Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
69

691Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van David.

2

69:2
Ps. 124:4-5
Jona 2:6
Red mij, God,

het water staat aan mijn lippen,

3ik zink weg in bodemloos slijk

en vind geen grond voor mijn voeten,

ik ben in diep water geraakt,

de stroom sleurt mij mee.

4Uitgeput ben ik van het roepen,

mijn keel is schor geschreeuwd,

mijn ogen zijn verzwakt

van het uitzien naar mijn God.

5

69:5
Ps. 40:13
Joh. 15:25
Talrijker dan de haren op mijn hoofd

zijn zij die mij haten zonder reden,

met velen zijn mijn belagers,

mijn vijanden die mij bedriegen:

teruggeven moet ik

wat ik niet heb geroofd.

6God, u kent mijn lichtzinnig leven,

mijn schuld is u niet ontgaan.

7Laat ik niet beschamen wie naar u uitzien,

HEER, God van de hemelse machten,

laat wie u zoekt niet om mij te schande staan,

God van Israël.

8

69:8
Jer. 15:15
Om u moet ik smaad verduren

en bedekt het schaamrood mijn gezicht.

9

69:9
Job 19:13-15
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,

een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

10

69:10
Ps. 119:139
Joh. 2:17
Rom. 15:3
De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,

de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.

11Ik huilde tranen toen ik vastte,

maar wat ik oogstte was hoon,

12ik hulde mij in een boetekleed,

maar verachting werd mijn deel.

13In de stadspoort wordt over mij gepraat,

en de liedjes van drinkers spotten met mij.

14

69:14
Jes. 49:8
En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u,

laat dit een uur zijn van mededogen.

Groot is uw ontferming, God, antwoord mij,

toon uw trouw en red mij.

15Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink,

laat mij ontkomen aan wie mij haten,

haal mij uit dit diepe water.

16Laat de stroom mij niet meesleuren,

het slijk mij niet verzwelgen,

de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.

17Antwoord mij, HEER, u bent genadig en goed,

keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan.

18

69:18
Ps. 102:3
Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar,

antwoord mij snel, want de angst benauwt mij.

19Wees mij nabij en bevrijd mij,

verlos mij van mijn vijanden.

20U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte,

al mijn belagers staan voor u.

21Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos,

ik hoopte op mededogen – vergeefs;

op troost – die ik niet vond.

22Nee, ze mengden gif door mijn eten

en lesten mijn dorst met azijn.

23

69:23-24
Rom. 11:9-10
Laat hun tafel hun valstrik worden

en een valkuil voor hun vrienden.

24Laat het licht uit hun ogen verdwijnen,

beroof hun lendenen van alle kracht.

25Stort over hen uw toorn uit,

laat hen aan uw woede niet ontkomen.

26

69:26
Hand. 1:20
Maak hun woonplaats tot een woestenij,

verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner.

27Want zij vervolgen wie u hebt geslagen,

en wegen het leed van wie door u is verwond.

28Voeg dit alles toe aan hun schuld,

sluit hen uit van uw genade,

29

69:29
Ex. 32:32
Dan. 12:1
Op. 3:5
schrap hun namen uit het boek van het leven,

laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.

30Ik ben verzwakt, ik ben verwond,

maar uw hulp, o God, zal mij beschermen.

31

69:31
Ps. 22:26
De naam van God wil ik loven met een lied,

zijn grootheid met een lofzang prijzen.

32

69:32
Ps. 51:18
Dat behaagt de HEER meer dan offerdieren,

dan stieren met hun horens en hoeven.

33

69:33
Ps. 70:5
De nederigen zien het en verheugen zich,

wie God zoeken, hun hart zal opleven.

34Want de HEER hoort de armen,

zijn gevangen volk verwerpt hij niet.

35Hemel en aarde moeten hem loven,

de zeeën, met alles wat daarin leeft.

36

69:36
Jes. 44:26
Ezech. 36:10
Want God zal Sion redden

en de steden van Juda herbouwen.

