Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

De terugkeer van Tobias

101Tobit telde de dagen die nog moesten verstrijken tot Tobias van zijn reis zou terugkeren. Toen ze voorbij waren en zijn zoon er nog niet was, 2zei hij: ‘Hij wordt daar misschien opgehouden, of misschien is Gabaël gestorven en kan hij bij niemand het geld innen.’ 3Toch begon hij zich zorgen te maken. 4Maar Anna zei: ‘Mijn kind leeft niet meer, hij is omgekomen,’ en ze barstte uit in jammerklachten over haar zoon en begon te huilen. 5‘Ach jongen,’ snikte ze, ‘waarom heb ik je op reis laten gaan. Je bent het licht van mijn ogen.’ 6‘Stil nu maar,’ zei Tobit, ‘denk nu niet meteen het ergste. Hij maakt het goed. Ze zijn beslist door het een of ander opgehouden. Hij heeft een uitermate betrouwbare reisgenoot, iemand van ons eigen volk. Wees niet verdrietig, lieve vrouw, hij komt vast en zeker snel terug.’ 7

10:7
Gen. 24:54-61
45:26
Maar Anna voer tegen hem uit: ‘Wees liever zelf stil, en maak me niets wijs. Mijn kind is dood.’ Toch ging ze elke dag naar buiten en keek de weg af waarover haar zoon was afgereisd, en niemand kon haar weerhouden. Pas bij zonsondergang ging ze weer naar binnen, en ze huilde en jammerde dan de hele nacht, zonder in slaap te kunnen komen.

Raguel had gezworen dat het bruiloftsfeest van zijn dochter veertien dagen zou duren. Die waren intussen voorbij. Tobias ging naar hem toe met het verzoek: ‘Vader, laat me nu vertrekken. Het kan niet anders of mijn vader en moeder hebben de hoop opgegeven dat ze me ooit nog zullen zien. Daarom vraag ik u: laat me naar mijn vader gaan. Ik heb u verteld in wat voor toestand ik hem heb achtergelaten.’ 8‘Tobias, mijn zoon,’ antwoordde Raguel, ‘waarom blijf je niet bij ons. Ik stuur wel boden naar je vader om hem te vertellen hoe het met je gaat.’ 9Maar Tobias zei: ‘Nee, ik smeek u: laat me nu weer naar mijn vader gaan.’ 10Toen vertrouwde Raguel Sara aan Tobias toe en gaf hij hem de helft van zijn bezit: slaven en slavinnen, runderen en schapen, ezels en kamelen, kleding, zilver en vaatwerk. 11Hij nam afscheid van hen beiden en wenste hun alle goeds. Terwijl hij Tobias omhelsde zei hij: ‘Vaarwel jongen, heb een voorspoedige reis. Moge de Heer van de hemel jou en je vrouw Sara een gelukkig leven geven. Ik hoop dat ik voor mijn dood jullie kinderen nog mag zien.’ 12En tegen zijn dochter zei hij: ‘Ga naar je schoonouders en beschouw hen vanaf nu als je eigen ouders. Het ga je goed, dochter. Ik hoop zolang ik leef niets dan goeds over je te horen.’ Met deze afscheidswoorden liet hij hen vertrekken. Edna zei tegen Tobias: ‘Lieve jongen, lieve zoon, moge de Heer je veilig en wel naar huis brengen. Ik hoop voor mijn dood jullie kinderen nog te zien. Ten overstaan van de Heer vertrouw ik je mijn dochter toe. Doe haar nooit verdriet. Het ga je goed, zoon. Vanaf nu ben ik je moeder en is Sara je vrouw. Moge de Heer ons allemaal een voorspoedig leven geven.’ Ze kuste Tobias en Sara en wenste hun een voorspoedige reis.

13Zo nam Tobias afscheid van Raguel: gezond en opgetogen. Hij prees de Heer van de hemel en de aarde, de koning van de wereld, omdat hij zijn reis had doen slagen. Hij zei tegen zichzelf: Je moet je schoonouders altijd in ere houden.

