Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

51Voor de koorleider. Bij het spel op de schalmei. Een psalm van David.

2

5:2
Ps. 86:6
Hoor mijn woorden, HEER,

sla acht op mijn klagen.

3

5:3
Ps. 84:4
Luister naar mijn hulpgeroep,

mijn koning en mijn God,

tot u richt ik mijn bede.

4In de morgen, HEER, hoort u mijn stem,

in de morgen wend ik mij tot u en wacht.

5U bent een God die zich niet verheugt in het kwaad,

bij u is de misdaad niet welkom.

6Gewetenlozen houden geen stand

onder de blik van uw ogen.

U haat allen die onrecht doen,

7leugenaars richt u te gronde.

U verafschuwt, HEER,

wie bedriegt en bloed vergiet.

8

5:8
Ps. 138:2
Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan,

van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel.

9

5:9
Jes. 26:7
Leid mij langs mijn belagers, HEER, door uw gerechtigheid,

maak effen de weg die u mij wijst.

10

5:10
Rom. 3:13
Onwaarheid komt uit hun mond,

onheil huist in hun hart,

een open graf is hun keel,

gespleten is hun tong.

11Laat hen boeten, God,

laat hen in hun eigen valkuil lopen.

Verstoot hen om hun grote wandaden,

want ze zijn opstandig tegen u.

12Er is vreugde bij allen die schuilen bij u,

eeuwige jubel omdat u hen beschermt,

wie uw naam beminnen juichen u toe!

13U zegent de rechtvaardigen, HEER,

als een schild beschut hen uw genade.

6

61Voor de koorleider. Bij snarenspel, op de wijs van De achtste. Een psalm van David.

2

6:2
Ps. 38:2
Jer. 10:24
HEER, straf mij niet in uw woede,

tuchtig mij niet in uw toorn.

3

6:3
Jer. 17:14
Heb erbarmen, HEER, want ik kwijn weg.

Genees mij, HEER, ik ben doodsbang,

4ik vrees voor mijn leven.

Hoe lang, HEER, moet ik nog wachten?

5Keer terug, HEER, spaar toch mijn leven,

toon mij uw trouw en red mij.

6

6:6
Ps. 88:11-12
Want doden noemen uw naam niet meer!

Wie in het dodenrijk kan u nog loven?

7Moe ben ik van zuchten,

elke nacht is mijn kussen nat,

mijn bed doorweekt van tranen.

8Mijn ogen zijn gezwollen van verdriet,

roodomrand van alles wat mij benauwt.

9

6:9
Ps. 119:115
Weg van mij, allen die kwaad doen!

De HEER hoort hoe luid ik ween,

10de HEER hoort mijn roep om erbarmen,

de HEER neemt mijn smeekbede aan.

11Beschaamd en doodsbang keren mijn vijanden om,

in een oogwenk met schande bedekt.

7

71Een klaaglied van David, dat hij voor de HEER gezongen heeft over de Benjaminiet Kus.

2HEER, mijn God, bij u schuil ik,

bevrijd mij van mijn vervolgers, red mij,

3ze zullen mij nog verscheuren als leeuwen,

mij meesleuren zonder dat iemand mij redt.

4HEER, mijn God, als ik iets heb misdaan,

als er onrecht kleeft aan mijn handen,

5als ik goed met kwaad heb vergolden,

of mijn belager zonder reden heb beroofd –

6laat dan de vijand mij achtervolgen, mij inhalen,

vertreden en vertrappen in het stof,

mij beroven van mijn eer en mijn leven. sela

7Sta op, HEER, laat uw toorn ontbranden,

keer u tegen de razernij van mijn belagers,

kom mij te hulp, gebieder van het recht.

8Laat u omringen door de raad van de volken

en bestijg hoog boven hen uw troon,

9HEER, rechter van de wereld.

Doe mij recht, HEER, ik ben onschuldig,

mij treft geen blaam.

10

7:10
Jer. 11:20
Roep de goddelozen een halt toe

en wees de rechtvaardige tot steun.

U die hart en nieren doorgrondt

bent een rechtvaardige God.

11

7:11
Ps. 3:4
God is het schild dat mij beschermt,

hij bevrijdt de oprechten van hart.

12God is een rechtvaardige rechter,

hij bestraft het kwaad, elke dag.

13Maar de vijand scherpt opnieuw zijn zwaard,7:13 Maar de vijand scherpt opnieuw zijn zwaard – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘Opnieuw scherpt hij [God] zijn zwaard’, of: ‘Als hij [een mens] zich niet bekeert, scherpt hij [God] zijn zwaard’.

hij spant zijn boog en legt aan,

14

7:14
Jes. 50:11
hij richt zijn wapens om te doden,

zijn pijlen zijn schichten van vuur.

15

7:15
Job 15:35
Jes. 59:4
Hij draagt verderf onder het hart,

zwanger van onheil baart hij bedrog.

16

7:16-17
Sir. 27:25-27
7:16
Ps. 9:16
35:8
Spr. 26:27
Pred. 10:8
Hij delft een put en diept hem uit,

maar valt in de kuil die hij zelf heeft gegraven.

17Het onheil keert zich tegen hem,

het geweld komt neer op zijn eigen hoofd.

18Ik zal de HEER om zijn rechtvaardigheid loven,

de naam van de HEER, de Allerhoogste, bezingen.