Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
79

791

79:1
2 Kon. 25:8-10
2 Kron. 36:17-19
Een psalm van Asaf.

God, vreemde volken hebben uw land bezet,

uw heilige tempel geschonden

en Jeruzalem in puin veranderd.

2

79:2
Jer. 7:33
1 Mak. 7:17
De lijken van uw dienaren lieten zij liggen

als aas voor de vogels van de hemel,

het vlees van uw getrouwen als voedsel

voor de wilde dieren op aarde.

3

79:3
Jer. 14:16
Sef. 1:17
Hun bloed werd als water vergoten

rond Jeruzalem – en niemand die hen begroef.

4

79:4
Ps. 44:14
80:7
Sef. 2:8
Gehoond worden wij door onze naburen,

beschimpt en bespot door de volken rondom.

5

79:5
Ps. 74:1
89:47
Hoe lang nog, HEER! Bent u voor eeuwig verbolgen?

Hoe lang blijft uw woede branden?

6

79:6-7
Jer. 10:25
79:6
Ps. 14:4
Stort uw toorn uit over de volken die u niet kennen,

over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen,

7want zij hebben Jakob verslonden

en zijn woonplaats verwoest.

8Reken ons de zonden van vroeger niet aan,

toon erbarmen en haast u, want onze ellende is groot,

9

79:9
Ex. 32:12
Ezech. 20:44
36:22
help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke naam,

red ons en bedek onze zonden, omwille van uw naam.

10

79:10-11
Deut. 32:43
Ps. 102:21
Joël 4:21
79:10
Ps. 115:2
Joël 2:17
Waarom mogen de volken zeggen: ‘Waar is nu hun God?’

Laat de volken weten, laat ons het zien,

dat het bloed van uw dienaren wordt gewroken.

11Laat het zuchten van uw geknechte volk u bereiken,

machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.

12Straf de volken rondom ons zevenvoudig

voor de smaad die zij u hebben aangedaan, Heer!

13Wij zijn uw volk, de kudde die u hoedt,

wij zullen u prijzen tot in eeuwigheid,

van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

80

801Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Een getuigenis. Van Asaf, een psalm.

2

80:2
Ex. 25:22
Jes. 40:11
Hoor ons, herder van Israël,

die Jozef leidt als een kudde.

U die troont op de cherubs, verschijn in luister

3aan Efraïm, Benjamin en Manasse.

Laat uw kracht ontwaken,

kom, en red ons.

4God, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

5HEER, God van de hemelse machten,

hoe lang nog blijft u vertoornd op uw biddende volk?

6

80:6
Ps. 42:4
U liet ons brood van tranen eten

en een stroom van tranen drinken.

7

80:7
Ps. 79:4
U hebt andere volken tegen ons opgezet,

onze vijanden drijven de spot met ons.

8God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

9U hebt een wijnstok uitgegraven in Egypte,

en volken verdreven om hem te planten.

10U gaf hem een ruime plek,

hij schoot wortel en vulde het land.

11De bergen werden bedekt door zijn schaduw,

de machtige ceders door zijn twijgen,

12hij strekte zijn takken uit tot de zee,

tot aan de Grote Rivier zijn ranken.

13Waarom hebt u zijn omheining vernield?

Voorbijgangers plukken hem leeg,

14wilde zwijnen wroeten hem om,

velddieren vreten hem kaal.

15God van de hemelse machten, keer u tot ons,

kijk neer uit de hemel en zie,

bekommer u om deze wijnstok,

16de stek die uw hand heeft geplant,

het kind dat u zelf hebt grootgebracht.

17Hij is verbrand en weggehakt,

verkwijnd onder uw duistere blik.

18Leg uw hand op uw beschermeling,

het mensenkind dat u hebt grootgebracht.

19Dan zullen wij niet van u wijken.

Laat ons leven, en wij roepen uw naam:

20HEER, God van de hemelse machten, keer ons lot ten goede,

toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.

81

811Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Van Asaf.

2Jubel voor God, onze sterkte,

juich voor de God van Jakob,

3zing een lied en sla de tamboerijn,

speel op de harp en de lieflijke lier,

4

81:4
Num. 10:10
blaas op de ramshoorn bij nieuwemaan

en bij vollemaan voor onze feestdag,

5want dat is een opdracht aan Israël,

een voorschrift van Jakobs God.

6Daartoe verplichtte hij Jozef,

toen hij optrok tegen Egypte.

Onvermoede woorden hoor ik zeggen:

7

81:7
Ex. 6:6
‘Ik nam de last van je schouder,

je hand raakte geen draagkorf meer aan.

8

81:8
Ex. 17:7
19:19
Num. 20:13
Ps. 95:8
Riep je om hulp, ik redde uit de nood

en gaf antwoord uit het duister van de donder.

Ik stelde je op de proef bij het water van Meriba: sela

9“Hoor, mijn volk, ik moet je vermanen,

Israël, luister naar mij.

10

81:10-11
Ex. 20:2-3
Deut. 5:6-7
Laat geen andere god bij je toe,

buig je niet voor een vreemde god,

11ik ben de HEER, je God,

die je wegleidde uit Egypte –

open wijd je mond, ik zal hem vullen.”

12

81:12
Deut. 9:7
Maar mijn volk luisterde niet,

Israël wilde niet van mij weten.

13

81:13
Jer. 3:17
7:24
Toen liet ik hen begaan,

koppig volgden zij hun eigen inzicht.

14Ach, wilde mijn volk maar horen,

wilde Israël mijn wegen maar volgen.

15Spoedig zou ik zijn vijanden vernederen,

zou mijn hand zich keren tegen zijn belagers.

16Wie de HEER haten, zouden kruipen voor zijn volk,

dat zou voor altijd hun lot zijn.

17Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe –

ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.’