Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

Rafaël maakt zich bekend

121Toen het bruiloftsfeest voorbij was, zei Tobit tegen zijn zoon Tobias: ‘Jongen, betaal je reisgenoot zijn loon uit en geef hem ook een extra bedrag.’ 2‘Hoeveel moet ik hem betalen?’ vroeg Tobias. ‘Ik kan hem makkelijk de helft van de bezittingen geven die ik heb meegebracht. 3Hij heeft me veilig en wel teruggebracht, mijn vrouw van die demon bevrijd, samen met mij voor het geld gezorgd en u genezen. Hoeveel extra zal ik hem geven?’ 4Tobit antwoordde: ‘Het is niet meer dan rechtvaardig dat hij de helft krijgt van alles wat hij heeft meegebracht.’ 5Tobias liet Rafaël roepen en zei tegen hem: ‘Neem als beloning de helft van mijn bezittingen; ik hoop dat het je verder goed gaat.’

6Toen nam Rafaël Tobit en Tobias apart, en hij zei tegen hen: ‘Prijs God, dank hem ten overstaan van alle mensen voor al het goede dat hij jullie heeft gebracht. Prijs hem, bezing zijn naam. Vertel aan iedereen wat hij heeft gedaan, geef hem de eer en wacht niet om hem te danken. 7De geheimen van een koning kunnen beter verborgen blijven, maar wat God doet moet bekend worden gemaakt en tot zijn eer worden geroemd. Doe het goede, dan zal het kwaad je niet treffen. 8

12:8-9
Tob. 4:6-11
12:8
Spr. 11:4
16:8
Sir. 29:8-13
Een oprecht gebed vanuit een oprecht gemoed en een gift uit eerlijk verworven bezit zijn beter dan oneerlijk verkregen rijkdom. Het is beter anderen te helpen dan goud op te hopen. 9
12:9
Dan. 4:24
Sir. 3:31
Vrijgevigheid behoedt je voor een vroegtijdige dood en neemt al je zonden weg. Wie anderen helpt zal lang leven, 10maar wie zondigt en onrecht doet is de vijand van zijn eigen bestaan. 11Ik zal jullie de waarheid vertellen en niets voor jullie achterhouden. Zei ik niet dat men de geheimen van een koning verborgen moet houden, maar Gods daden bekend moet maken en ze roemen? 12
12:12
Tob. 3:16
Toen jij, Tobit, bad, en toen Sara bad, was ik het die jullie gebeden voor de troon van de Heer bracht. Toen je de doden begroef deed ik dat eveneens. 13En toen je zonder aarzeling je maaltijd verliet om die dode te begraven, 14
12:14
Tob. 3:17
werd ik naar je toe gestuurd om je op de proef te stellen. Maar God stuurde me ook om jou en je schoondochter Sara te bevrijden. 15
12:15
Zach. 4:10
Luc. 1:19
Op. 8:2
Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die in de nabijheid van de troon van de Heer verkeren.’ 16Toen Tobit en Tobias dit hoorden, wierpen ze zich ontzet en vol angst ter aarde, 17maar Rafaël stelde hen gerust: ‘Wees niet bang, jullie hebben niets te vrezen, prijs God tot in alle eeuwigheid. 18Mijn aanwezigheid hadden jullie niet aan mij te danken, God heeft het zo gewild. Prijs hem, loof hem elke dag. 19
12:19
Recht. 13:16
Luc. 24:41-43
Ik was bij jullie, maar heb al die tijd niets gegeten. Wat jullie zagen was een verschijning. 20
12:20
Recht. 13:20
Joh. 20:17
Nu dan, prijs de Heer hier op aarde, dank God. Ik ga nu terug naar hem die mij heeft gestuurd. Stel alles wat jullie hebben meegemaakt te boek.’ En Rafaël steeg op naar de hemel. 21Toen Tobit en Tobias waren opgestaan, zagen ze hem niet meer. 22Ze prezen en loofden God en dankten hem voor alle wonderbare daden die hij had verricht in de tijd dat de engel hun verschenen was.

13

De lofprijzing van Tobit

131

13:1
1 Kron. 29:10
Tob. 3:11
8:5,15
Toev.Dan. 1:3Luc. 1:68
Tobit sprak:

‘Geprezen zij de levende God tot in eeuwigheid,

geprezen zij zijn koningschap.

2

13:2
Deut. 32:39
1 Sam. 2:6
Wijsh. 16:13,15
Hij tuchtigt, maar betoont zich weer barmhartig.

Hij werpt ons in het diepste duister van de aarde,

maar tilt ons ook weer uit de afgrond van de dood omhoog.

Niets kan zijn hand ontvluchten.

3Loof hem, Israëlieten, tegenover alle volken.

Onder de volken heeft hij Israël verstrooid,

4

13:4
Jes. 63:16
64:7
Jer. 3:4
Sir. 23:1,4
Mat. 6:9
daar heeft hij het zijn majesteit getoond.

