie geen kleren had, en als ik zag dat het lichaam van een gestorven Israëliet buiten de muren van Nineve was gegooid, begroef ik het. 18Ik begroef ook de slachtoffers die Sanherib na zijn terugtocht uit Judea had gemaakt. Als straf voor zijn godslasterlijk gedrag had de koning van de hemel hem namelijk uit Judea verjaagd, en in zijn woede daarover doodde Sanherib na zijn terugtocht talloze Israëlieten. Ik haalde hun lichamen heimelijk weg en begroef ze. Sanherib liet naar de lichamen zoeken, echter zonder resultaat. 19
1:19
Ex. 2:15
Maar iemand uit Nineve vertelde de koning dat ik het was die ze begraven had. Eerst hield ik me schuil, maar toen ik te weten kwam dat de koning naar me op zoek was omdat hij me ter dood wilde laten brengen, werd ik zo bang dat ik op de vlucht sloeg. 20Al mijn bezittingen werden in beslag genomen en vervielen aan het rijk, alles wat ik had. Het enige wat me nog restte waren mijn vrouw Anna en mijn zoon Tobias.

21

1:21
Jes. 37:38
Maar nog geen veertig dagen later werd Sanherib door twee van zijn zonen vermoord, die daarop naar het Araratgebergte vluchtten. Sanheribs zoon Esarhaddon werd nu koning. Hij stelde Achikar, de zoon van mijn broer Anaël, aan als beheerder van alle financiële zaken van het koninkrijk, waardoor Achikar zeggenschap kreeg over de hele rijksadministratie. 22Hij was onder koning Sanherib al hofschenker, administrateur, zegelbewaarder en schatbewaarder, maar Esarhaddon maakte hem zelfs tot de tweede man van Assyrië. En hij was ook familie van mij, een neef. Dus toen hij bij Esarhaddon voor mij pleitte, kon ik naar Nineve terugkeren.

2

Tobits blindheid

21Tijdens de regering van koning Esarhaddon keerde ik terug naar huis en werd ik weer verenigd met Anna en Tobias. Tijdens ons Pinksterfeest, het Wekenfeest, werd er voor mij een feestmaal bereid. Toen ik aan tafel ging 2en de talrijke schotels zag die voor me waren klaargezet, zei ik tegen Tobias: ‘Jongen, kijk eens of je onder onze volksgenoten die hier in de stad als ballingen verblijven, iemand vindt die niets heeft en die de Heer met heel zijn hart dient. Neem hem mee om samen met mij deze maaltijd te gebruiken. Ik begin niet voordat je terug bent.’ 3Tobias vertrok om te doen wat ik hem gevraagd had, maar kwam alleen terug. ‘Vader!’ riep hij. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Vader, er ligt iemand van ons volk vermoord op het marktplein. Ze hebben hem gewurgd.’ 4Ik sprong onmiddellijk op, liet de maaltijd staan zonder er ook maar iets van te hebben gegeten en bracht de dode van het plein naar een van mijn bijgebouwen. Na zonsondergang zou ik hem begraven. 5Thuis waste ik me en at ik in een droevige stemming mijn maal. 6

2:6
Amos 8:10
Ik moest denken aan wat de profeet Amos over Betel zei: ‘Jullie feesten zullen omslaan in rouw, jullie liederen in klaagzangen.’ 7En ik huilde.

Zodra het donker was geworden, dolf ik een graf en begroef mijn volksgenoot. 8

2:8
Tob. 1:19
Mijn buren dreven de spot met mij. ‘Waar is die angst van hem ineens gebleven? Toen hij werd gezocht omdat ze hem voor dit vergrijp wilden doden, wist hij niet hoe snel hij de benen moest nemen. Maar moet je nu eens kijken: hij is waarachtig alweer doden aan het begraven.’

9Ik kwam midden in de nacht thuis, waste me en legde me tegen de muur van de binnenplaats te slapen. Omdat het zo warm was, liet ik mijn gezicht onbedekt. 10

2:10
Marc. 5:26
Maar ik had niet gezien dat er boven mij mussen op de muur zaten. Hun nog warme uitwerpselen vielen in mijn ogen en vormden witte vliezen. Ik bezocht allerlei artsen om dat te laten verhelpen, maar hoe vaker ze mijn ogen behandelden, des te minder kon ik door die vliezen zien. Ten slotte werd ik helemaal blind, en dat ben ik vier jaar lang gebleven.

