Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
68

681Voor de koorleider. Van David, een psalm, een lied.

2

68:2
Num. 10:35
Jes. 33:3
God staat op,

zijn vijanden stuiven uiteen,

zijn haters vluchten als hij verschijnt.

3U verdrijft ze zoals wind de rook verdrijft.

Zoals was smelt bij het vuur,

zo vergaan de zondaars als God verschijnt.

4Maar de rechtvaardigen verblijden zich,

zij juichen als God verschijnt,

uitgelaten van vreugde.

5

68:5
Deut. 33:26
Jes. 19:1
Zing voor God, bezing zijn naam,

maak ruim baan voor hem die door de vlakten68:5 door de vlakten – Ook mogelijk is de vertaling: ‘op de wolken’. rijdt,

HEER is zijn naam, jubel als hij verschijnt:

6

68:6
Ex. 22:21-22
Ps. 146:9
vader van wezen, beschermer van weduwen,

God in zijn heilig verblijf.

7God geeft eenzamen een thuis

en gevangenen vrijheid en voorspoed.

Maar opstandigen zullen wonen op dorre grond.

8

68:8-9
Recht. 5:4-5
God, toen u optrok aan het hoofd van uw volk,

toen u voortschreed door de woestijn, sela

9

68:9
Ex. 19:18
beefde de aarde,

en water stortte uit de hemel

toen God verscheen, de heerser van de Sinai,

toen God verscheen, de God van Israël.

10U liet een milde regen neerdalen, God,

en schonk uw uitgeput land nieuwe kracht.

11Uw kleine kudde ging er wonen,

in uw goedheid, God, gaf u het aan de zwakken.

12De HEER sprak een bevel uit,

een menigte vrouwen zei het voort:

13‘Koningen vluchten, hun legers vluchten,

thuis verdelen de vrouwen de buit

14en jullie slapen bij de schaapskooi!’

De vleugels van de duif waren met zilver bedekt,

haar slagpennen met geelgroen goud:

15de Ontzagwekkende dreef koningen uiteen,

sneeuw viel neer op de Salmon.

16Machtige berg, berg van Basan,

veeltoppige berg, berg van Basan,

17waarom afgunstig, veeltoppig gebergte,

op de berg die God als zetel koos?

De HEER woont daar voor eeuwig.

18Met machtige wagens, tweemaal tienduizend,

met duizenden en duizenden,

trok de Heer van de Sinai naar het heiligdom.68:18 trok de Heer van de Sinai naar het heiligdom – Voorgestelde lezing. MT: ‘de Heer onder hen, de Sinai in het heiligdom’.

19

68:19
Ps. 47:6
Ef. 4:8
U voerde gevangenen mee,

eiste gaven van opstandige mensen,

en steeg op naar uw woning, HEER, onze God.

20

68:20
Deut. 32:11-12
Jes. 46:3-4
63:9
Geprezen zij de Heer, dag aan dag,

deze God draagt ons en redt ons, sela

21onze God is een reddende God.

Bij God, de HEER, is bevrijding uit de dood.

22God verplettert de hoofden van zijn vijanden,

de harige kruinen van wie met schuld zijn beladen.

23De Heer zegt: ‘Ik haal jullie vijanden uit Basan,

ik haal ze uit de diepten van de zee:

24

68:24
1 Kon. 21:19
22:38
jullie voeten zullen waden in hun bloed,

jullie honden likken het op met hun tong.’

25Een schouwspel is uw stoet, o God,

de stoet van mijn God, mijn koning, naar zijn heiligdom:

26voorop zangers, daarachter snarenspelers,

omstuwd door meisjes met tamboerijnen.

27

68:27
Jer. 2:13
17:13
Prijs God wanneer u samenkomt,

prijs de HEER, u die aan Israëls bron bent ontsprongen.

28Daar is Benjamin, de jongste, hij opent de rij,

daar zijn de vorsten van Juda, uitbundig bijeen,

de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

29Ontplooi uw macht, o God,68:29 Ontplooi uw macht, o God – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Uw God heeft uw macht ontplooid’.

de macht die u, God, ons altijd toonde,

30vanuit uw tempel die boven Jeruzalem oprijst.

Laten koningen u schatting brengen.

31Vaar uit tegen het gedierte in het riet,

die troep stieren, die kalveren van volken.

Vertrap wie zilver begeren,68:31 Vertrap wie zilver begeren – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘wie zich onderwerpen met stukken zilver’.

verstrooi68:31 verstrooi – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘hij heeft verstrooid’. de volken die belust zijn op strijd.

32

68:32
Jes. 18:7
45:14
Laten de gezanten uit Egypte zich aandienen,

de Nubiërs met geschenken zich haasten naar God.

33Koninkrijken der aarde,

zing voor God,

zing een lied voor de Heer, sela

34voor hem die rijdt door de hoogste, eeuwige hemel.

Hoor, zijn stem is een machtige stem.

35Erken Gods macht:

zijn majesteit heerst over Israël,

zijn macht reikt tot boven de wolken.

36

68:36
Ps. 28:8
29:11
Ontzagwekkend bent u, God, in uw heiligdom.