Roem hem tegenover alle mensen, want hij is onze Heer.

Hij is onze God, hij is onze Vader, hij is God in alle eeuwigheid.

5

13:5-6
Deut. 30:2-3
Hij straft u voor al het onrecht dat u doet,

maar ontfermt zich ook weer over u allen.

Hij verenigt u weer, verstrooid als u bent onder de volken.

6Keer13:6-10 Aangevuld vanuit de korte tekst. u tot hem met heel uw hart,

wees hem met heel uw ziel gehoorzaam,

dan keert hij zich weer tot u

en zal zich niet meer verbergen.

Zie wat hij allemaal voor u heeft gedaan,

loof hem met luide stem.

Prijs de Heer, groot is zijn rechtvaardigheid.

Roem de koning, eeuwig duurt zijn rijk.

In het land waar ik als balling leef, verkondig ik hem.

Ik toon zijn kracht en majesteit aan een zondig volk.

Zondaars, keer u tot hem, doe wat hij rechtvaardig vindt.

Misschien betoont hij u zijn goedgunstigheid,

misschien zal hij barmhartig zijn.

7Ik roem mijn God,

mijn ziel jubelt over de koning van de hemel.

8Laat iedereen vertellen van zijn majesteit

en hem danken in Jeruzalem.

9Jeruzalem, heilige stad,

God zal je tuchtigen om wat je kinderen hebben aangericht,

maar over de kinderen van de rechtvaardigen ontfermt hij zich.

10Loof de Heer zoals hem toekomt,

prijs de koning, eeuwig duurt zijn rijk.

Je heiligdom zal onder jubelzangen worden opgebouwd.

Aan allen die zijn verbannen zal hij vreugde geven,

allen die worden verdrukt zal hij troosten,

tot in eeuwigheid.

11

13:11
Ps. 22:28
Jes. 2:3
44:26,28
60:1,9
Amos 9:11
Micha 4:2
Zach. 1:16
8:20-22
Een stralend licht zal van je uitgaan,

het schijnt tot aan de grenzen der aarde.

Van verre zullen vele volken naar je toe komen,

van de uiteinden der aarde trekken ze op naar je heilige naam,

beladen met geschenken voor de koning van de hemel.

Geslacht op geslacht zal in je straten jubelen van vreugde.

Jouw naam, uitverkoren stad, blijft tot in eeuwigheid bestaan.

12

13:12
Bar. 4:31
Vervloekt zijn allen die je belasteren.

Vervloekt zijn allen die je vernietigen,

je muren afbreken, je torens neerhalen, je huizen in de as leggen.

Gezegend zijn allen die je eer bewijzen, tot in eeuwigheid.

13

13:13
Jes. 60:4
Kom, Jeruzalem, wees verheugd

over de kinderen van hen die rechtvaardig zijn.

Want allen zullen ze verenigd worden,

prijzen zullen ze de Heer, eeuwig duurt zijn rijk.

14

13:14
Jes. 66:10
Gelukkig zijn zij die je liefhebben,

gelukkig zij die vreugde vinden in je voorspoed,

gelukkig zij die treuren over je beproevingen.

Zij allen zullen zich verheugen over jou

en in al je vreugde delen, tot in eeuwigheid.

15Mijn ziel, prijs de Heer, de grote koning!

16

13:16
Ps. 122:6
Jeruzalem zal weer worden opgebouwd.

De tempel zal in de stad herrijzen en voor eeuwig en altijd bestaan.

Hoe gelukkig zal ik zijn als wat er van mijn volk nog over is

je luister zal aanschouwen en de koning van de hemel prijzen zal.

De poorten van Jeruzalem worden weer opgebouwd met lazuur en met smaragd,

elke muur met edelstenen.

De torens van Jeruzalem worden weer opgebouwd met goud,

elke borstwering met zuiver goud.

17

13:17
Jes. 54:11-12
60:17
Op. 21:19-21
De straten van Jeruzalem worden in mozaïek gelegd,

met granaat en met stenen uit Ofir.

18De poorten zingen vreugdezangen,

de huizen roepen uit: “Halleluja, geprezen zij de God van Israël!”

En zij die door de Heer gezegend zijn,

zullen zijn heilige naam voor altijd prijzen, tot in eeuwigheid.’

14

141Hiermee eindigde de lofprijzing van Tobit.

