Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
73

731

73:1-28
Ps. 37:1-40
Een psalm van Asaf.

Ja, God is goed voor Israël,

voor wie zuiver zijn van hart!

2Toch had ik bijna een misstap begaan,

bijna waren mijn voeten uitgegleden,

3want ik keek met afgunst naar de dwazen,

benijdde het geluk van wie kwaad doen.

4Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard,

hun buik is goedgevuld,

5aardse kwellingen kennen zij niet,

het lijden van anderen gaat aan hen voorbij.

6Daarom is hoogmoed hun halssieraad

en bedekt geweld hen als een mantel,

7

73:7
Job 15:27
Ps. 17:10
119:70
Jer. 5:28
hun ogen puilen uit het vet,

van eigenwaan zwelt hun hart.

8Ze spotten, spreken kwaad

en dreigen vanaf hun hoge zetels,

9ze zetten een mond op tot aan de hemel

en hun tong roert zich overal op aarde.

10Daarom lopen de mensen achter hen aan,

drinken hun woorden in als water

11en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten?

Heeft de Allerhoogste een antwoord?’

12Zo zijn de goddelozen ten voeten uit,

ze verrijken zich, onverstoorbaar.

13

73:13
Ps. 26:6
Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver

en waste ik mijn handen in onschuld!

14Want ik werd gestraft, dag aan dag,

en geslagen, elke morgen weer.

15Maar zou ik spreken als zij,

ik pleegde verraad aan Gods kinderen!

16Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten

waarom – het was een vraag die mij kwelde,

17tot ik Gods heiligdom binnenging

en mij hun einde voor ogen bracht.

18Ja, u zet hen op een glibberig pad

en stort hen in een diepe afgrond.

19In een oogwenk is het met hen gedaan,

hun ondergang, hun einde is een verschrikking.

20Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,

bij het opstaan verjaagt u ze als beelden uit een droom.

21Zolang ik verbitterd was,

gekwetst van binnen,

22dom en dwaas,

was ik bij u als een redeloos dier.

23Maar nu weet ik mij altijd bij u,

u houdt mij aan de hand

24en leidt mij volgens uw plan.

Dan neemt u mij weg, met eer bekleed.

25Wie buiten u heb ik in de hemel?

Naast u wens ik geen ander op aarde.

26Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,

de rots van mijn bestaan, al wat ik heb,

is God, nu en altijd.

27Wie ver van u blijven, komen om,

wie u ontrouw zijn, verdelgt u.

28Bij God te zijn is mijn enig verlangen,

mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.

Van al uw daden zal ik verhalen.

74

741Een kunstig lied van Asaf.

Waarom, God, hebt u ons voor altijd verstoten,

brandt uw woede tegen de schapen die u hoedt?

2

74:2
Ex. 15:17
Deut. 7:6
Jer. 10:16
51:19
Denk aan het volk dat u ooit hebt verworven,

de stam die u hebt vrijgekocht, uw eigen bezit,

de Sionsberg waar u ging wonen.

3Kom naar de stad die voor altijd in puin ligt,

de vijand liet niets van het heiligdom heel.

4In het hart van uw huis brulden uw tegenstanders,

zij zetten er hun zegetekens neer.

5Zoals met kapmessen wordt ingehakt

op struikgewas en kreupelhout,

6zo sloegen zij met bijl en breekijzer

al het snijwerk kort en klein.

7

74:7
Jes. 64:10
Ze hebben uw heiligdom in de as gelegd,

de plaats waar uw naam woont, verwoest en ontwijd.

8‘We vagen alles weg,’ zeiden ze,

en alle godshuizen in het land hebben zij verbrand.

9Een gunstig teken zien wij niet, niet één profeet meer,

en geen van ons weet voor hoe lang.

10

74:10
Ps. 6:4
89:47
Hoe lang nog, God, zal de tegenstander u bespotten?

Zal de vijand uw naam voor altijd beschimpen?

11

74:11
Jes. 52:10
Waarom houdt uw hand zich in bedwang?

Hef uw machtige hand en sla toe,

12God, mijn koning van oudsher,

die verlossing brengt in het hart van het land!

13

74:13
Ex. 14:21
Ps. 89:10-11
Jes. 51:9-10
U hebt door uw kracht de zee gespleten

en de koppen van monsters op het water verpletterd,

14

74:14
Job 3:8
Ps. 104:26
Jes. 27:1
u hebt de schedels van Leviatan verbrijzeld,

hem als voedsel gegeven aan de dieren in de woestijn,

15u hebt bronnen en beken laten ontspringen,

altijd stromende rivieren drooggelegd.

16

74:16
Gen. 1:16
Van u is de dag, van u is de nacht,

u hebt maan en zon een vaste plaats gegeven,

17u hebt de grenzen van de aarde bepaald,

zomer en winter – u hebt ze gevormd.

18Bedenk dit, HEER, nu de vijand u bespot

en dwazen uw naam beschimpen.

19Geef uw duifje niet prijs aan de wilde dieren,

vergeet uw vernederd volk niet voorgoed.

20Kom uw verbond met ons na – vol is het land

met duistere oorden, holen van geweld.

21Laat verdrukten niet teleurgesteld heengaan,

laat zwakken en armen uw naam loven.

22Sta op, God, verdedig uw zaak,

bedenk dat dwazen u dag na dag bespotten,

23vergeet het razen van uw tegenstanders niet,

het tieren van uw vijanden – het klinkt voortdurend op.

75

751Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Een psalm van Asaf, een lied.

2Wij loven, God, wij loven u,

uw naam is ons nabij,

uw wonderen gaan van mond tot mond.

3‘Ja, ik bepaal of de tijd is gekomen,

ik zal oordelen naar recht en wet.

4

75:4
1 Sam. 2:8
Ps. 46:3
93:1
96:10
Al beeft de aarde met haar bewoners,

ik heb haar op zuilen vastgezet. sela

5

75:5
1 Sam. 2:3
Tot de hoogmoedigen zeg ik: Wees niet hoogmoedig,

tot de trotse zondaars: Verhef je niet,

6

75:6
Ps. 94:4
verhef je niet tegen de hemel,

spreek niet op hoge toon.’

7Niet uit het oosten, niet uit het westen,

niet uit de woestijn komt verheffing,

8

75:8-9
1 Sam. 2:7
het is God die rechtspreekt

en de een vernedert, de ander verheft.

9

75:9
Job 21:20
Ps. 60:5
Jes. 51:17
In zijn hand houdt de HEER een beker

met wijn, schuimend en bitter gekruid,

hij schenkt hem uit aan de zondaars op aarde,

zelfs de droesem moeten zij drinken.

10Ik wil er altijd over spreken,

erover zingen voor de God van Jakob:

11‘De trots van de zondaar zal ik breken,

de rechtvaardige zal worden verheven.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]