Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

21

2:1
Mat. 7:1-2
Luc. 6:37
Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook. 2Wij weten dat God hen die dergelijke dingen doen terecht veroordeelt. 3Of denkt u soms dat u, die zelf doet wat u in anderen veroordeelt, de straf van God kunt ontlopen? 4
2:4
Wijsh. 11:23
2 Petr. 3:9
Veracht u dan zijn onbegrensde goedheid, geduld en verdraagzaamheid, en weet u niet dat zijn goedheid u tot inkeer wil brengen? 5Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, maakt u dat de straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt. 6
2:6
Ps. 62:13
Spr. 24:12
Mat. 16:27
2 Tim. 4:14
Op. 2:23
22:12
God beloont ieder mens naar zijn daden. 7Aan wie het goede doet en daarin volhardt, aan wie glorie, eer en onsterfelijkheid zoekt, schenkt hij het eeuwige leven. 8Maar wie handelt uit geldingsdrang, de waarheid niet eerbiedigt en zich laat leiden door onrecht, straft hij met zijn toorn en woede. 9Iedereen die het slechte doet wacht leed en ellende, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 10Iedereen die het goede doet wacht glorie, eer en vrede, de Joden in de eerste plaats, maar ook de andere volken. 11
2:11
Deut. 10:17
Hand. 10:34
Gal. 2:6
Ef. 6:9
1 Petr. 1:17
God maakt geen onderscheid.

12Allen die gezondigd hebben zonder de wet te kennen, zullen ook zonder de wet verloren gaan; en allen die gezondigd hebben terwijl ze de wet wel kennen, zullen door de wet worden veroordeeld. 13Niet wie de wet slechts aanhoort zal voor God rechtvaardig zijn, maar wie de wet naleeft. 14Wanneer namelijk heidenen, die de wet niet hebben, de wet van nature naleven, dan zijn ze zichzelf tot wet, ook al hebben ze hem niet. 15Ze bewijzen door hun daden dat wat de wet eist in hun hart geschreven staat; en hun geweten bevestigt dit, omdat ze zichzelf met hun gedachten beschuldigen of vrijpleiten. 16

2:16
Pred. 12:14
1 Kor. 4:5
2 Kor. 5:10
Dit alles zal blijken op de dag waarop, volgens het evangelie dat ik verkondig, God door Christus Jezus oordeelt over wat er in de mens verborgen is.

De Joden en de wet

17En u die uzelf een Jood noemt, op de wet vertrouwt en u op God laat voorstaan; 18u die zijn wil kent en zo uitstekend weet waar het op aankomt, omdat u wordt onderwezen door de wet; 19

2:19
Mat. 15:14
Joh. 9:40-41
u die ervan overtuigd bent dat u zelf een leidsman van blinden bent, een licht voor hen die in het duister zijn, 20een opvoeder van onverstandigen, een leraar van onwetenden, omdat u in de wet de belichaming van de kennis en de waarheid hebt – 21
2:21-23
Ps. 50:16-21
u die anderen onderwijst, onderwijst u uzelf eigenlijk wel? U zegt dat men niet stelen mag, maar steelt u niet zelf? 22U zegt dat men geen overspel mag plegen, maar pleegt u zelf geen overspel? U verafschuwt afgodsbeelden, maar pleegt u zelf geen heiligschennis? 23
2:23
Joh. 7:19
U laat u voorstaan op de wet, maar onteert God door de wet te overtreden, 24
2:24
Jes. 52:5
Ezech. 36:20-22
want er staat geschreven: ‘Door uw toedoen wordt de naam van God onder de volken gelasterd.’ 25
2:25-29
1 Kor. 7:19
2:25
Gal. 5:3
Dat u besneden bent strekt u weliswaar tot voordeel wanneer u de wet naleeft, maar wanneer u de wet overtreedt bent u toch in wezen onbesneden. 26En wanneer iemand die niet besneden is de voorschriften van de wet in acht neemt, zal hij dan door God niet als besneden worden beschouwd? 27Wie onbesneden is gebleven maar zich aan de wet houdt, zal zijn oordeel vellen over u die, ook al hebt u de wet op schrift en bent u besneden, de wet overtreedt. 28Jood is men niet door zijn uiterlijk, en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. 29
2:29
Deut. 30:6
Jer. 4:4
Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God.

