Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
37

371

37:1-40
Job 21:7-26
Ps. 73:1-28
37:1
Spr. 23:17
24:1,19
Van David.

Erger je niet aan slechte mensen,

wees niet jaloers op wie kwaad doen,37:1-40 Psalm 37 is een acrostichon: elk vers of elk paar verzen begint steeds met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. Er zijn kleine onregelmatigheden, maar de alfabetische reeks is compleet.

2

37:2
Ps. 90:5-6
103:15
Jes. 40:7
zij verdorren snel als gras,

zij verwelken als het jonge groen.

3Vertrouw op de HEER en doe het goede,

bewoon het land en leef er veilig.

4Zoek je geluk bij de HEER,

hij zal geven wat je hart verlangt.

5Leg je leven in de handen van de HEER,

vertrouw op hem, hij zal dit voor je doen:

6

37:6
Jes. 58:10
Wijsh. 5:6
het recht zal dagen als het morgenlicht,

de gerechtigheid stralen als de middagzon.

7Blijf kalm en wacht op de HEER,

erger je niet aan wie slaagt in het leven,

aan wie met listen te werk gaat.

8Wind je niet op, laat je woede varen,

erger je niet, dat brengt maar onheil.

9

37:9
Ps. 25:13
Slechte mensen worden verdelgd,

wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.

10Nog even, en verdwenen is de zondaar,

je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.

11

37:11
Mat. 5:5
Wie nederig zijn, zullen het land bezitten

en gelukkig leven in overvloed en vrede.

12De zondaar belaagt de rechtvaardige

met een grijns op zijn gezicht.

13Maar de Heer lacht hem uit

en ziet de dag al van zijn ondergang.

14Zondaars trekken hun zwaard

en spannen hun boog,

om zwakken en armen te doden,

om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.

15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart

en hun bogen worden gebroken.

16

37:16
Spr. 15:16
16:8
Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft

dan de rijkdom van talloze zondaars.

17De macht van de zondaars wordt gebroken,

maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.

18De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,

hun bezit blijft voor eeuwig behouden.

19Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,

in tijden van hongersnood hebben zij te eten.

20De zondaars zullen ten onder gaan,

de vijanden van de HEER verdwijnen

als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.37:20 als bloemen in het veld, verdwijnen als rook – Ook mogelijk is de vertaling: ‘als het vet van lammeren, verdwijnen in rook’.

21De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,

de rechtvaardige geeft, uit mededogen.

22Gods gezegenden zullen het land bezitten,

de vervloekten worden verdelgd.

23Wie de HEER welgevallig is,

mag zijn weg gaan met vaste tred.

24Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,

want de HEER richt hem op.

25Ooit was ik jong, nu ben ik oud,

en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,

nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;

26hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,

voor zijn kinderen is hij een zegen.

27

37:27
Ps. 34:15
Mijd het kwade en doe het goede,

en je zult voor eeuwig wonen in het land,

28want de HEER heeft gerechtigheid lief,

wie hem trouw zijn, verlaat hij niet.

Zij blijven voor eeuwig behouden,

maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.

29De rechtvaardigen zullen het land bezitten

en het bewonen, hun leven lang.

30De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,

zijn tong spreekt gerechtigheid,

31

37:31
Deut. 6:6
Jer. 31:33
hij draagt de wet van God in zijn hart

en zijn voeten struikelen niet.

32De zondaar loert op de rechtvaardige

en zoekt een kans om hem te doden,

33maar de HEER laat zijn dienaar niet los:

wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.

34Vestig je hoop op de HEER

en blijf op de weg die hij wijst,

hij zal je aanzien geven en grondbezit,

je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.

35

37:35-36
Job 20:6-7
Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,

hij groeide uit als een woekerende laurier;

36op een dag was hij verdwenen,

ik zocht hem en ik vond hem niet.

37Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:

wie vredelievend zijn hebben de toekomst.

38Maar zondaars worden verdelgd,

er is geen toekomst voor een slecht mens.

39

37:39
Ps. 9:10
De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,

hij is hun toevlucht in tijden van nood.

40De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,

hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, hij redt hen,

want zij schuilen bij hem.

38

381Een psalm van David, een dringend gebed.

2

38:2
Ps. 6:2
Wees niet vertoornd, HEER, straf mij niet,

bedwing uw woede, sla mij niet.

3

38:3
Job 6:4
Klaagl. 3:12
Diep zijn uw pijlen in mij gedrongen,

zwaar is uw hand op mij neergedaald.

