Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

Het lam en de zijnen; het oordeel

141

14:1
Ezech. 9:4
Joël 3:5
Ob. 17
Op. 7:4
Toen zag ik dit: het lam stond op de Sion, en bij het lam waren honderdvierenveertigduizend mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden. 2
14:2
Ezech. 1:24
Ik hoorde uit de hemel een geluid komen dat klonk als het geluid van geweldige watermassa’s, van zware donderslagen; het klonk als het geluid dat muzikanten maken die op de lier spelen. 3
14:3
Op. 5:9
Er werd voor de troon en voor de vier wezens en de oudsten iets gezongen dat leek op een nieuw lied. Niemand kon het lied begrijpen, behalve de honderdvierenveertigduizend mensen die van de aarde zijn vrijgekocht. 4Dat zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben afgegeven maar maagdelijk zijn gebleven. Zij volgen het lam waarheen het maar gaat. Ze zijn uit de mensheid vrijgekocht om als de eerste opbrengst te worden aangeboden aan God en aan het lam. 5
14:5
Sef. 3:13
Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken.

6

14:6
Op. 8:13
Toen zag ik opnieuw een engel, die hoog in de lucht vloog. Hij had een eeuwig evangelie dat hij bekend moest maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. 7
14:7
Ex. 20:11
Luid riep hij: ‘Heb ontzag voor God en geef hem eer, want nu is de tijd gekomen dat hij zijn oordeel zal vellen. Aanbid hem die hemel en aarde, zee en waterbronnen geschapen heeft.’ 8
14:8
Jes. 21:9
Jer. 51:7-8
Op. 18:2-3
Hij werd gevolgd door een tweede engel, die uitriep: ‘Gevallen, gevallen is Babylon, die grote stad, die door haar ontucht alle volken de wijn van haar wellust heeft laten drinken.’ 9
14:9
Op. 13:16
Zij werden gevolgd door een derde engel, die met luide stem riep: ‘Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of zijn hand krijgt, 10
14:10
Gen. 19:24
Ps. 11:6
75:9
Jes. 51:17,22
Jer. 25:15
Ezech. 38:22
Op. 16:19
19:15
zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken. Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het lam. 11
14:11
Jes. 34:10
Op. 19:3
De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ’s nachts niet.’

12

14:12
Op. 13:10
Hier komt het aan op de standvastigheid van de heiligen, die zich houden aan Gods geboden en aan de trouw van Jezus.

13Ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: ‘Schrijf op: “Gelukkig zijn zij die vanaf nu in verbondenheid met de Heer sterven.”’ En de Geest beaamt: ‘Zij mogen uitrusten van hun inspanningen, want hun daden vergezellen hen.’

14

14:14
Dan. 7:13
Toen zag ik dit: een witte wolk, en daarop zat iemand die eruitzag als een mens. Hij had een gouden krans op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. 15
14:15-16
Mat. 13:39
14:15
Jer. 51:33
Joël 4:13
Uit de tempel kwam een andere engel, die hem die op de wolk zat met luide stem toeriep: ‘Laat uw sikkel komen om te oogsten. Want de tijd om te oogsten is gekomen; de aarde is meer dan rijp voor de oogst.’ 16Toen wierp degene die op de wolk zat zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd geoogst. 17Er kwam een andere engel uit de hemelse tempel, die ook zo’n scherpe sikkel had. 18
14:18
Op. 6:9-10
8:3-5
Bij het altaar vandaan kwam weer een andere engel, degene die zeggenschap heeft over het vuur. Hij riep de engel met de scherpe sikkel luid toe: ‘Laat je scherpe sikkel komen om de druiven te oogsten in de wijngaard op de aarde, want de druiven zijn rijp.’ 19
14:19-20
Jes. 63:2-3
Joël 4:13
Op. 19:15
Toen wierp de engel zijn sikkel op de aarde, en hij oogstte de druiven in de wijngaard op de aarde en gooide ze in de grote perskuip van Gods woede. 20De wijnpers werd buiten de stad getreden. Er kwam een grote stroom bloed uit, zestienhonderd stadie lang en zo hoog als het bit bij een paard.

15

De zeven offerschalen

151Ik zag in de hemel opnieuw een indrukwekkend, wonderbaarlijk teken: het waren zeven engelen met de zeven laatste plagen, waarmee aan Gods woede een einde komt. 2

15:2
Op. 13:18
Toen zag ik iets als een zee van glas, vermengd met vuur. Op de glazen zee stonden zij die het beest, zijn beeld en het getal van zijn naam hadden overwonnen. Ze hadden lieren om daarop te spelen voor God. 3
15:3
Ex. 15:1-21
Deut. 32:4
Ps. 92:6
98:1
111:2
145:17
Ze zongen het lied van Gods dienaar Mozes en het lied van het lam:

‘Groot en wonderbaarlijk zijn uw werken, Heer, onze God, Almachtige,

rechtvaardig en betrouwbaar is uw bestuur, vorst van de volken.