Mijn hele familie beklaagde me om mijn lot. Voor zijn vertrek naar Elymaïs heeft Achikar nog twee jaar in mijn levensonderhoud voorzien. 11Anna verdiende in die tijd geld met spinnen en weven. 12Als ze haar werk af had bracht ze het naar haar opdrachtgevers, die haar dan betaalden. Toen ze eens, op de zevende dag van de maand dystros, iets afleverde, betaalden ze niet alleen haar volledige loon, maar gaven ze haar bovendien een jong geitje uit hun kudde mee naar huis. 13Toen ze ermee thuiskwam begon het te mekkeren. ‘Hoe kom je aan dat geitje?’ vroeg ik haar. ‘Je hebt het toch niet gestolen? Dan moet je het terugbrengen naar de eigenaar; we mogen niets eten dat gestolen is.’ 14

2:14
Job 2:9
Ze antwoordde: ‘Ik heb het als geschenk gekregen, naast mijn loon.’ Maar ik geloofde haar niet en werd boos, en zei haar nogmaals dat ze het geitje moest terugbrengen naar de eigenaar. Toen beet ze me toe: ‘En wat waren al die goede en rechtschapen daden van jou dan waard? Moet je zien wat die ons hebben opgeleverd!’

3

31Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: 2

3:2
Ps. 119:137
Toev.Dan. 1:4-9
‘Heer, u bent rechtvaardig, alles wat u doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. 3
3:3
Ex. 34:7
Ps. 79:8
Dan. 9:5-6
Bar. 1:17-18
Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd 4
3:4
Deut. 28:48
Bar. 2:4-5
3:8
en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 5Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven. 6
3:6
Num. 11:15
1 Kon. 19:4
Job 7:15
Jona 4:3,8
Doe daarom met mij wat u wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’

Sara beledigd

7Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguel uit Ekbatana in Medië, door een van de slavinnen van haar vader beledigd. 8Sara was al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest Asmodeüs had ze allemaal in de huwelijksnacht gedood, nog voordat ze – zoals gebruikelijk is in de huwelijksnacht – gemeenschap met haar hadden gehad. De slavin wierp haar voor de voeten: ‘U vermoordt al uw echtgenoten. Aan maar liefst zeven mannen bent u al uitgehuwelijkt, maar van niet één draagt u de naam. 9Moet u óns mishandelen omdat uw echtgenoten zijn gestorven? Ga ze liever achterna, dan wordt ons tenminste voor altijd een kind van u bespaard.’

10

3:10
Gen. 37:35
42:38
44:29-31
Tob. 6:15
Huilend van verdriet vluchtte Sara naar de bovenverdieping van haar vaders huis. Ze wilde zich daar verhangen, maar kwam tot bezinning en dacht: Ze zullen tegen mijn vader zeggen: ‘Je enige kind, je dochter van wie je zoveel hield, heeft zich van ellende verhangen.’ Wat een schande zal dat voor hem zijn op zijn oude dag. Hij zal nog van verdriet sterven. Nee, dat kan ik hem niet aandoen. Ik mag me niet verhangen. Het is beter dat ik de Heer vraag of hij me wil laten sterven; dan hoef ik nooit meer van die valse beschuldigingen aan te horen. 11
3:11
Ps. 28:2
134:2
Dan. 6:11
Ze ging naar het raam, hief haar handen omhoog en bad: ‘Geprezen bent u, barmhartige God, uw naam zij voor eeuwig en altijd geprezen. Laat heel uw schepping u tot in eeuwigheid prijzen. 12Ik wend mij tot u, ik sla mijn ogen naar u op. 13Bevrijd me toch van deze wereld, laat me nooit meer zo worden beledigd. 14U weet, Heer, dat nog geen enkele man mijn zuiverheid bezoedeld heeft 15en dat ik in dit land waar ik als balling leef, mijn naam nooit te schande heb gemaakt, en ook niet die van mijn vader. Ik ben zijn enige kind, hij heeft geen andere erfgenaam dan ik. En er is in onze hele familie niemand meer wiens vrouw ik zou kunnen worden. Er zijn al zeven mannen van me omgekomen. Waarom zou ik nog moeten leven? Maar als u mij niet wilt laten sterven, Heer, sla dan tenminste acht op de schande die me is aangedaan.’

De gebeden van Tobit en Sara verhoord

16

3:16
Tob. 12:12
De gebeden van Tobit en Sara vonden op hetzelfde moment gehoor voor de troon van God. 17
3:17
Tob. 6:12
Hij stuurde de engel Rafaël om hen te bevrijden: Tobit van zijn blindheid, zodat hij weer het licht zou zien dat door God geschapen is, en Sara, de dochter van Raguel, van de boze geest Asmodeüs, zodat ze aan Tobias, de zoon van Tobit, tot vrouw kon worden gegeven. Want van alle mannen die Sara als vrouw wilden hebben, kwam het Tobias het meest toe met haar te trouwen. Op het moment dat Tobit van de binnenplaats zijn huis binnenging, ging Sara, de dochter van Raguel, van de bovenverdieping naar beneden.