Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

Israëls redding, bescheidenheid voor de heidenen

111

11:1
Ps. 94:14
2 Kor. 11:22
Filip. 3:5
Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet. Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam Benjamin. 2God heeft zijn volk, dat hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Elia zegt, hoe hij Israël bij God aanklaagt? 3
11:3
1 Kon. 19:10,14
‘Heer, uw profeten hebben ze gedood, uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ 4
11:4
1 Kon. 19:18
Maar hoe luidt het antwoord van God aan hem? ‘Ik heb zevenduizend mensen voor mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ 5
11:5
Rom. 9:27
Zo is ook nu een klein deel over dat God uit genade uitgekozen heeft. 6Maar wanneer ze uit genade zijn uitgekozen, dan is dat niet omdat ze de wet naleven, want in dat geval zou de genade geen genade meer zijn.

7

11:7
Rom. 9:31
Wat betekent dit alles? Wat Israël heeft nagestreefd, heeft het niet bereikt; alleen zij die zijn uitgekozen hebben het bereikt. De overigen werden onbuigzaam, 8
11:8
Deut. 29:3
Jes. 29:10
zoals ook geschreven staat: ‘God heeft hun geest verdoofd, hun ogen blind gemaakt en hun oren doof, tot op de dag van vandaag.’ 9
11:9-10
Ps. 69:23-24
En David zegt: ‘Laat hun tafel een valstrik worden, een strik, een valkuil en een straf. 10Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, krom hun rug voorgoed.’ 11
11:11
Rom. 10:19
Maar nu vraag ik weer: ze zijn toch niet gestruikeld om ten val te komen? Dat in geen geval, maar door hun overtreding konden de heidenen worden gered en daarop moesten zij afgunstig worden. 12Maar als hun overtreding al een rijke gave voor de wereld is en hun falen een rijke gave voor de heidenen, hoeveel rijker zal dan de gave zijn wanneer zij zich allen hebben bekeerd. 13Ik spreek nu tot degenen onder u die uit heidense volken komen. Zeker, ik ben een apostel voor de heidenen, maar ik schat mijn taak juist dáárom zo hoog 14omdat ik hoop afgunst bij mijn volksgenoten op te wekken en een deel van hen te redden. 15Als God de wereld met zich heeft verzoend toen hij hen verwierp, wat zal hij dan, wanneer hij hen opnieuw aanvaardt, anders teweegbrengen dan hun opstanding uit de dood? 16Als een klein deel van het deeg aan God is gewijd, is al het andere deeg het ook; als de wortel aan God is gewijd, zijn de takken het ook. 17En als nu sommige takken van de edele olijfboom zijn afgebroken en u, loten van een wilde olijfboom, tussen de overgebleven takken bent geënt en mag delen in de vruchtbaarheid van de wortel, 18dan moet u zich niet boven de takken verheffen. Als u dat doet, moet u goed bedenken dat niet u de wortel draagt, maar de wortel u. 19Maar nu zult u tegenwerpen: ‘Die takken zijn toch afgebroken zodat ik geënt kon worden?’ 20Zeker, ze zijn afgebroken vanwege hun ongeloof en u dankt uw plaats aan uw geloof. Wees daarom echter niet hoogmoedig, maar heb ontzag voor God: 21als hij de oorspronkelijke takken al niet heeft gespaard, zou hij u dan wel sparen? 22Houd daarom voor ogen dat God niet alleen goed is, maar ook streng. Hij is streng voor wie gevallen zijn, maar goed voor u – als u tenminste trouw blijft aan zijn goedheid, want anders wordt ook u afgekapt. 23En als de Israëlieten niet volharden in hun ongeloof, zullen ook zij worden geënt, want God is bij machte hen opnieuw te enten. 24Immers, als u die van nature een tak van de wilde olijfboom bent, tegen de natuur in op de edele olijfboom bent geënt, hoeveel eerder zullen dan zij die er van nature bij horen, op die boom worden geënt!

25Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle heidenen zijn toegetreden. 26

11:26
Jes. 59:20
Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht. 27
11:27
Jer. 31:33-34
Hebr. 8:10-12
10:16-17
Dit is mijn verbond met hen, wanneer ik hun zonden wegneem.’ 28Ze zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan u kon worden verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat hij de aartsvaders heeft uitgekozen. 29
11:29
Num. 23:19
1 Sam. 15:29
De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan. 30Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden. 32
11:32
Gal. 3:22
Want God heeft ieder mens uitgeleverd aan de ongehoorzaamheid, opdat hij voor ieder mens barmhartig kan zijn.