4

38:4
Jes. 1:5-6
Door uw toorn is niets aan mijn lichaam nog gaaf,

door mijn zonden is niets van mijn gebeente nog heel.

5

38:5
Ezra 9:6
Mijn schuld steekt hoog boven mij uit,

als een zware last, te zwaar om te dragen.

6Mijn wonden zweren en stinken

vanwege mijn lichtzinnig leven.

7Ik loop gebogen, diep gebukt,

ik ga in het zwart gehuld, dag in dag uit.

8

38:8-9
Ps. 102:4-6
In mijn lendenen woedt de koorts,

niets aan mijn lichaam is nog gaaf,

9ik ben uitgeput, gebroken,

met bonzend hart schreeuw ik het uit.

10

38:10
Ps. 31:11
Heer, al mijn verlangens zijn u bekend,

mijn zuchten is u niet verborgen,

11mijn hart gaat tekeer, mijn kracht ebt weg,

mijn ogen verliezen hun glans.

12

38:12
Job 12:4
19:13-19
Ps. 31:12
41:6-10
88:9
Mijn liefste vrienden ontlopen mijn leed,

wie mij na staan, houden zich ver van mij.

13Mijn belagers lokken mij in de val,

wie mijn ongeluk willen, spreken dreigende taal,

dag in dag uit verspreiden ze leugens.

14

38:14
Jes. 53:7
Maar ik houd mij doof en wil niet horen,

ik doe als een stomme mijn mond niet open,

15ik ben als iemand die niet kan horen,

geen verweer komt uit mijn mond.

16Want op u, HEER, hoop ik,

van u komt antwoord, mijn Heer en mijn God.

17

38:17
Ps. 13:5
35:19
Ik denk: Laten ze niet om mij lachen,

niet triomferen nu mijn voet wankelt.

18Want ik ben de ondergang nabij

en altijd vergezelt mij de pijn.

19

38:19
Ps. 32:5
Ik wil u mijn schuld belijden,

door mijn zonden word ik gekweld.

20Maar mijn vijanden leven, zij zijn sterk,

zij zijn met velen en blind is hun haat.

21

38:21
Ps. 35:12
109:3-5
Ze vergelden goed met kwaad

en vallen mij aan, al zoek ik het goede.

22

38:22
Ps. 22:12
35:22
Verlaat mij niet, HEER,

mijn God, blijf niet ver van mij.

23

38:23
Ps. 40:14,18
Haast u mij te helpen,

Heer, u bent mijn redding.

39

391Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David.

2Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen

en mijn tong voor zonde behoeden,

mijn mond met een muilband bedwingen

te midden van mensen zonder God of gebod.

3En ik zei dan ook niets, geen woord,

ik zweeg en vond geen verlichting,

ik voelde steeds heviger pijn.

4Het brandde in mijn binnenste,

bij mijn zuchten laaide een vuur op

en mijn tong begon te spreken:

5‘Geef mij weet van mijn einde, HEER,

van de maat van mijn levensdagen,

laat mij weten hoe vergankelijk ik ben.

6

39:6-7
Job 7:6
14:1-2
Ps. 62:10
90:9-10
94:11
Pred. 2:21
6:2
Jes. 40:7
U maakte mijn dagen een handbreed lang,

mijn levensduur is niets in uw ogen,

niet meer dan lucht is het bestaan van een mens, sela

7niet meer dan een schaduw zijn levenspad,

niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt,

hij vergaart en weet niet wie het toevalt.’

8Wat heb ik dan te verwachten, Heer?

Mijn hoop is alleen op u gevestigd.

9Bevrijd mij van al mijn zonden,

bespaar mij de hoon van dwazen.

10Ik zei niets, opende mijn mond niet,

want u was het die mij dit alles aandeed.

11Houd op mij nog langer te kwellen,

ik bezwijk onder de slagen van uw hand.

12U kastijdt de mens als straf voor zijn zonde,

als een mot vreet u weg wat hij begeert,

niet meer dan lucht is een mens. sela

13

39:13
Lev. 25:23
1 Kron. 29:15
Ps. 119:19
Hebr. 11:13
Hoor mijn gebed, HEER,

luister naar mijn hulpgeroep,

wees niet doof voor mijn verdriet,

want een vreemdeling ben ik, bij u te gast

zoals ook mijn voorouders waren.

14

39:14
Job 7:19
14:6
Wend uw straffende blik van mij af,

dan beleef ik nog vreugde

voordat ik heenga en niet meer ben.