11

Tobits genezing

111Toen ze in de omgeving van Kaserin waren gekomen, vlak bij Nineve, 2zei Rafaël tegen Tobias: ‘Je weet hoe je vader eraantoe was toen we weggingen. 3Laten we daarom alvast vooruitgaan om ervoor te zorgen dat alles in orde is wanneer je vrouw met de anderen aankomt.’ 4Ze reisden getweeën vooruit; Tobias’ hond kwam achter hen aan. ‘Zorg ervoor dat je de gal bij de hand hebt,’ zei Rafaël. 5Intussen zat Anna weer bij de weg uit te kijken naar haar zoon. 6Toen ze hem zag aankomen, riep ze zijn vader toe: ‘Daar komt je zoon, samen met zijn reisgenoot!’ 7Nog voordat Tobias bij zijn vader was, zei Rafaël: ‘Je vader zal beslist weer kunnen zien. 8

11:8
Tob. 6:9
Doe de gal in zijn ogen, de vliezen zullen door het medicijn krimpen en loslaten, en dan zal hij het licht weer kunnen zien.’ 9
11:9
Gen. 46:29-30
Anna vloog op haar zoon af en viel hem om de hals. ‘Daar ben je dan,’ snikte ze, ‘nu kan ik in vrede sterven.’ 10Tobit was opgestaan en schuifelde door de poort van de binnenplaats naar buiten. Tobias kwam hem tegemoet 11met de gal van de vis en blies in zijn ogen. ‘Houd moed, vader,’ zei hij, terwijl hij hem bij de hand nam. Hij bracht het medicijn aan 12-13
11:12-13
Hand. 9:18
en trok met beide handen de vliezen vanuit de ooghoeken weg. Tobit viel Tobias om de hals. 14
11:14
Tob. 13:2
Huilend zei hij: ‘Ik kan je weer zien, jongen. Je bent het licht van mijn ogen.’ En hij dankte God: ‘God zij geprezen, geprezen is zijn grote naam en geprezen zijn al zijn heilige engelen. Moge zijn grote naam ons beschermen. Geprezen zijn al zijn engelen voor eeuwig en altijd. 15Hij heeft me zwaar beproefd, maar nu kan ik mijn zoon Tobias weer zien.’

Tobias ging zielsgelukkig het huis in, God uitbundig lovend. Hij vertelde zijn vader dat hij een voorspoedige reis had gehad en het geld had meegebracht, en dat hij met Sara, de dochter van Raguel, was getrouwd. ‘Ze komt eraan,’ zei hij, ‘ze is al bij de stadspoort.’ 16Tobit ging daar meteen naartoe, vol blijdschap en God lovend, om zijn schoondochter te verwelkomen. De inwoners van Nineve zagen hem lopen en verbaasden zich erover dat hij dat helemaal op eigen kracht deed, zonder door iemand te worden geleid. 17Tobit bleef tegenover iedereen zijn dank aan God betuigen, omdat God zich over hem had ontfermd en zijn ogen weer geopend had. Toen hij Sara ontmoette, de vrouw van zijn zoon Tobias, zegende hij haar. ‘Welkom, dochter,’ zei hij, ‘gezegend zij God, die je bij ons heeft gebracht. Gezegend is je vader, en gezegend zijn jij en mijn zoon Tobias. Wees welkom in het huis dat nu ook jouw huis is. Ik wens je gezondheid, veel zegen en veel vreugde toe. Welkom, dochter.’

Die dag was er een van vreugde voor alle Joden in Nineve. 18Tobits neven Achikar en Nadab kwamen naar hem toe om in zijn blijdschap te delen.

