Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4-5
Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3
3:3
Ps. 89:31-38
2 Tim. 2:13
Maar wat is daarvan de zin? Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw? 4
3:4
Ps. 51:6
116:11
Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘U blijkt rechtvaardig wanneer u rechtspreekt, u overwint wanneer u vonnist.’ 5
3:5
Job 34:12,17
Rom. 1:17
Maar wanneer het onrecht dat wij doen bewijst dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo – ik redeneer nu zoals anderen zouden doen – dat God onrechtvaardig is wanneer hij ons toch nog veroordeelt? 6Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8
3:8
Rom. 6:1,15
Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen.

9

3:9
Rom. 3:23
Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10
3:10-12
Ps. 14:1-3
53:2-4
3:10
Pred. 7:20
Zo staat er ook geschreven:

‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één,

11er is geen mens verstandig,

er is geen mens die God zoekt.

12Allen hebben ze zich afgewend,

heel de mensheid is verdorven.

Er is geen mens die nog het goede doet,

er is er zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
140:4
Hun keel is een open graf,

hun tong is bedrieglijk,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder,

14

3:14
Ps. 10:7
hun mond is vol vervloeking en venijn.

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
Ze haasten zich om bloed te vergieten,

16brengen ellende en vernietiging.

17

3:17
Jes. 59:8
De weg van de vrede kennen ze niet,

18

3:18
Ps. 36:2
angst voor God kennen ze niet.’

19Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20
3:20
Ps. 143:2
Rom. 7:7
Gal. 2:16
Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen.

Rechtvaardig voor God door het geloof in Jezus Christus

21Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: 22

3:22
Rom. 10:12
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. 23
3:23
Rom. 3:9
5:12
Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24
3:24
Ef. 1:7
Tit. 3:7
en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. 25-26
3:25-26
Hand. 17:30
1 Joh. 2:2
Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.

27

3:27
Ef. 2:8-9
Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft. 28
3:28
Gal. 2:16
Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven. 29
3:29
Rom. 10:12
Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, 30
3:30
Deut. 6:4
Rom. 4:11-12
Gal. 3:20
want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen. 31Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist.

4

Abraham

41Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? 2Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3

4:3
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 4Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een gunst maar als een recht. 5Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard. 6Zo prijst ook David de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard zonder dat hij enige verdienste heeft: 7
4:7-8
Ps. 32:1-2
‘Gelukkig is de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet telt.’ 9
4:9
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
Prijzen deze woorden een besneden of een onbesneden mens gelukkig? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem werd toegerekend als een daad van gerechtigheid. 10Maar wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor? Het laatste, toen hij nog niet besneden was. 11
4:11-12
Gen. 17:10-11
Rom. 3:30
De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 12En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. 13
4:13-18
Sir. 44:19-21
4:13
Gen. 12:7
17:4-6
Gal. 3:29
Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt. 14
4:14
Gal. 3:18
Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15
4:15
Rom. 5:13
7:8
De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16
4:16
Gal. 3:7
Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17
4:17
Gen. 17:5
2 Kor. 1:9
Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18
4:18
Gen. 15:5
Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19
4:19
Gen. 17:17
En zijn geloof verzwakte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn krachten hem hadden verlaten en Sara niet langer vruchtbaar was. 20Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22
4:22
Rom. 4:3,9
en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23En dit is niet alleen voor hem geschreven, 24
4:24
1 Petr. 1:21
maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25
4:25
Jes. 53:5,11-12
hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.

5

Leven in vrede met God

51Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus. 2Dankzij hem hebben we door het geloof toegang gekregen tot Gods genade, die ons fundament is, en in de hoop te mogen delen in zijn luister prijzen we ons gelukkig. 3

5:3
Jak. 1:2-4
1 Petr. 4:13-14
En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, 4volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop. 5
5:5
Hand. 2:17
Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is. 6
5:6
1 Petr. 3:18
Toen wij nog hulpeloos waren is Christus immers voor ons, die op dat moment nog schuldig waren, gestorven. 7Er is bijna niemand die voor een rechtvaardig mens wil sterven; slechts een enkeling durft voor een goed mens zijn leven te geven. 8
5:8
Rom. 3:25-26
8:32
Maar God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren. 9
5:9
1 Tes. 1:10
Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld. 10
5:10
2 Kor. 5:18
Kol. 1:21-22
Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven. 11En meer nog, dat wij God prijzen danken we aan onze Heer Jezus Christus, door wie we nu al met God zijn verzoend.

12

5:12
Gen. 3:2-7
Rom. 3:23
Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd. 13
5:13
Rom. 4:15
7:8
Er was al zonde in de wereld voordat de wet er was; alleen, zonder wet wordt er van de zonde geen rekening bijgehouden. 14
5:14
1 Kor. 15:45
Toch heerste de dood in de tijd van Adam tot Mozes over alle mensen, ook al begingen ze met hun zonden niet dezelfde overtreding als Adam. Nu is Adam de voorafbeelding van hem die komen zou. 15
5:15-19
1 Kor. 15:21-22
Maar de genade gaat zijn overtreding verre te boven. Door de overtreding van één mens moesten alle mensen sterven, maar de genade die God aan alle mensen schenkt door die ene mens, Jezus Christus, is veel overvloediger. 16Dit geschenk gaat het gevolg van de zonde van één mens verre te boven, want die ene overtreding heeft tot veroordeling geleid, maar de genade die na talloze overtredingen geschonken werd, heeft tot vrijspraak geleid. 17Als de dood heeft geheerst door de overtreding van één mens, is het des te zekerder dat allen die de genade en de vrijspraak in zo’n overvloed hebben ontvangen, zullen heersen in het eeuwige leven, dankzij die ene mens, Jezus Christus. 18Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven. 19Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden. 20
5:20
Rom. 4:15
En later is de wet erbij gekomen, zodat de overtredingen toenamen; maar waar de zonde toenam, werd ook de genade steeds overvloediger. 21Zoals de zonde heeft geheerst en tot de dood heeft geleid, zo moest door de vrijspraak de genade heersen en tot het eeuwige leven leiden, dankzij Jezus Christus, onze Heer.