Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
81

811Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf.

2Jubel voor God, onze sterkte,

juich voor de God van Jakob,

3zing een lied en sla de tamboerijn,

speel op de harp en de lieflijke lier,

4

81:4
Num. 10:10
blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan

en bij vollemaan voor onze feestdag,

5want dat is een opdracht aan Israël,

een voorschrift van Jakobs God.

6Daartoe verplichtte hij Jozef,

toen hij optrok tegen Egypte.

Onvermoede woorden hoor ik zeggen:

7

81:7
Ex. 6:6
‘Ik nam de last van je schouder,

je hand raakte geen draagkorf meer aan.

8

81:8
Ex. 17:7
19:19
Num. 20:13
Ps. 95:8
Riep je om hulp, ik redde uit de nood

en gaf antwoord uit het duister van de donder.

Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: sela

9“Hoor, mijn volk, ik moet je vermanen,

Israël, luister naar mij.

10

81:10-11
Ex. 20:2-3
Deut. 5:6-7
Laat geen andere god bij je toe,

buig je niet voor een vreemde god,

11ik ben de HEER, je God,

die je wegleidde uit Egypte –

open wijd je mond, ik zal hem vullen.”

12

81:12
Deut. 9:7
Maar mijn volk luisterde niet,

Israël wilde niet van mij weten.

13

81:13
Jer. 3:17
7:24
Toen liet ik hen begaan,

koppig volgden zij hun eigen inzicht.

14Ach, wilde mijn volk maar horen,

wilde Israël mijn wegen maar volgen.

15Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen,

zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers.

16Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk,

dat zou voor altijd hun lot zijn.

17Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe –

ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.’

82

821

82:1
1 Kon. 22:19-22
Job 1:6-12
Ps. 89:8
Een psalm van Asaf.

God staat op in de hemelse raad,

hij spreekt recht in de kring van de goden:

2‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig

en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela

3

82:3
Ex. 23:6
Ps. 58:2
Doe recht aan weerlozen en wezen,

kom op voor verdrukten en zwakken,

4bevrijd wie weerloos zijn en arm,

red hen uit de greep van wie kwaad wil.

5U toont geen inzicht, geen begrip,

en doolt in duisternis rond,

de aarde wankelt op haar grondvesten.

6

82:6
Joh. 10:34
Ooit heb ik gezegd: “U bent goden,

zonen van de Allerhoogste, allemaal.”

7Toch zult u sterven als mensen,

ten val komen als aardse vorsten.’

8Verhef u, God, spreek recht op aarde,

alle volken behoren u toe.

83

831Een lied, een psalm van Asaf.

2

83:2
Ps. 44:24
50:3
109:1
God, houd u niet stil,

zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe,

3uw vijanden roeren zich,

trots heffen uw haters het hoofd.

4Tegen uw volk smeden zij een complot,

ze spannen tegen uw lieveling samen,

5

83:5
Jer. 11:19
en zeggen: ‘Kom, wij verdelgen dit volk,

Israëls naam zal nooit meer worden genoemd.’

6Zij hebben samen plannen gesmeed

en zich tegen u verenigd:

7

83:7
1 Kron. 5:10,19
de tenten van Edom en de Ismaëlieten,

Moab en de zonen van Hagar,

8

83:8
Joz. 13:2-4
Gebal en Ammon en Amalek,

Filistea en de bewoners van Tyrus.

9Zelfs Assyrië heeft zich aangesloten

en de hand gereikt aan de zonen van Lot. sela

10

83:10
Recht. 4:6-22
7:1-23
Jes. 9:3
10:26
Doe met hen als met Midjan,

als met Sisera en Jabin in het Kisondal,

11

83:11
Jer. 8:2
die bij Endor werden vernietigd

en als mest op het land bleven liggen.

12

83:12
Recht. 7:25
8:10-21
Behandel hun vorsten als Oreb en Zeëb,

hun leiders als Zebach en Salmunna,

13die zeiden: ‘Wij bezetten het land

waar God zijn woning heeft.’

14

83:14
Job 27:21
Ps. 58:10
Jes. 17:13
29:5
Mijn God, maak hen tot distelpluis,

tot kaf dat verwaait in de wind.

15

83:15
Jes. 5:24
10:17
Ezech. 21:3
Zo snel als vuur het bos verbrandt,

als vlammen de bergen verschroeien,

16laat zo uw storm hen voortjagen,

uw wervelwind hen verwarren.

17Overdek hen met schande,

dan zullen zij vragen naar uw naam, HEER.

18Laat hen beschaamd staan, in verwarring raken

en eerloos verloren gaan, voorgoed.

19

83:19
Ps. 46:11
97:9
Jes. 42:8
Dan zullen zij weten dat uw naam HEER is,

dat u alleen de Allerhoogste bent op aarde.