Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
51

511Voor de koorleider. Een psalm van David, 2

51:2
2 Sam. 12:1-14
toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.

3Wees mij genadig, God, in uw trouw,

u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,

4was mij schoon van alle schuld,

reinig mij van mijn zonden.

5

51:5
Jes. 59:12
Ik ken mijn wandaden,

ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,

6

51:6
Rom. 3:4
tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd,

ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn

en uw oordeel zuiver.

7Ik was al schuldig toen ik werd geboren,

al zondig toen mijn moeder mij ontving,

8maar u wilt dat waarheid mij vervult,

u leert mij wijsheid, diep in mijn hart.

9

51:9
Job 9:30
Jes. 1:18
Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein,

was mij en ik word witter dan sneeuw.

10

51:10
Ps. 6:3
Laat mij vreugde en blijdschap horen:

u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.

11Sluit uw ogen voor mijn zonden

en doe heel mijn schuld teniet.

12

51:12
Ezech. 11:19
Schep, o God, een zuiver hart in mij,

vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,

13

51:13
Wijsh. 9:17
verban mij niet uit uw nabijheid,

neem uw heilige geest niet van mij weg.

14Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,

de kracht van een sterke geest.

15Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,

en zullen zondaars terugkeren tot u.

16U bent de God die mij redt,

bevrijd mij, God, van de dreigende dood,51:16 van de dreigende dood – Ook mogelijk is de vertaling: ‘van bloedschuld’, of: ‘van bloed [van offers]’.

en ik zal juichen om uw gerechtigheid.

17Ontsluit mijn lippen, Heer,

en mijn mond zal uw lof verkondigen.

18

51:18
Ps. 50:8
Amos 5:22
U wilt van mij geen offerdieren,

in brandoffers schept u geen behagen.

19

51:19
Ps. 34:19
Jes. 57:15
66:2
Het offer voor God is een gebroken geest;

een gebroken en verbrijzeld hart

zult u, God, niet verachten.

20

51:20-21
Jes. 58:12
Jer. 30:18
31:4
Ezech. 36:33
Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,

bouw de muren van Jeruzalem weer op.

21

51:21
Ps. 4:6
Dan zult u de juiste offers aanvaarden,

offers in hun geheel verbrand,

dan legt men stieren op uw altaar.

52

521Voor de koorleider. Een kunstig lied van David, 2

52:2
1 Sam. 22:9
toen de Edomiet Doëg naar Saul was gegaan en hem had meegedeeld: ‘David bevindt zich in het huis van Achimelech.’

3Wat prijs je het kwade aan, jij held,

en smaal je voortdurend op God!52:3 en smaal je voortdurend op God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Gods trouw [duurt] dag na dag’.

4

52:4
Ps. 55:22
57:5
59:8
64:4
Je zint op ongeluk, je tong

is het scherpe mes van een bedrieger.

5

52:5
Jer. 9:4
Je hebt het kwade lief, meer dan het goede,

de leugen meer dan de waarheid. sela

6Je houdt van woorden die pijn doen,

van een tong die bedriegt.

7

52:7
Spr. 2:22
God zelf zal je breken, voorgoed,

hij zal je grijpen en meesleuren uit je tent,

je wegrukken uit het land van de levenden. sela

8De rechtvaardigen zullen het zien, vol ontzag,

en zij lachen hem uit:

9‘Kijk die held,

die zijn toevlucht niet zocht bij God,

maar vertrouwde op zijn rijkdom –

zijn toevlucht werd zijn ongeluk.’

10

52:10
Ps. 1:3
92:13-15
Jer. 11:16
Maar ik ben als een groene olijfboom

in het huis van God,

ik vertrouw op de liefde van God

voor eeuwig en altijd.

11Ik zal u eeuwig loven om wat u hebt gedaan,

ik blijf hopen op uw naam, die goed is,

in de kring van wie u lief zijn.

53

531

53:1-7
Ps. 14:1-7
Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David.

2Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God.

Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht,

geen van hen deugt.

3God kijkt vanuit de hemel naar de mensen

om te zien of er één verstandig is,

één die God zoekt.

4

53:4
Pred. 7:20
Rom. 3:10-12
Allen zijn afgegleden, allen ontaard,

geen van hen deugt, niet één.

5Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters?

Ze verslinden mijn volk of het brood is

en God roepen ze niet aan.

6Nog even, en hen overvalt een hevige angst,

een angst als nooit tevoren.

God zal het gebeente van je belagers verstrooien,

lach maar om hen, want God heeft hen verworpen.

7Ach, laat uit Sion redding komen voor Israël.

Als God het lot van zijn volk ten goede keert,

zal Jakob juichen, Israël zich verheugen.