3

31Wat hebben de Joden dan nog voor op anderen? Heeft het enig nut dat men besneden is? 2

3:2
Ps. 147:19
Rom. 9:4-5
Zeer zeker, en in ieder opzicht. In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God zijn woord heeft toevertrouwd. 3
3:3
Ps. 89:31-38
2 Tim. 2:13
Maar wat is daarvan de zin? Wanneer sommigen van hen God ontrouw zijn geworden, zal dat dan geen einde maken aan Gods trouw? 4
3:4
Ps. 51:6
116:11
Natuurlijk niet. Ieder mens is onbetrouwbaar, maar God is betrouwbaar, zoals ook geschreven staat: ‘U blijkt rechtvaardig wanneer u rechtspreekt, u overwint wanneer u vonnist.’ 5
3:5
Job 34:12,17
Rom. 1:17
Maar wanneer het onrecht dat wij doen bewijst dat God rechtvaardig is, is het dan niet zo – ik redeneer nu zoals anderen zouden doen – dat God onrechtvaardig is wanneer hij ons toch nog veroordeelt? 6Dat in geen geval. Hoe kan God anders rechter van de wereld zijn? 7Maar wanneer door mijn onbetrouwbaarheid Gods trouw alleen maar toeneemt en daardoor ook zijn eer, waarom word ik dan toch nog als een zondaar veroordeeld? 8
3:8
Rom. 6:1,15
Kunnen we niet beter het kwade doen, opdat het goede eruit voortkomt? Er wordt gezegd dat wij dat beweren, maar wie ons zo belastert zal zijn gerechte straf niet ontlopen.

9

3:9
Rom. 3:23
Wat betekent dit alles? Zijn we als Joden nu bevoordeeld? Niet in alle opzichten, want ik heb immers al heel duidelijk gemaakt dat allen, zowel de Joden als de andere volken, in de macht van de zonde zijn. 10
3:10-12
Ps. 14:1-3
53:2-4
3:10
Pred. 7:20
Zo staat er ook geschreven:

‘Er is geen mens rechtvaardig, zelfs niet één,

11er is geen mens verstandig,

er is geen mens die God zoekt.

12Allen hebben ze zich afgewend,

heel de mensheid is verdorven.

Er is geen mens die nog het goede doet,

er is er zelfs niet één.

13

3:13
Ps. 5:10
140:4
Hun keel is een open graf,

hun tong is bedrieglijk,

achter hun lippen schuilt het gif van een adder,

14

3:14
Ps. 10:7
hun mond is vol vervloeking en venijn.

15

3:15
Spr. 1:16
Jes. 59:7
Ze haasten zich om bloed te vergieten,

16brengen ellende en vernietiging.

17

3:17
Jes. 59:8
De weg van de vrede kennen ze niet,

18

3:18
Ps. 36:2
angst voor God kennen ze niet.’

19Wij weten dat de wet in alles wat hij zegt alleen tot degenen spreekt die aan de wet zijn onderworpen. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. 20
3:20
Ps. 143:2
Rom. 7:7
Gal. 2:16
Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen.

Rechtvaardig voor God door het geloof in Jezus Christus

21Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar: 22

3:22
Rom. 10:12
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid. 23
3:23
Rom. 3:9
5:12
Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; 24
3:24
Ef. 1:7
Tit. 3:7
en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. 25-26
3:25-26
Hand. 17:30
1 Joh. 2:2
Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft. Hiermee bewijst God dat hij rechtvaardig is, want in zijn verdraagzaamheid gaat hij voorbij aan de zonden die in het verleden zijn begaan. Hij wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.

27

3:27
Ef. 2:8-9
Kunnen wij ons dan nog ergens op laten voorstaan? Dat is uitgesloten. En door welke wet komt dat? Door de wet die eist dat u hem naleeft? Nee, door de wet die eist dat u gelooft. 28
3:28
Gal. 2:16
Ik heb u er immers op gewezen dat een mens wordt vrijgesproken door te geloven, en niet door de wet na te leven. 29
3:29
Rom. 10:12
Is God soms alleen de God van de Joden en niet die van de heidenen? Zeker ook die van de heidenen, 30
3:30
Deut. 6:4
Rom. 4:11-12
Gal. 3:20
want er is maar één God, en hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen. 31Stellen wij door het geloof de wet buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de wet juist.