33

11:33
Job 5:9
Jes. 55:8
Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. 34
11:34
Job 15:8
Jes. 40:13
1 Kor. 2:16
‘Wie kent de gedachten van de Heer, wie was ooit zijn raadsman? 35
11:35
Job 41:3
Wie heeft hem iets gegeven dat door hem moest worden terugbetaald?’ 36
11:36
1 Kor. 8:6
Kol. 1:16-17
Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.

12

Leef volgens de wil van God

121Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. 2

12:2
Ef. 4:23
5:17
U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.

3

12:3
Rom. 15:15
Filip. 2:3
Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig over uzelf moet denken. Denk overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft gegeven. 4
12:4-5
1 Kor. 6:15
10:17
12:12,27
Kol. 3:15
Zoals ons ene lichaam vele delen heeft en die delen niet allemaal dezelfde functie hebben, 5zo zijn we samen één lichaam in Christus en zijn we, ieder apart, elkaars lichaamsdelen. 6
12:6
1 Kor. 12:4-11,28-30
Ef. 4:11-12
We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is. Wie de gave heeft te profeteren, moet die in overeenstemming met het geloof gebruiken. 7Wie de gave heeft bijstand te verlenen, moet bijstand verlenen. Wie de gave heeft te onderwijzen, moet onderwijzen. 8Wie de gave heeft te troosten, moet troosten. Wie iets weggeeft, moet dat zonder bijbedoeling doen. Wie leiding geeft, moet dat doen met volle inzet. Wie barmhartig voor een ander is, moet daarin blijmoedig zijn.

9

12:9
2 Kor. 6:6
Laat uw liefde oprecht zijn. Verafschuw het kwaad en wees het goede toegedaan. 10
12:10
Filip. 2:3
Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf. 11Laat uw enthousiasme niet bekoelen, maar laat u aanvuren door de Geest en dien de Heer. 12
12:12
Kol. 4:2
Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk. 13
12:13
1 Petr. 4:9
Bekommer u om de noden van de heiligen en wees gastvrij. 14
12:14
Mat. 5:44
Zegen uw vervolgers; zegen hen, vervloek hen niet. 15
12:15
Sir. 7:34
Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft. 16
12:16
Spr. 3:7
Jes. 5:21
Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht. 17
12:17
Spr. 20:22
1 Tes. 5:15
1 Petr. 3:9
Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. 18
12:18
Hebr. 12:14
Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. 19
12:19
Deut. 32:35
Mat. 5:39
Hebr. 10:30
Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’ 20
12:20
Spr. 25:21-22
Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd’. 21Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

13

131

13:1
Spr. 8:15
Wijsh. 6:3
Tit. 3:1
1 Petr. 2:13-17
Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt; ook het huidige gezag is door God ingesteld. 2Wie zich tegen dit gezag verzet, verzet zich dus tegen een instelling van God, en wie dat doet roept over zichzelf zijn veroordeling af. 3Wie doet wat goed is heeft van de gezagsdragers niets te vrezen, alleen wie doet wat slecht is. U wilt niets van de overheid te vrezen hebben? Doe dan wat goed is en ze zal u prijzen, 4want ze staat in dienst van God en is er voor uw welzijn. Maar wanneer u doet wat slecht is, kunt u haar beter vrezen: ze voert het zwaard niet voor niets, want ze staat in dienst van God, en door hem die het slechte doet zijn verdiende straf te geven, toont ze Gods toorn. 5U moet haar gezag dus erkennen, en niet alleen uit angst voor Gods toorn, maar ook omwille van uw geweten. 6Daarom betaalt u ook belasting en staat wie belasting int in dienst van God. 7
13:7
Mat. 22:21
Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wie ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt.

8Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. 9

13:9
Ex. 20:13-17
Lev. 19:18
Deut. 5:17-21
Mat. 19:19
22:39
Gal. 5:14
Jak. 2:8
Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 10
13:10
1 Kor. 13:4-7
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde.

11

13:11-14
Ef. 5:8-10
1 Tes. 5:4-8
U kent de huidige tijd: het moment is gekomen waarop u uit de slaap moet ontwaken, want de redding is ons meer nabij dan toen we tot geloof kwamen. 12De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. 13Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie. 14
13:14
Gal. 3:27
Omkleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt.