Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
93

931

93:1
Ps. 96:10
104:5
De HEER is koning, met hoogheid is hij bekleed,

de HEER is met macht bekleed en omgord.

Vast staat de wereld, zij wankelt niet,

2

93:2
Ps. 90:2
en vast staat van oudsher uw troon,

u bent van alle eeuwigheden.

3De stromen verheffen, HEER,

de stromen verheffen hun stem,

luid verheffen de stromen hun stem.

4Maar boven het geraas van de wijde wateren,

van de machtige baren der zee,

is hoog in de hemel de machtige HEER.

5Uw uitspraken zijn betrouwbaar.

Heiligheid is van uw huis het sieraad,

HEER, tot in lengte van dagen.

94

941

94:1
Deut. 32:35
Nah. 1:2
God van vergelding, HEER,

God van vergelding, verschijn in luister.

2

94:2
Jer. 51:56
Klaagl. 3:64
Verhef u, rechter van de aarde,

geef de hoogmoedigen hun loon.

3

94:3-4
Jer. 12:1
Hoe lang nog zullen de wettelozen, HEER,

hoe lang nog zullen de wettelozen juichen,

4de onrechtvaardigen het hoogste woord

voeren en trotse taal uitslaan?

5Zij vertrappen uw volk, HEER,

onderdrukken uw liefste bezit,

6

94:6
Ex. 22:21-22
Deut. 24:17-22
weduwen en vreemdelingen doden ze,

kinderen zonder vader brengen ze om.

7

94:7
Ps. 10:11
Ezech. 9:9
‘De HEER ziet het niet,’ zeggen ze,

‘de God van Jakob merkt toch niets.’

8

94:8
Spr. 1:22
8:5
Kom tot inzicht, onverstandigen.

Dwazen, worden jullie ooit wijs?

9

94:9
Ex. 4:11
Spr. 20:12
Hij heeft het oor geplant – zou hij niet horen?

het oog gevormd – zou hij niet zien?

10Die de volken leidt, de mensen leert

en vermaant – zou hij niet straffen?

11

94:11
1 Kor. 3:20
De HEER kent de mensen,

niet meer dan lucht zijn hun gedachten.

12

94:12
Job 5:17
Gelukkig de mens, HEER, die door u wordt geleid

en onderwezen in uw wet en uw leer.

13Hij zal rust vinden in kwade dagen,

terwijl voor de wettelozen een kuil wordt gegraven.

14

94:14
Sir. 47:22
Nee, de HEER zal zijn volk niet verstoten,

zijn liefste bezit niet verlaten.

15De rechtspraak voegt zich weer naar het recht,

de oprechten van hart sluiten zich aan.

16Wie treedt voor mij op tegen die onrechtvaardigen,

wie beschermt mij tegen die schurken?

17Had de HEER mij niet geholpen,

dan woonde ik al in de stilte van het graf.

18Toen ik dacht: Mijn voet glijdt weg,

hield uw trouw mij staande, HEER.

19Toen ik door zorgen werd overstelpt,

was uw troost de vreugde van mijn ziel.

20Kiest u de kant van verdorven rechters,

die onheil stichten in naam van de wet?

21Ze spannen samen tegen de rechtvaardigen

en veroordelen onschuldigen ter dood!

22De HEER is mijn burcht geworden,

mijn God de rots waarop ik schuil.

23

94:23
Ps. 7:17
107:42
Spr. 5:22
Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen,

om hun onrecht brengt hij hen tot zwijgen,

de HEER, onze God, brengt hen voorgoed tot zwijgen.

95

951

95:1
Ps. 18:32
Kom, laten wij jubelen voor de HEER,

juichen voor onze rots, onze redding.

2Laten wij hem naderen met een loflied,

hem toejuichen met gezang.

3

95:3
Ps. 47:3
96:4
De HEER is een machtige God,

een machtige koning, boven alle goden verheven.

4Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde,

de toppen van de bergen behoren hem toe,

5

95:5
Ps. 24:1-2
van hem is de zee, door hem gemaakt,

en ook het droge, door zijn handen gevormd.

6Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding,

knielen voor de HEER, onze maker.

7

95:7-11
Hebr. 3:7-11
95:7-8
Ps. 81:9
95:7
Ps. 23:1-4
80:2
100:3
Ezech. 34:11-12
Ja, hij is onze God

en wij zijn het volk dat hij hoedt,

de kudde door zijn hand geleid.

Luister vandaag naar zijn stem:

8

95:8
Ex. 17:1-7
Num. 20:2-13
Deut. 6:16
Hebr. 4:7
‘Wees niet koppig als bij Meriba,

als die dag bij Massa, in de woestijn,

9toen jullie voorouders mij op de proef stelden,

mij tartten, al hadden ze mijn daden gezien.

10

95:10
Deut. 32:5,20
Veertig jaar voelde ik weerzin tegen hen.

Ik zei: “Het is een stuurloos volk

dat mijn wegen niet wil kennen.”

11

95:11
Num. 14:21-23
Deut. 1:34-35
Hebr. 3:18
4:3
En ik zwoer in mijn woede:

“Nooit gaan zij mijn rustplaats binnen!”’