Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
71

711

71:1-3
Ps. 31:2-4
71:1
Ps. 25:2
Bij u, HEER, schuil ik,

maak mij nooit te schande,

2red en bevrijd mij, doe mij recht,

hoor mij en kom mij te hulp.

3Wees de rots waarop ik kan wonen,

waar ik altijd heen kan gaan.

U hebt mijn redding bevolen,

mijn rots en mijn burcht, dat bent u.

4

71:4
Ps. 140:2
Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken,

uit de greep van wrede onderdrukkers.

5U bent mijn enige hoop,

HEER, mijn God,

van jongs af vertrouw ik op u.

6Al vanaf mijn geboorte steun ik op u,

al in de moederschoot was u het die mij droeg,71:6 die mij droeg – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘die mij [de navelstreng] afsneed’.

u wil ik altijd loven.

7Voor velen ben ik een teken,

u bent mijn veilige schuilplaats.

8Heel de dag is mijn mond

vervuld van uw lof en uw luister.

9Verstoot mij niet nu ik oud word,

verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.

10Mijn vijanden spreken over mij,

ze loeren op mij en spannen samen,

11

71:11
Ps. 3:3
22:9
ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten,

jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’

12

71:12
Ps. 22:12
God, blijf niet ver van mij,

mijn God, kom mij haastig te hulp,

13

71:13
Ps. 35:4
40:15
laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,

wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt.

14Ik blijf naar u uitzien, altijd,

u lof brengen, meer en meer.

15

71:15
Ps. 35:28
Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,

van uw reddende daden, dag aan dag,

hun aantal kan ik niet tellen.

16Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God,

de rechtvaardigheid roemen van u alleen.

17

71:17
Jes. 46:3-4
God, u onderwees mij van jongs af aan,

en steeds nog vertel ik uw wonderen.

18

71:18
Ps. 22:31
Nu ik oud en grijs ben,

verlaat mij niet, o God,

zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind,

kan verhalen van de macht van uw arm.

19

71:19
Ps. 36:7
86:8
Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God,

u hebt grootse daden verricht.

God, wie is aan u gelijk?

20

71:20
Ps. 9:14
U hebt mij doen zien

veel ellende en nood –

laat mij nu herleven,

laat mij herrijzen

uit de diepten van de aarde.

21Verhoog mij in aanzien,

omgeef mij met uw troost.

22Dan zal ik u loven bij het spel op de harp,

u en uw trouw, mijn God.

Ik zal voor u zingen bij de lier,

Heilige van Israël.

23Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing,

ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost.

24Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken:

wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.

72

721

72:1
Jer. 23:5
Van Salomo.

Geef, o God, uw wetten aan de koning,

uw gerechtigheid aan de koningszoon.

2Moge hij uw volk rechtvaardig besturen,

uw arme volk naar recht en wet.

3

72:3
Jes. 45:8
55:12
Mogen de bergen vrede brengen aan het volk

en de heuvels gerechtigheid.72:3 gerechtigheid – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘in gerechtigheid’.

4Moge hij recht doen aan de zwakken,

redding bieden aan de armen,

maar de onderdrukker neerslaan.

5

72:5-7
Ps. 89:37-38
72:5
Ps. 61:7-8
Moge hij leven72:5 Moge hij leven – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Mogen zij u vrezen’. zolang de zon bestaat,

zolang de maan zal schijnen,

van geslacht op geslacht.

6

72:6
Deut. 32:2
Jes. 45:8
Hos. 6:3
Moge hij zijn als regen die valt op kale akkers,

als buien die de aarde doordrenken.

7Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien,

de vrede wereldwijd zijn tot de maan niet meer bestaat.

8

72:8
Zach. 9:10
Sir. 44:21
Moge hij heersen van zee tot zee,

van de Grote Rivier tot de einden der aarde.

9

72:9
Jes. 49:23
Micha 7:17
Laten de woestijnbewoners voor hem buigen,

zijn vijanden het stof van zijn voeten likken.

