Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
80

801Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Een getuigenis. Van Asaf, een psalm.

2

80:2
Ex. 25:22
Jes. 40:11
Hoor ons, herder van Israël,

die Jozef leidt als een kudde.

U die troont op de cherubs, verschijn in luister

3aan Efraïm, Benjamin en Manasse.

Laat uw kracht ontwaken,

kom, en red ons.

4God, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

5HEER, God van de hemelse machten,

hoe lang nog blijft u vertoornd op uw biddende volk?

6

80:6
Ps. 42:4
U liet ons brood van tranen eten

en een stroom van tranen drinken.

7

80:7
Ps. 79:4
U hebt andere volken tegen ons opgezet,

onze vijanden drijven de spot met ons.

8God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

9U hebt een wijnstok uitgegraven in Egypte,

en volken verdreven om hem te planten.

10U gaf hem een ruime plek,

hij schoot wortel en vulde het land.

11De bergen werden bedekt door zijn schaduw,

de machtige ceders door zijn twijgen,

12hij strekte zijn takken uit tot de zee,

tot aan de Grote Rivier zijn ranken.

13Waarom hebt u zijn omheining vernield?

Voorbijgangers plukken hem leeg,

14wilde zwijnen wroeten hem om,

velddieren vreten hem kaal.

15God van de hemelse machten, keer u tot ons,

kijk neer uit de hemel en zie,

bekommer u om deze wijnstok,

16de stek die uw hand heeft geplant,

het kind dat u zelf hebt grootgebracht.

17Hij is verbrand en weggehakt,

verkwijnd onder uw duistere blik.

18Leg uw hand op uw beschermeling,

het mensenkind dat u hebt grootgebracht.

19Dan zullen wij niet van u wijken.

Laat ons leven, en wij roepen uw naam:

20HEER, God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

81

811Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf.

2Jubel voor God, onze sterkte,

juich voor de God van Jakob,

3zing een lied en sla de tamboerijn,

speel op de harp en de lieflijke lier,

4

81:4
Num. 10:10
blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan

en bij vollemaan voor onze feestdag,

5want dat is een opdracht aan Israël,

een voorschrift van Jakobs God.

6Daartoe verplichtte hij Jozef,

toen hij optrok tegen Egypte.

Onvermoede woorden hoor ik zeggen:

7

81:7
Ex. 6:6
‘Ik nam de last van je schouder,

je hand raakte geen draagkorf meer aan.

8

81:8
Ex. 17:7
19:19
Num. 20:13
Ps. 95:8
Riep je om hulp, ik redde uit de nood

en gaf antwoord uit het duister van de donder.

Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: sela

9“Hoor, mijn volk, ik moet je vermanen,

Israël, luister naar mij.

10

81:10-11
Ex. 20:2-3
Deut. 5:6-7
Laat geen andere god bij je toe,

buig je niet voor een vreemde god,

11ik ben de HEER, je God,

die je wegleidde uit Egypte –

open wijd je mond, ik zal hem vullen.”

12

81:12
Deut. 9:7
Maar mijn volk luisterde niet,

Israël wilde niet van mij weten.

13

81:13
Jer. 3:17
7:24
Toen liet ik hen begaan,

koppig volgden zij hun eigen inzicht.

14Ach, wilde mijn volk maar horen,

wilde Israël mijn wegen maar volgen.

15Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen,

zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers.

16Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk,

dat zou voor altijd hun lot zijn.

17Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe –

ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.’

82

821

82:1
1 Kon. 22:19-22
Job 1:6-12
Ps. 89:8
Een psalm van Asaf.

God staat op in de hemelse raad,

hij spreekt recht in de kring van de goden:

2‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig

en kiest u partij voor wie kwaad doen? sela

3

82:3
Ex. 23:6
Ps. 58:2
Doe recht aan weerlozen en wezen,

kom op voor verdrukten en zwakken,

4bevrijd wie weerloos zijn en arm,

red hen uit de greep van wie kwaad wil.

5U toont geen inzicht, geen begrip,

en doolt in duisternis rond,

de aarde wankelt op haar grondvesten.

6

82:6
Joh. 10:34
Ooit heb ik gezegd: “U bent goden,

zonen van de Allerhoogste, allemaal.”

7Toch zult u sterven als mensen,

ten val komen als aardse vorsten.’

8Verhef u, God, spreek recht op aarde,

alle volken behoren u toe.