Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

291

29:1-11
Ps. 18:14
77:17-19
97:2-6
29:1-3
Ps. 96:7-9
Een psalm van David.

Erken de HEER, o goden,

erken de HEER, zijn macht en majesteit,

2erken de HEER, de majesteit van zijn naam,

buig u voor de HEER in zijn heilige glorie.

3

29:3
Job 37:4-5
Ps. 104:7
Jes. 30:30
De stem van de HEER boven de wateren,

de God vol majesteit doet de donder rollen,

de HEER boven de wijde wateren,

4de stem van de HEER vol kracht,

de stem van de HEER vol glorie.

5De stem van de HEER splijt ceders,

de HEER splijt de ceders van de Libanon.

6

29:6
Ps. 114:4
Opspringen doet hij de Libanon als een kalf

en de Sirjon als het jong van een wilde stier.

7De stem van de HEER ontbrandt in vurige vlammen,

8de stem van de HEER brengt de woestijn tot beven,

beven doet de HEER de woestijn van Kades.

9De stem van de HEER doet de hinden kalven

en de geiten hun jongen werpen.29:9 en de geiten hun jongen werpen – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘en ontbladert de bossen’.

Majesteit! roept heel zijn paleis.

10De HEER heeft zijn troon boven de vloed,

ten troon zit de HEER als koning voor eeuwig.

11De HEER zal macht aan zijn volk verlenen,

de HEER zal zijn volk zegenen met vrede.