Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31

3:1
Hoogl. 5:6
’s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

2Laat ik opstaan, rondgaan in de stad,

laat ik in de straten, op de pleinen,

zoeken naar mijn allerliefste.

Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.

3

3:3
Hoogl. 5:7
De wachters vinden mij

op hun ronde door de stad.

‘Hebben jullie mijn lief ook gezien?’

4

3:4
Hoogl. 8:2
Nog maar nauwelijks ben ik hun voorbij

of ik vind mijn lief.

Ik grijp hem vast en laat hem niet meer los

tot ik hem gebracht heb in mijn moeders huis,

in de kamer van haar die mij baarde.

5

3:5
Hoogl. 2:7
5:8
8:4
Meisjes van Jeruzalem,

ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

Meisjes

6

3:6
Hoogl. 6:10
8:5
Wie is zij,

die daar komt uit de woestijn

als een zuil van rook,

in een wolk van wierook en mirre,

in een geur van kostbare kruiden?

7Kijk! Salomo’s draagstoel,

omringd door zestig helden

uit de keurtroepen van Israël,

8allen met de hand op het zwaard,

geoefend in de strijd,

ieder met het zwaard op de heup,

bedacht op nachtelijk gevaar.

9Een draagkoets maakte koning Salomo,

een koets van cederhout.

10De stijlen zijn van zilver,

het baldakijn van goud,

de zetel is van purper.

Hij is versierd met tekens van liefde

door de meisjes van Jeruzalem.

11Kom kijken, meisjes van Sion,

kijk naar koning Salomo!

Kijk! De kroon waarmee zijn moeder hem tooide

op zijn bruiloftsdag,

de dag die zijn hart zo verblijdt.

4
Hij

41

4:1-3
Hoogl. 6:5-7
Je bent zo mooi, vriendin van mij,

je bent zo mooi!

Je ogen zijn duiven,

door je sluier heen.

Je haar golft als een kudde geiten

die afdaalt van Gileads bergen.

2Je tanden zijn als witte schapen:

klaar voor de scheerder

komen ze twee aan twee uit het water,

er ontbreekt er niet een.

3Als een koord van karmozijn zijn je lippen,

je mond is betoverend.

Als het rood van een granaatappel

fonkelt je lach,

door je sluier heen.

4Je hals is als de toren van David,

die in ringen is gebouwd,

die met schilden is behangen,

met wel duizend schilden van helden.

5

4:5
Hoogl. 7:4
Je borsten zijn als kalfjes,

als de tweeling van een gazelle,

die tussen de lelies weidt.

6Nu de dag weer ademt

en het duister vlucht,

ga ik naar de mirreberg,

ga ik naar de wierookheuvel.

7Vriendin, aan jou is alles mooi,

niets ontsiert je schoonheid.

8Mijn bruid, ga met me mee,

kom mee, weg van de Libanon.

Daal af van de top van de Amana,

de top van de Senir, de Hermon.

Weg van de bergen waar leeuwen huizen,

weg van de holen waar panters schuilen.

9Zusje, bruid van mij,

je brengt me in vervoering,

je brengt me in verrukking

met maar één blik van je ogen,

met één flonker van je ketting.

10

4:10
Hoogl. 1:2-4
Zusje, bruid van mij,

hoe heerlijk is jouw liefde,

hoeveel zoeter nog dan wijn.

Hoeveel zoeter is je geur

dan alle balsems die er zijn.

11

4:11
Hos. 14:7
Mijn bruid, je lippen druipen van honing,

melk en honing proef ik onder je tong,

je kleed geurt naar de Libanon.

12

4:12-16
Hoogl. 6:2
Zusje, bruid,

een besloten hof ben jij,

een gesloten tuin,4:12 een gesloten tuin – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften, de Septuaginta, de Targoem en de Vulgata. MT: ‘een gesloten steenhoop’.

een verzegelde bron.

13Aan jou ontspruit een boomgaard vol granaatappels,

met een overvloed aan vruchten,

hennabloemen, nardusplanten,

14nardus en saffraan, kalmoes en kaneel,

wierookbomen, allerlei soorten,

mirre, aloë,

balsems, allerfijnst.

15

4:15
Spr. 5:15-16
Je bent een bron omringd door tuinen,

een put met helder water,

een bergbeek van de Libanon.

Zij

16Ontwaak, noordenwind! Kom, zuidenwind!

Waai door mijn hof,

laat zijn balsems geuren.

Mijn lief moet in zijn hof komen,

laat hij daar zijn zoete vruchten proeven.

5
Hij

51Hier ben ik in mijn hof,

zusje, bruid van mij.

Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,

ik eet mijn honing uit mijn honingraat,

ik drink mijn melk en mijn wijn.

Meisjes

Eet, vriend en vriendin!

Drink, en word dronken van liefde!

Zij

2Ik sliep, maar mijn hart was wakker.

Hoor! Mijn lief klopt aan!

‘Doe open, zusje, mijn vriendin,

mijn duif, mijn allermooiste.

Mijn hoofd is nat van de dauw,

mijn lokken vochtig van de nacht.’

3‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,

moet ik het weer aandoen?

En ik heb mijn voeten al gewassen,

moet ik ze weer vuil maken?’

4Mijn lief stak zijn hand naar binnen,

een siddering trok door mij heen – om hem!

5Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.

Mijn handen dropen van mirre,

mirre vloeide van mijn vingers

op de grendel van de deur.

6

5:6
Hoogl. 3:1
En ik deed open voor mijn lief,

maar hij was weg,

mijn lief was weggegaan.

Een duizeling beving mij

toen ik zag dat hij er niet meer was.

Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,

ik riep hem, maar hij antwoordde niet.

7

5:7
Hoogl. 3:3
De wachters vonden mij

op hun ronde door de stad.

Ze sloegen mij, ze verwondden mij,

ze rukten mij de sluier af,

de wachters van de muren.

8

5:8
Hoogl. 3:5
8:4
Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,

als jullie mijn lief vinden,

wat zeggen jullie tegen hem?

Dat ik ziek van liefde ben.

Meisjes

9Wat heeft jouw lief meer dan een ander,

mooiste van alle vrouwen?

Wat heeft jouw lief meer dan een ander,

dat je ons dit zo bezweert?

Zij

10Mijn lief glanst en schittert,

hij steekt boven duizenden uit.

11Zijn hoofd is van goud, het zuiverste goud,

zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.

12Zijn ogen zijn als duiven

bij een stromende beek,

die baden in water,

die gedompeld zijn in melk.

13Zijn wangen zijn als balsemtuinen,

die overheerlijk geuren.5:13 die overheerlijk geuren – Volgens de Septuaginta, de Targoem en de Vulgata. MT: ‘torens van geurige stoffen’.

Zijn lippen zijn als lelies,

die druipen van vloeiende mirre.

14Zijn armen zijn als staven van goud,

met turkoois bezet.

Zijn buik is als een schijf van ivoor,

versierd met saffier.

15Zijn benen zijn als zuilen van albast,

op voetstukken van zuiver goud.

Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.

16Zijn mond is zoet,

aan hem is alles begeerlijk.

Dit is mijn lief, dit is mijn vriend,

meisjes van Jeruzalem!