Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
63

631Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.

2

63:2
Ps. 36:8-10
42:2
143:6
God, u bent mijn God, u zoek ik,

naar u smacht mijn ziel,

naar u hunkert mijn lichaam

in een dor en dorstig land, zonder water.

3In het heiligdom heb ik u gezien,

uw macht en majesteit aanschouwd.

4Uw liefde is meer dan het leven,

mijn lippen zingen uw lof.

5U wil ik prijzen, mijn leven lang,

roepend uw naam, de handen geheven.

6Dan wordt mijn ziel verzadigd met uw overvloed,

jubel ligt op mijn lippen, mijn mond zal u loven.

7Liggend op mijn bed denk ik aan u,

wakend in de nacht prevel ik uw naam.

8U bent altijd mijn hulp geweest,

ik juichte in de schaduw van uw vleugels.

9Ik ben aan u gehecht, met heel mijn ziel,

uw rechterhand houdt mij vast.

10Laat verzinken in de diepten der aarde

wie mij naar het leven staan,

11laat ten prooi vallen aan de jakhalzen

wie mij uitleveren aan het zwaard.

12

63:12
Ps. 21:2
64:11
Maar de koning zal zich verheugen in God,

wie hem trouw zweert, prijst zich gelukkig –

leugenaars wordt de mond gesnoerd.

64

641Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Hoor mijn stem, God, hoor mijn klacht,

behoed mij voor de dreiging van de vijand,

3verberg mij voor die misdadige bende,

voor die meute van boosdoeners.

4

64:4
Ps. 11:2
52:4
55:22
57:5
59:8
140:4
Jer. 9:2
Ze scherpen hun tong als een mes,

ze richten hun pijl, een giftig woord,

5uit verborgen hoeken schieten ze op een onschuldige,

ze schieten onverhoeds, voor niemand bang.

6

64:6
Ps. 94:7
Ze wapenen zich met kwade woorden,

overwegen het zetten van een val,

en zeggen: ‘Wie zou het zien?’

7Ze zinnen op misdaden en denken:

‘We lijken onschuldig, zo verborgen is ons plan.

– Diep als een afgrond is het hart van de mens.’

8

64:8
Deut. 32:42
Ps. 38:3
Dan schiet God zijn pijl op hen af,

onverhoeds worden ze zwaar verwond,

9hun eigen tong heeft hen ten val gebracht,

wie hen ziet, schudt verbijsterd het hoofd.

10

64:10
Ps. 40:4
De mensen zijn van ontzag vervuld

en roemen wat God heeft gedaan,

zij beseffen dat het zijn werk is.

11

64:11
Ps. 5:12
De rechtvaardige verblijdt zich in de HEER

en zoekt bij hem zijn toevlucht.

Wie oprecht van hart is, prijst zich gelukkig.

65

651Voor de koorleider. Een psalm van David, een lied.

2U komt de lof toe,65:2 U komt de lof toe – Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘Voor u is stilte een lofzang’.

God die woont op de Sion,

u zult ontvangen wat u is beloofd.

3U die ons bidden hoort –

tot u komt de sterveling.

4Worden onze zonden mij te zwaar,

u neemt weg wat wij misdeden.

5Gelukkig wie door u gekozen is en u mag naderen,

hij mag wonen in uw voorhoven.

Wij genieten het goede van uw huis,

het heilige van uw tempel.

6Ontzagwekkend is uw antwoord,

u doet recht en redt ons, God,

op u hopen de einden der aarde,

de verten van de zee.

7

65:7
Job 38:6
U hebt met kracht de bergen vastgezet,

u bent omgord met macht,

8

65:8
Job 26:12
Ps. 89:10
107:29
u brengt tot bedaren het geraas van de zeeën,

het gebulder van de golven,

het tumult van de volken.

9Vrees voor uw tekenen vervult de bewoners der verten,

u brengt gejuich van het oosten tot het westen.

10

65:10
Lev. 26:3-4
U zorgt voor het land en bevloeit het,

u maakt het vruchtbaar,

vol water staat de rivier van God.

U bewerkt het land voor het koren, zo bewerkt u het:

11u doordrenkt de voren en effent de kluiten,

doorweekt ze met regen en zegent het jonge groen.

12

65:12
Amos 9:13
U kroont het jaar met uw goede gaven,

waar uw voeten gaan, druipt het van overvloed,

13

65:13
Ps. 96:12
de velden in de steppe druipen,

de heuvels omgorden zich met gejubel,

14

65:14
Ps. 66:1
Jes. 44:23
de weiden kleden zich met kudden,

de dalen tooien zich met graan.

Zij zingen en juichen elkaar toe.