12

Rafaël maakt zich bekend

121Toen het bruiloftsfeest voorbij was, zei Tobit tegen zijn zoon Tobias: ‘Jongen, betaal je reisgenoot zijn loon uit en geef hem ook een extra bedrag.’ 2‘Hoeveel moet ik hem betalen?’ vroeg Tobias. ‘Ik kan hem makkelijk de helft van de bezittingen geven die ik heb meegebracht. 3Hij heeft me veilig en wel teruggebracht, mijn vrouw van die demon bevrijd, samen met mij voor het geld gezorgd en u genezen. Hoeveel extra zal ik hem geven?’ 4Tobit antwoordde: ‘Het is niet meer dan rechtvaardig dat hij de helft krijgt van alles wat hij heeft meegebracht.’ 5Tobias liet Rafaël roepen en zei tegen hem: ‘Neem als beloning de helft van mijn bezittingen; ik hoop dat het je verder goed gaat.’

6Toen nam Rafaël Tobit en Tobias apart, en hij zei tegen hen: ‘Prijs God, dank hem ten overstaan van alle mensen voor al het goede dat hij jullie heeft gebracht. Prijs hem, bezing zijn naam. Vertel aan iedereen wat hij heeft gedaan, geef hem de eer en wacht niet om hem te danken. 7De geheimen van een koning kunnen beter verborgen blijven, maar wat God doet moet bekend worden gemaakt en tot zijn eer worden geroemd. Doe het goede, dan zal het kwaad je niet treffen. 8

12:8-9
Tob. 4:6-11
12:8
Spr. 11:4
16:8
Sir. 29:8-13
Een oprecht gebed vanuit een oprecht gemoed en een gift uit eerlijk verworven bezit zijn beter dan oneerlijk verkregen rijkdom. Het is beter anderen te helpen dan goud op te hopen. 9
12:9
Dan. 4:24
Sir. 3:31
Vrijgevigheid behoedt je voor een vroegtijdige dood en neemt al je zonden weg. Wie anderen helpt zal lang leven, 10maar wie zondigt en onrecht doet is de vijand van zijn eigen bestaan. 11Ik zal jullie de waarheid vertellen en niets voor jullie achterhouden. Zei ik niet dat men de geheimen van een koning verborgen moet houden, maar Gods daden bekend moet maken en ze roemen? 12
12:12
Tob. 3:16
Toen jij, Tobit, bad, en toen Sara bad, was ik het die jullie gebeden voor de troon van de Heer bracht. Toen je de doden begroef deed ik dat eveneens. 13En toen je zonder aarzeling je maaltijd verliet om die dode te begraven, 14
12:14
Tob. 3:17
werd ik naar je toe gestuurd om je op de proef te stellen. Maar God stuurde me ook om jou en je schoondochter Sara te bevrijden. 15
12:15
Zach. 4:10
Luc. 1:19
Op. 8:2
Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die in de nabijheid van de troon van de Heer verkeren.’ 16Toen Tobit en Tobias dit hoorden, wierpen ze zich ontzet en vol angst ter aarde, 17maar Rafaël stelde hen gerust: ‘Wees niet bang, jullie hebben niets te vrezen, prijs God tot in alle eeuwigheid. 18Mijn aanwezigheid hadden jullie niet aan mij te danken, God heeft het zo gewild. Prijs hem, loof hem elke dag. 19
12:19
Recht. 13:16
Luc. 24:41-43
Ik was bij jullie, maar heb al die tijd niets gegeten. Wat jullie zagen was een verschijning. 20
12:20
Recht. 13:20
Joh. 20:17
Nu dan, prijs de Heer hier op aarde, dank God. Ik ga nu terug naar hem die mij heeft gestuurd. Stel alles wat jullie hebben meegemaakt te boek.’ En Rafaël steeg op naar de hemel. 21Toen Tobit en Tobias waren opgestaan, zagen ze hem niet meer. 22Ze prezen en loofden God en dankten hem voor alle wonderbare daden die hij had verricht in de tijd dat de engel hun verschenen was.