Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

41Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van David.

2Antwoord mij als ik roep,

God die mij recht doet.

Geef mij ruimte als ik belaagd word,

wees genadig, hoor mijn gebed.

3Machtigen, hoe lang nog maakt u mij te schande,

is de schijn u lief, de leugen uw leidraad? sela

4De HEER schenkt zijn gunst aan wie hem trouw is,

de HEER luistert als ik tot hem roep.

5Beef voor hem en zondig niet,

bezin u in de nacht en zwijg. sela

6

4:6
Ps. 51:21
Breng de juiste offers,

heb vertrouwen in de HEER.

7

4:7
Num. 6:25
Velen zeggen: ‘Wie maakt ons gelukkig?’ –

HEER, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.

8In u vindt mijn hart meer vreugde

dan zij in hun koren en wijn.

9

4:9
Ps. 3:6
In vrede leg ik mij neer

en meteen slaap ik in,

want u, HEER, laat mij wonen

in een vertrouwd en veilig huis.

5

51Voor de koorleider. Bij het spel op de schalmei. Een psalm van David.

2

5:2
Ps. 86:6
Hoor mijn woorden, HEER,

sla acht op mijn klagen.

3

5:3
Ps. 84:4
Luister naar mijn hulpgeroep,

mijn koning en mijn God,

tot u richt ik mijn bede.

4In de morgen, HEER, hoort u mijn stem,

in de morgen wend ik mij tot u en wacht.

5U bent een God die zich niet verheugt in het kwaad,

bij u is de misdaad niet welkom.

6Gewetenlozen houden geen stand

onder de blik van uw ogen.

U haat allen die onrecht doen,

7leugenaars richt u te gronde.

U verafschuwt, HEER,

wie bedriegt en bloed vergiet.

8

5:8
Ps. 138:2
Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan,

van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel.

9

5:9
Jes. 26:7
Leid mij langs mijn belagers, HEER, door uw gerechtigheid,

maak effen de weg die u mij wijst.

10

5:10
Rom. 3:13
Onwaarheid komt uit hun mond,

onheil huist in hun hart,

een open graf is hun keel,

gespleten is hun tong.

11Laat hen boeten, God,

laat hen in hun eigen valkuil lopen.

Verstoot hen om hun grote wandaden,

want ze zijn opstandig tegen u.

12Er is vreugde bij allen die schuilen bij u,

eeuwige jubel omdat u hen beschermt,

wie uw naam beminnen juichen u toe!

13U zegent de rechtvaardigen, HEER,

als een schild beschut hen uw genade.

6

61Voor de koorleider. Bij snarenspel, op de wijs van De achtste. Een psalm van David.

2

6:2
Ps. 38:2
Jer. 10:24
HEER, straf mij niet in uw woede,

tuchtig mij niet in uw toorn.

3

6:3
Jer. 17:14
Heb erbarmen, HEER, want ik kwijn weg.

Genees mij, HEER, ik ben doodsbang,

4ik vrees voor mijn leven.

Hoe lang, HEER, moet ik nog wachten?

5Keer terug, HEER, spaar toch mijn leven,

toon mij uw trouw en red mij.

6

6:6
Ps. 88:11-12
Want doden noemen uw naam niet meer!

Wie in het dodenrijk kan u nog loven?

7Moe ben ik van zuchten,

elke nacht is mijn kussen nat,

mijn bed doorweekt van tranen.

8Mijn ogen zijn gezwollen van verdriet,

roodomrand van alles wat mij benauwt.

9

6:9
Ps. 119:115
Weg van mij, allen die kwaad doen!

De HEER hoort hoe luid ik ween,

10de HEER hoort mijn roep om erbarmen,

de HEER neemt mijn smeekbede aan.

11Beschaamd en doodsbang keren mijn vijanden om,

in een oogwenk met schande bedekt.