4

15:4
Ps. 86:9
Jer. 10:7
Wie zou u, Heer, niet vereren, uw naam niet prijzen?

Want u alleen bent heilig.

Alle volken zullen komen en zich voor u neerbuigen,

want uw rechtvaardige daden zijn geopenbaard.’

5
15:5
Op. 11:19
Hierna zag ik de hemelse tempel, de verbondstent, opengaan. 6
15:6
Dan. 10:5
Op. 15:1
De zeven engelen met de zeven plagen kwamen naar buiten, in stralende kleren van zuiver linnen en met een gouden band om hun borst. 7Toen gaf een van de vier wezens aan alle zeven engelen een gouden offerschaal, vol met de woede van de God die leeft tot in eeuwigheid. 8
15:8
Ex. 40:34-35
1 Kon. 8:10-11
Jes. 6:4
Gods majesteit en kracht vulden de tempel met rook. Niemand kon de tempel binnengaan voordat aan de zeven plagen van de zeven engelen een einde was gekomen.
16

161

16:1-9
Op. 8:6-12
Toen hoorde ik een luide stem uit de tempel komen die tegen de zeven engelen zei: ‘Ga nu! Giet de zeven offerschalen met Gods woede leeg op de aarde!’ 2
16:2
Ex. 9:10
Op. 13:16
De eerste engel ging weg en goot zijn offerschaal leeg over de aarde. Alle mensen die het merkteken van het beest droegen en zijn beeld aanbaden, kregen kwaadaardige en pijnlijke zweren. 3
16:3-4
Ex. 7:14-24
Op. 8:8
De tweede engel goot zijn offerschaal leeg over de zee. Het water werd bloed, als het bloed van een dode, en alle wezens die in zee leefden kwamen om. 4
16:4
Ps. 78:44
Op. 8:10
11:6
De derde engel goot zijn offerschaal leeg over rivieren en waterbronnen, en het water werd bloed. 5
16:5
Op. 1:4
11:17
Ik hoorde de engel van al het water zeggen: ‘Rechtvaardig bent u, de heilige, die is en die was, omdat u op deze manier straft. 6
16:6
Jes. 49:26
Op. 18:24
Bloed van heiligen en profeten hebben zij vergoten, en bloed laat u hen drinken. Ze hebben het verdiend.’ 7
16:7
Op. 19:2
Ik hoorde het altaar antwoorden: ‘Ja, Heer, onze God, Almachtige, uw oordelen zijn betrouwbaar en rechtvaardig.’ 8
16:8
Op. 8:12
De vierde engel goot zijn offerschaal leeg over de zon, waardoor ze de mensen kon verbranden met haar vuur. 9
16:9
Op. 9:20
De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer. 10
16:10
Ex. 10:21-23
Jes. 8:22
Op. 9:1
De vijfde engel goot zijn offerschaal leeg over de troon van het beest. Zijn rijk werd in duisternis gehuld. De mensen beten op hun tong van de pijn. 11Ze lasterden de God van de hemel, vanwege hun pijn en hun zweren, en ze braken niet met het leven dat ze leidden. 12
16:12
Jes. 11:15-16
De zesde engel goot zijn offerschaal leeg over de grote rivier de Eufraat. De rivier viel droog en maakte de weg vrij voor de koningen uit het oosten. 13Toen zag ik dat uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten tevoorschijn kwamen in de vorm van kikkers. 14Dat zijn demonische geesten die tekenen verrichten en eropuit gaan om alle koningen op aarde bijeen te brengen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God.

15

16:15
Mat. 24:43-44
Luc. 12:39-40
1 Tes. 5:2
2 Petr. 3:10
Op. 3:3,18
‘Ik kom onverwacht als een dief!’ Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen.

16Ze brachten hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. 17

16:17
Jes. 66:6
Op. 21:6
De zevende engel goot zijn offerschaal leeg over de lucht. Toen klonk er uit de tempel een luide stem vanaf de troon, die uitriep: ‘Het is voorbij!’ 18
16:18
Ex. 19:16
Op. 4:5
6:12
8:5
11:13,19
Er volgden bliksemschichten en groot geraas en donderslagen. Er kwam een zware aardbeving, zo zwaar als nog niet was voorgekomen sinds er mensen op aarde waren; verschrikkelijk was die aardbeving. 19
16:19
Jer. 25:15
Op. 14:8,10
19:15
De grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van alle volken werden verwoest. Het grote Babylon moest het ontgelden: God gaf het de beker met de wijn van zijn hevige woede. 20
16:20
Op. 6:14
Alle eilanden verdwenen in het niets en van de bergen was geen spoor meer te vinden. 21
16:21
Ex. 9:22-25
Op. 11:19
Uit de hemel vielen loodzware hagelstenen op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van die hagel, want het was een vreselijke plaag.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]