4

Abraham

41Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader Abraham? 2Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God, 3

4:3
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
want wat zegt de Schrift? ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.’ 4Iemand die zijn loon verdient, krijgt het niet als een gunst maar als een recht. 5Maar iemand zonder verdienste, die echter vertrouwt op hem die de schuldige vrijspreekt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard. 6Zo prijst ook David de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard zonder dat hij enige verdienste heeft: 7
4:7-8
Ps. 32:1-2
‘Gelukkig is de mens wiens onrecht is vergeven, wiens zonden zijn bedekt; 8gelukkig is de mens wiens zonden de Heer niet telt.’ 9
4:9
Gen. 15:6
Gal. 3:6
Jak. 2:23
Prijzen deze woorden een besneden of een onbesneden mens gelukkig? We zagen al dat Abrahams vertrouwen hem werd toegerekend als een daad van gerechtigheid. 10Maar wanneer gebeurde dat? Toen hij al besneden was of daarvoor? Het laatste, toen hij nog niet besneden was. 11
4:11-12
Gen. 17:10-11
Rom. 3:30
De besnijdenis ontving hij later als een bezegeling en teken dat hij als onbesnedene rechtvaardig was omdat hij op God vertrouwde. Zo werd hij de vader van alle onbesnedenen die geloven, zodat ook zij als rechtvaardigen konden worden aangenomen. 12En hij werd eveneens de vader van hen die besneden zijn, althans van hen die zich niet alleen hebben laten besnijden maar ook onze vader Abraham volgen in het geloof dat hij als onbesnedene bezat. 13
4:13-18
Sir. 44:19-21
4:13
Gen. 12:7
17:4-6
Gal. 3:29
Immers, niet door de wet ontvingen Abraham en zijn nageslacht de belofte dat ze de wereld in bezit zouden krijgen, maar door de gerechtigheid die het geloof schenkt. 14
4:14
Gal. 3:18
Als men op grond van de wet erfgenaam zou zijn, zou het geloof zijn betekenis hebben verloren en de belofte zijn ontkracht. 15
4:15
Rom. 5:13
7:8
De wet maakt namelijk alleen dat God straft, want zonder wet is er ook geen overtreding. 16
4:16
Gal. 3:7
Maar de belofte had alles te maken met vertrouwen omdat ze een gave van God moest zijn, want alleen zo kon ze voor heel het nageslacht blijven gelden. Niet alleen voor wie de wet heeft, maar ook voor wie op God vertrouwt zoals Abraham, die de vader van ons allen is. 17
4:17
Gen. 17:5
2 Kor. 1:9
Er staat immers geschreven: ‘Ik heb je een vader van vele volken gemaakt.’ En hij is dit ten overstaan van God, op wie hij vertrouwde, die de doden levend maakt en in het leven roept wat niet bestaat. 18
4:18
Gen. 15:5
Hoewel het eigenlijk niet kon, bleef Abraham hopen en geloven dat hij de vader van vele volken zou worden, zoals hem was beloofd: ‘Zo talrijk zullen je nakomelingen zijn.’ 19
4:19
Gen. 17:17
En zijn geloof verzwakte niet toen hij, ongeveer honderd jaar oud, besefte dat zijn krachten hem hadden verlaten en Sara niet langer vruchtbaar was. 20Hij twijfelde niet aan Gods belofte; zijn geloof verloor hij niet, integendeel, hij werd erin gesterkt en bewees zo eer aan God. 21Hij was ervan overtuigd dat God bij machte was te doen wat hij had beloofd, 22
4:22
Rom. 4:3,9
en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend. 23En dit is niet alleen voor hem geschreven, 24
4:24
1 Petr. 1:21
maar ook voor ons, want ook wij zullen als rechtvaardigen worden aangenomen omdat we geloven in hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt: 25
4:25
Jes. 53:5,11-12
hij die werd prijsgegeven om onze zonden en werd opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.