Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
48

481Een lied, een psalm van de Korachieten.

2

48:2
Ps. 96:4
Groot is de HEER, hem komt alle lof toe.

In de stad van onze God, op zijn heilige berg

3– schone hoogte, vreugde van heel de aarde,

Sionsberg, flank op het noorden,

zetel van de grote koning –

4in haar vesting weet men:

God is onze burcht.

5Koningen sloten zich aaneen,

samen trokken zij ten strijde.

6Maar wat zij zagen, verbijsterde hen,

verschrikt namen zij de vlucht.

7

48:7
Ex. 15:14
Jer. 4:31
Een siddering greep hen daar aan,

zoals krampen een barende vrouw,

8zoals de oosterstorm inbeukt

op schepen uit Tarsis.

9In de stad van de HEER van de hemelse machten,

in de stad van onze God,

hebben wij gezien wat wij hadden gehoord:

God houdt haar voor eeuwig in stand. sela

10In uw tempel, God,

gedenken wij uw blijken van trouw.

11

48:11
Ps. 113:3
Mal. 1:11
Zoals uw naam, o God, zo reikt ook uw roem

tot aan de einden der aarde,

uw rechterhand is vol van gerechtigheid.

12

48:12
Ps. 97:8
De Sionsberg verheugt zich,

de steden van Juda juichen

om uw rechtvaardige daden.

13Ga rond Sion, trek eromheen,

tel zijn torens.

14

48:14
Ps. 71:18
Bezie met aandacht zijn muren,

bewonder zijn vesting

en vertel aan uw nageslacht:

15‘Zo is God,

onze God, nu en altijd,

hij is het die ons leidt, voor eeuwig.’48:15 voor eeuwig – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. Betekenis van het Hebreeuws onzeker.

49

491Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

2Hoor, alle volken,

luister, bewoners van de wereld,

3mensen, kinderen van Adam,

rijk en arm, iedereen.

4

49:4
Ps. 78:2
Mijn mond spreekt wijze woorden,

diepzinnig is wat mijn hart overpeinst,

5ik heb een open oor voor raadselspreuken,

bij het spel op de lier onthul ik een geheim.

6Waarom zou ik vrezen in slechte tijden,

als ik door uitbuiters word omringd,

7

49:7-9
Spr. 11:4
49:7
Jer. 9:22
die vertrouwen op hun vermogen

en pronken met hun rijkdom?

8

49:8
Job 33:24
Geen mens kan een ander vrijkopen,

wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen.

9De prijs van het leven is te hoog,

in eeuwigheid niet op te brengen.

10Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven,

de kuil van het graf nooit zou zien.

11

49:11
Pred. 2:16
Dit zien we: wijze mensen sterven,

maar ook dommen en dwazen vergaan

en laten hun vermogen achter.

12Het graf49:12 Het graf – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘Hun binnenste’. is hun eeuwig thuis,

hun woning van geslacht op geslacht,

ook al stond er veel land op hun naam.

13

49:13
Pred. 3:18-19
Nee, een mens, hoe rijk ook,

ontkomt niet aan het duister,

hij is als een dier dat wordt afgemaakt.

14Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen,

zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela

15als schapen verblijven zij in het dodenrijk,

en de dood is hun herder.

In de morgen vertrappen de oprechten hun graf,

hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.

16Maar mij zal God vrijkopen uit de macht

van het dodenrijk, mij zal hij wegnemen. sela

17Wees niet bevreesd als iemand rijk wordt,

een groter huis heeft en meer weelde.

18

49:18
Pred. 5:14
1 Tim. 6:7
Want bij zijn dood kan hij niets meenemen,

zijn weelde volgt hem niet in het graf.

19Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven

– wie roemt je niet in je voorspoed? –,

20hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht,

bij hen die het licht nooit meer zullen zien.

21Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook,

is als een dier dat wordt afgemaakt.

50

501

50:1
Joz. 22:22
Een psalm van Asaf.

De God der goden, de HEER,

gaat spreken en roept de aarde bijeen

van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat.

2Uit Sion, stad van volmaakte pracht,

verschijnt God in stralend licht.

3Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen!

Laaiend vuur raast voor hem uit,

rondom hem wervelt een storm.

4

50:4
Deut. 32:1
Hij roept de hemel op, daar boven,

en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk:

5‘Breng mijn getrouwen vóór mij,

die zich met offers aan mij verbinden.’

6De hemel verkondigt Gods gerechtigheid,

hijzelf treedt op als rechter. sela

7‘Luister, mijn volk, ik ga spreken,

Israël, ik ga tegen je getuigen,

ik, God, je eigen God.

8Ik klaag je niet aan om je offers,

nooit dooft voor mij het offervuur.

9Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig,

noch de bokken uit je kooien.

10Mij behoren de dieren van het woud,

de beesten op duizenden bergen,

11ik ken alle vogels van het gebergte,

wat beweegt in het veld is van mij.

12

50:12
Ps. 24:1
Hand. 17:25
Had ik honger, ik zou het je niet zeggen,

van mij is de wereld en wat daar leeft.

13Eet ik soms het vlees van stieren

of drink ik het bloed van bokken?

14Breng God een dankoffer

en doe wat je de Allerhoogste belooft.

15Roep mij te hulp in tijden van nood,

ik zal je redden, en je zult mij eren.’

16Maar tot wie kwaad doet zegt God:

‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt

en mijn verbond in de mond neemt?

17Je haat het als ik je terechtwijs,

mijn woorden schuif je terzijde.

18Zie je een dief, je loopt met hem mee,

en bij overspeligen ben je thuis.

19Je gebruikt je mond voor lastertaal

en verbindt je tong aan bedrog.

20Je getuigt tegen je eigen broer,

werpt een smet op de zoon van je moeder.

21Zou ik dan zwijgen bij wat je doet,

je denkt toch niet dat ik ben als jij?

Ik klaag je aan, ik som je wandaden op.

22

50:22
Deut. 32:39
Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,

of ik verscheur je, en er is niemand die redt:

23wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer,

wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’