De God van Israël, hij geeft macht

en nieuwe kracht aan zijn volk.

Geprezen zij God!

69

691Voor de koorleider. Op de wijs van De lelies. Van David.

2

69:2
Ps. 124:4-5
Jona 2:6
Red mij, God,

het water staat aan mijn lippen,

3ik zink weg in bodemloos slijk

en vind geen grond voor mijn voeten,

ik ben in diep water geraakt,

de stroom sleurt mij mee.

4Uitgeput ben ik van het roepen,

mijn keel is schor geschreeuwd,

mijn ogen zijn verzwakt

van het uitzien naar mijn God.

5

69:5
Ps. 40:13
Joh. 15:25
Talrijker dan de haren op mijn hoofd

zijn zij die mij haten zonder reden,

met velen zijn mijn belagers,

mijn vijanden die mij bedriegen:

teruggeven moet ik

wat ik niet heb geroofd.

6God, u kent mijn lichtzinnig leven,

mijn schuld is u niet ontgaan.

7Laat ik niet beschamen wie naar u uitzien,

HEER, God van de hemelse machten,

laat wie u zoekt niet om mij te schande staan,

God van Israël.

8

69:8
Jer. 15:15
Om u moet ik smaad verduren

en bedekt het schaamrood mijn gezicht.

9

69:9
Job 19:13-15
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,

een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

10

69:10
Ps. 119:139
Joh. 2:17
Rom. 15:3
De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,

de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.

11Ik huilde tranen toen ik vastte,

maar wat ik oogstte was hoon,

12ik hulde mij in een boetekleed,

maar verachting werd mijn deel.

13In de stadspoort wordt over mij gepraat,

en de liedjes van drinkers spotten met mij.

14

69:14
Jes. 49:8
En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u,

laat dit een uur zijn van mededogen.

Groot is uw ontferming, God, antwoord mij,

toon uw trouw en red mij.

15Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink,

laat mij ontkomen aan wie mij haten,

haal mij uit dit diepe water.

16Laat de stroom mij niet meesleuren,

het slijk mij niet verzwelgen,

de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.

17Antwoord mij, HEER, u bent genadig en goed,

keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan.

18

69:18
Ps. 102:3
Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar,

antwoord mij snel, want de angst benauwt mij.

19Wees mij nabij en bevrijd mij,

verlos mij van mijn vijanden.

20U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte,

al mijn belagers staan voor u.

21Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos,

ik hoopte op mededogen – vergeefs;

op troost – die ik niet vond.

22Nee, ze mengden gif door mijn eten

en lesten mijn dorst met azijn.

23

69:23-24
Rom. 11:9-10
Laat hun tafel hun valstrik worden

en een valkuil voor hun vrienden.

24Laat het licht uit hun ogen verdwijnen,

beroof hun lendenen van alle kracht.

25Stort over hen uw toorn uit,

laat hen aan uw woede niet ontkomen.

26

69:26
Hand. 1:20
Maak hun woonplaats tot een woestenij,

verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner.

27Want zij vervolgen wie u hebt geslagen,

en wegen het leed van wie door u is verwond.

28Voeg dit alles toe aan hun schuld,

sluit hen uit van uw genade,

29

69:29
Ex. 32:32
Dan. 12:1
Op. 3:5
schrap hun namen uit het boek van het leven,

laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.

30Ik ben verzwakt, ik ben verwond,

maar uw hulp, o God, zal mij beschermen.

31

69:31
Ps. 22:26
De naam van God wil ik loven met een lied,

zijn grootheid met een lofzang prijzen.

32

69:32
Ps. 51:18
Dat behaagt de HEER meer dan offerdieren,

dan stieren met hun horens en hoeven.

33

69:33
Ps. 70:5
De nederigen zien het en verheugen zich,

wie God zoeken, hun hart zal opleven.

34Want de HEER hoort de armen,

zijn gevangen volk verwerpt hij niet.

35Hemel en aarde moeten hem loven,

de zeeën, met alles wat daarin leeft.

36

69:36
Jes. 44:26
Ezech. 36:10
Want God zal Sion redden

en de steden van Juda herbouwen.

Daar zal worden geleefd en geërfd,

37

69:37
Jes. 65:9
het volk dat hem dient, zal het land bezitten,

wie zijn naam liefheeft, mag er wonen.

70

701

70:1-6
Ps. 40:14-18
70:1
Ps. 38:1
Voor de koorleider. Van David, een dringend gebed.

2God, breng mij uitkomst,

HEER, kom mij haastig te hulp.

3Dat beschaamd en vernederd worden

wie mij naar het leven staan,

met schande terugwijken

wie mijn ongeluk zoeken,

4beschaamd zich omkeren

wie de spot met mij drijven.

5Wie bij u hun geluk zoeken

zullen lachen en vrolijk zijn,

wie van u hun redding verwachten

zullen steeds weer zeggen:

‘God is groot!’

6Ik ben arm en zwak,

God, kom haastig,

u bent mijn helper, mijn bevrijder,

HEER, wacht niet langer.