Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
50

501

50:1
Joz. 22:22
Een psalm van Asaf.

De God der goden, de HEER,

gaat spreken en roept de aarde bijeen

van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat.

2Uit Sion, stad van volmaakte pracht,

verschijnt God in stralend licht.

3Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen!

Laaiend vuur raast voor hem uit,

rondom hem wervelt een storm.

4

50:4
Deut. 32:1
Hij roept de hemel op, daar boven,

en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk:

5‘Breng mijn getrouwen vóór mij,

die zich met offers aan mij verbinden.’

6De hemel verkondigt Gods gerechtigheid,

hijzelf treedt op als rechter. sela

7‘Luister, mijn volk, ik ga spreken,

Israël, ik ga tegen je getuigen,

ik, God, je eigen God.

8Ik klaag je niet aan om je offers,

nooit dooft voor mij het offervuur.

9Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig,

noch de bokken uit je kooien.

10Mij behoren de dieren van het woud,

de beesten op duizenden bergen,

11ik ken alle vogels van het gebergte,

wat beweegt in het veld is van mij.

12

50:12
Ps. 24:1
Hand. 17:25
Had ik honger, ik zou het je niet zeggen,

van mij is de wereld en wat daar leeft.

13Eet ik soms het vlees van stieren

of drink ik het bloed van bokken?

14Breng God een dankoffer

en doe wat je de Allerhoogste belooft.

15Roep mij te hulp in tijden van nood,

ik zal je redden, en je zult mij eren.’

16Maar tot wie kwaad doet zegt God:

‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt

en mijn verbond in de mond neemt?

17Je haat het als ik je terechtwijs,

mijn woorden schuif je terzijde.

18Zie je een dief, je loopt met hem mee,

en bij overspeligen ben je thuis.

19Je gebruikt je mond voor lastertaal

en verbindt je tong aan bedrog.

20Je getuigt tegen je eigen broer,

werpt een smet op de zoon van je moeder.

21Zou ik dan zwijgen bij wat je doet,

je denkt toch niet dat ik ben als jij?

Ik klaag je aan, ik som je wandaden op.

22

50:22
Deut. 32:39
Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,

of ik verscheur je, en er is niemand die redt:

23wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,

wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’

51

511Voor de koorleider. Een psalm van David, 2

51:2
2 Sam. 12:1-14
toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.

3Wees mij genadig, God, in uw trouw,

u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,

4was mij schoon van alle schuld,

reinig mij van mijn zonden.

5

51:5
Jes. 59:12
Ik ken mijn wandaden,

ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,

6

51:6
Rom. 3:4
tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd,

ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn

en uw oordeel zuiver.

7Ik was al schuldig toen ik werd geboren,

al zondig toen mijn moeder mij ontving,

8maar u wilt dat waarheid mij vervult,

u leert mij wijsheid, diep in mijn hart.

9

51:9
Job 9:30
Jes. 1:18
Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein,

was mij en ik word witter dan sneeuw.

10

51:10
Ps. 6:3
Laat mij vreugde en blijdschap horen:

u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.

11Sluit uw ogen voor mijn zonden

en doe heel mijn schuld teniet.

12

51:12
Ezech. 11:19
Schep, o God, een zuiver hart in mij,

vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,

13

51:13
Wijsh. 9:17
verban mij niet uit uw nabijheid,

neem uw heilige geest niet van mij weg.

14Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,

de kracht van een sterke geest.

15Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren,

en zullen zondaars terugkeren tot u.

16U bent de God die mij redt,

bevrijd mij, God, van de dreigende dood,51:16 van de dreigende dood – Ook mogelijk is de vertaling: ‘van bloedschuld’, of: ‘van bloed [van offers]’.

en ik zal juichen om uw gerechtigheid.

17Ontsluit mijn lippen, Heer,

en mijn mond zal uw lof verkondigen.

18

51:18
Ps. 50:8
Amos 5:22
U wilt van mij geen offerdieren,

in brandoffers schept u geen behagen.

19

51:19
Ps. 34:19
Jes. 57:15
66:2
Het offer voor God is een gebroken geest;

een gebroken en verbrijzeld hart

zult u, God, niet verachten.

20

51:20-21
Jes. 58:12
Jer. 30:18
31:4
Ezech. 36:33
Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed,

bouw de muren van Jeruzalem weer op.

21

51:21
Ps. 4:6
Dan zult u de juiste offers aanvaarden,

offers in hun geheel verbrand,

dan legt men stieren op uw altaar.

52

521Voor de koorleider. Een kunstig lied van David, 2

52:2
1 Sam. 22:9
toen de Edomiet Doëg naar Saul was gegaan en hem had meegedeeld: ‘David bevindt zich in het huis van Achimelech.’

3Wat prijs je het kwade aan, jij held,

en smaal je voortdurend op God!52:3 en smaal je voortdurend op God – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Gods trouw [duurt] dag na dag’.

4

52:4
Ps. 55:22
57:5
59:8
64:4
Je zint op ongeluk, je tong

is het scherpe mes van een bedrieger.

5

52:5
Jer. 9:4
Je hebt het kwade lief, meer dan het goede,

de leugen meer dan de waarheid. sela

6Je houdt van woorden die pijn doen,

van een tong die bedriegt.

7

52:7
Spr. 2:22
God zelf zal je breken, voorgoed,

hij zal je grijpen en meesleuren uit je tent,

je wegrukken uit het land van de levenden. sela

8De rechtvaardigen zullen het zien, vol ontzag,

en zij lachen hem uit:

9‘Kijk die held,

die zijn toevlucht niet zocht bij God,

maar vertrouwde op zijn rijkdom –

zijn toevlucht werd zijn ongeluk.’

10

52:10
Ps. 1:3
92:13-15
Jer. 11:16
Maar ik ben als een groene olijfboom

in het huis van God,

ik vertrouw op de liefde van God

voor eeuwig en altijd.

11Ik zal u eeuwig loven om wat u hebt gedaan,

ik blijf hopen op uw naam, die goed is,

in de kring van wie u lief zijn.