10

72:10
1 Kon. 10:1
De koningen van Tarsis en de kustlanden,

laten zij hem een geschenk brengen.

De koningen van Seba en Saba,

laten ook zij hem schatting afdragen.

11Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem,

alle volken hem dienstbaar zijn.

12

72:12
Job 29:12
Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept,

wie zwak is en geen helper heeft.

13Hij ontfermt zich over weerlozen en armen,

wie arm is, redt hij het leven.

14Hij verlost hen van onderdrukking en geweld,

hun bloed is kostbaar in zijn ogen.

15Leve de koning! Men zal hem goud van Seba schenken,

zonder ophouden voor hem bidden,

hem zegen toewensen, dag aan dag.

16

72:16
Jes. 27:6
Amos 9:13
Er zal overvloed van koren zijn in het land,

zelfs op de toppen van de bergen.

Rijpe aren zullen golven als de bossen van de Libanon.

Vanuit zijn stad zal voorspoed ontluiken

als jong groen op de aarde.

17

72:17
Gen. 12:3
Zijn naam zal eeuwig bestaan, zijn naam

zal voortleven zolang de zon zal schijnen.

Men zal wensen gezegend te worden als hij,

en alle volken prijzen hem gelukkig.

18Geprezen zij God, de HEER,

de God van Israël.

Hij doet wonderen, hij alleen.

19Geprezen zij zijn luisterrijke naam, voor eeuwig.

Moge zijn luister heel de aarde vervullen.

Amen, amen!

20Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.

73

731

73:1-28
Ps. 37:1-40
Een psalm van Asaf.

Ja, God is goed voor Israël,

voor wie zuiver zijn van hart!

2Toch had ik bijna een misstap begaan,

bijna waren mijn voeten uitgegleden,

3want ik keek met afgunst naar de dwazen,

benijdde het geluk van wie kwaad doen.

4Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard,

hun buik is goedgevuld,

5aardse kwellingen kennen zij niet,

het lijden van anderen gaat aan hen voorbij.

6Daarom is hoogmoed hun halssieraad

en bedekt geweld hen als een mantel,

7

73:7
Job 15:27
Ps. 17:10
119:70
Jer. 5:28
hun ogen puilen uit het vet,

van eigenwaan zwelt hun hart.

8Ze spotten, spreken kwaad

en dreigen vanaf hun hoge zetels,

9ze zetten een mond op tot aan de hemel

en hun tong roert zich overal op aarde.

10Daarom lopen de mensen achter hen aan,

drinken hun woorden in als water

11en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten?

Heeft de Allerhoogste een antwoord?’

12Zo zijn de goddelozen ten voeten uit,

ze verrijken zich, onverstoorbaar.

13

73:13
Ps. 26:6
Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver

en waste ik mijn handen in onschuld!

14Want ik werd gestraft, dag aan dag,

en geslagen, elke morgen weer.

15Maar zou ik spreken als zij,

ik pleegde verraad aan Gods kinderen!

16Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten

waarom – het was een vraag die mij kwelde,

17tot ik Gods heiligdom binnenging

en mij hun einde voor ogen bracht.

18Ja, u zet hen op een glibberig pad

en stort hen in een diepe afgrond.

19In een oogwenk is het met hen gedaan,

hun ondergang, hun einde is een verschrikking.

20Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,

bij het opstaan verjaagt u ze als beelden uit een droom.

21Zolang ik verbitterd was,

gekwetst van binnen,

22dom en dwaas,

was ik bij u als een redeloos dier.

23Maar nu weet ik mij altijd bij u,

u houdt mij aan de hand

24en leidt mij volgens uw plan.

Dan neemt u mij weg, met eer bekleed.

25Wie buiten u heb ik in de hemel?

Naast u wens ik geen ander op aarde.

26Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,

de rots van mijn bestaan, al wat ik heb,

is God, nu en altijd.

27Wie ver van u blijven, komen om,

wie u ontrouw zijn, verdelgt u.

28Bij God te zijn is mijn enig verlangen,

mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.

Van al uw daden zal ik verhalen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]