Daar zal worden geleefd en geërfd,

37

69:37
Jes. 65:9
het volk dat hem dient, zal het land bezitten,

wie zijn naam liefheeft, mag er wonen.

70

701

70:1-6
Ps. 40:14-18
70:1
Ps. 38:1
Voor de koorleider. Van David, een dringend gebed.

2God, breng mij uitkomst,

HEER, kom mij haastig te hulp.

3Dat beschaamd en vernederd worden

wie mij naar het leven staan,

met schande terugwijken

wie mijn ongeluk zoeken,

4beschaamd zich omkeren

wie de spot met mij drijven.

5Wie bij u hun geluk zoeken

zullen lachen en vrolijk zijn,

wie van u hun redding verwachten

zullen steeds weer zeggen:

‘God is groot!’

6Ik ben arm en zwak,

God, kom haastig,

u bent mijn helper, mijn bevrijder,

HEER, wacht niet langer.

71

711

71:1-3
Ps. 31:2-4
71:1
Ps. 25:2
Bij u, HEER, schuil ik,

maak mij nooit te schande,

2red en bevrijd mij, doe mij recht,

hoor mij en kom mij te hulp.

3Wees de rots waarop ik kan wonen,

waar ik altijd heen kan gaan.

U hebt mijn redding bevolen,

mijn rots en mijn burcht, dat bent u.

4

71:4
Ps. 140:2
Mijn God, bevrijd mij uit de hand van schurken,

uit de greep van wrede onderdrukkers.

5U bent mijn enige hoop,

HEER, mijn God,

van jongs af vertrouw ik op u.

6Al vanaf mijn geboorte steun ik op u,

al in de moederschoot was u het die mij droeg,71:6 die mij droeg – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘die mij [de navelstreng] afsneed’.

u wil ik altijd loven.

7Voor velen ben ik een teken,

u bent mijn veilige schuilplaats.

8Heel de dag is mijn mond

vervuld van uw lof en uw luister.

9Verstoot mij niet nu ik oud word,

verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.

10Mijn vijanden spreken over mij,

ze loeren op mij en spannen samen,

11

71:11
Ps. 3:3
22:9
ze zeggen: ‘God heeft hem verlaten,

jaag hem op, grijp hem, niemand die hem redt.’

12

71:12
Ps. 22:12
God, blijf niet ver van mij,

mijn God, kom mij haastig te hulp,

13

71:13
Ps. 35:4
40:15
laat mijn tegenstanders van schaamte bezwijken,

wie mijn ongeluk zoeken, met schande worden bedekt.

14Ik blijf naar u uitzien, altijd,

u lof brengen, meer en meer.

15

71:15
Ps. 35:28
Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,

van uw reddende daden, dag aan dag,

hun aantal kan ik niet tellen.

16Spreken zal ik over uw macht, HEER, mijn God,

de rechtvaardigheid roemen van u alleen.

17

71:17
Jes. 46:3-4
God, u onderwees mij van jongs af aan,

en steeds nog vertel ik uw wonderen.

18

71:18
Ps. 22:31
Nu ik oud en grijs ben,

verlaat mij niet, o God,

zodat ik het nageslacht, elk nieuw kind,

kan verhalen van de macht van uw arm.

19

71:19
Ps. 36:7
86:8
Uw gerechtigheid rijst hoog op, o God,

u hebt grootse daden verricht.

God, wie is aan u gelijk?

20

71:20
Ps. 9:14
U hebt mij doen zien

veel ellende en nood –

laat mij nu herleven,

laat mij herrijzen

uit de diepten van de aarde.

21Verhoog mij in aanzien,

omgeef mij met uw troost.

22Dan zal ik u loven bij het spel op de harp,

u en uw trouw, mijn God.

Ik zal voor u zingen bij de lier,

Heilige van Israël.

23Mijn lippen zullen juichen wanneer ik voor u zing,

ik zal jubelen omdat u mij hebt verlost.

24Mijn tong zal heel de dag van uw gerechtigheid spreken:

wie mijn ongeluk zoekt, zal te schande staan.