Tobits laatste woorden

Tobit stierf in vrede toen hij honderdtwaalf jaar oud was en hij werd op eervolle wijze begraven in Nineve. 2Hij was tweeënzestig jaar toen zijn ogen werden aangetast. Na zijn genezing leefde hij in welstand en deed hij veel goeds; en altijd prees hij God en loofde hij zijn grootheid. 3

14:3
Gen. 47:29
Tob. 4:2-3
Toen hij op sterven lag, liet hij zijn zoon bij zich komen om hem het volgende te zeggen: ‘Tobias, ga met je kinderen weg van hier. 4
14:4
Jes. 5:13
64:10
Jer. 9:15
Ezech. 12:15
Jona 3:4
Nah. 1:1-3:19
Wijk uit naar Medië, want ik geloof wat God bij monde van Nahum over Nineve gezegd heeft. Ik geloof dat alles zal gebeuren wat de profeten van Israël, die door God gezonden zijn, over Assyrië en Nineve hebben voorzegd. Niets ervan zal uitblijven, het zal allemaal in vervulling gaan wanneer de tijd daarvoor gekomen is. Dan zal het in Medië veiliger zijn dan in Assyrië en Babylonië. Ik weet en vertrouw erop dat alles wat God heeft gezegd, zal gebeuren; niet één woord ervan zal onvervuld blijven. Onze volksgenoten die nog in Israël wonen, zullen vanuit dat goede land in ballingschap worden gevoerd en worden verstrooid. Heel het land zal verlaten zijn, er zal niemand meer in Samaria en Jeruzalem wonen. De tempel van God zal in de as worden gelegd en een tijd van rouw doormaken. 5
14:5
Ezra 3:12
Jes. 35:8-10
Jer. 31:38
Ezech. 36:24
Hag. 2:3,9
Maar God zal zich opnieuw over de Israëlieten ontfermen, en dan zal hij hen naar Israël laten terugkeren. Ze zullen de tempel herbouwen, en hoewel die niet zoals de vorige zal zijn, zal hij blijven bestaan totdat de tijden zijn voltooid. Alle Israëlieten zullen uit hun ballingschap terugkeren en Jeruzalem in al zijn pracht herbouwen. En de tempel van God wordt weer opgebouwd, zoals Israëls profeten hebben gezegd. 6
14:6
Jes. 18:7
19:22
Jer. 16:19
Alle andere volken in de hele wereld, waar dan ook, zullen zich tot God keren en hem oprecht eer bewijzen. Ze zullen hun afgoden wegdoen, die hen met hun leugens hebben misleid, 7en ze zullen de eeuwige God loven en dienen. Alle Israëlieten die worden gered omdat ze God trouw gebleven zijn, zullen worden samengebracht en naar Jeruzalem komen. Het land van Abraham wordt hun teruggegeven, en ze zullen er voor altijd veilig wonen. Wie God oprecht liefhebben zullen zich verheugen, maar wie zondigen en onrecht doen worden van de aardbodem weggevaagd. 8-9Daarom, kinderen, druk ik jullie op het hart God trouw te dienen en te doen wat hem welgevallig is. En draag jullie kinderen op een rechtvaardig leven te leiden en anderen te helpen, God niet te vergeten en zijn naam altijd oprecht en met al hun kracht te prijzen. Verlaat Nineve, blijf hier niet. 10Als je straks je moeder naast mij hebt begraven, moet je nog dezelfde dag vertrekken. Er is veel onrecht en bedrog in de stad, en niemand schaamt zich ervoor. Denk aan wat Nadab zijn pleegvader Achikar heeft aangedaan. Probeerde hij Achikar niet levend te begraven? Maar God heeft hem met gelijke munt betaald: Achikar keerde terug in het licht, maar Nadab is de eeuwige duisternis binnengegaan omdat hij Achikar probeerde te doden. Doordat Achikar altijd anderen hielp, kon hij ontkomen aan de dodelijke valstrik die Nadab voor hem had gezet. En het was Nadab die door de dood in de val werd gelokt en die ten onder ging. 11Kinderen, zo zien jullie wat hulpvaardigheid tot stand brengt en wat het gevolg is van onrecht: de dood.’ Toen zei Tobit: ‘Mijn krachten verlaten me.’ Tobias en Sara legden hem op zijn bed, en hij stierf. Hij werd op eervolle wijze begraven.

12

14:12
Tob. 4:4
Toen Tobias’ moeder stierf, begroef hij haar naast zijn vader. Samen met zijn vrouw vertrok hij naar Medië en ging in Ekbatana bij zijn schoonvader Raguel wonen. 13Tobias zorgde goed voor zijn schoonouders op hun oude dag en bewees hun de gepaste eer, en na hun dood begroef hij hen in Ekbatana. Hij erfde Raguels huis, zoals hij dat van Tobit had geërfd. 14Hij stierf op honderdzeventienjarige leeftijd als een alom gerespecteerd man. 15Voor zijn dood maakte hij nog mee dat Nineve ten onder ging en dat de inwoners door Achikar van Medië gevangen werden genomen en naar Medië werden gevoerd. Hij prees God voor alles wat hij met de inwoners van Nineve en Assyrië had gedaan; nog voor zijn dood maakte hij tot zijn vreugde de ondergang van Nineve mee, en hij prees God, de Heer, die altijd en eeuwig leeft.