Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)

261Van David.

Doe mij recht, HEER,

want zonder dwalen ben ik mijn weg gegaan,

op u, HEER, heb ik vertrouwd,

ik wankelde niet.

2

26:2
Ps. 7:10
Doorgrond mij, HEER, en ken mij,

peil mijn hart en mijn nieren,

3want uw liefde staat mij voor ogen

en ik bewandel de weg van uw waarheid.

4

26:4-5
Ps. 1:1
Met bedriegers zit ik niet aan,

met huichelaars ga ik niet om,

5ik haat de kring van slechte mensen,

met wettelozen wil ik niet aan tafel.

6

26:6
Ps. 73:13
Mat. 27:24
Ik zal mijn handen in onschuld wassen,

een rondgang maken om uw altaar, HEER,

7om een loflied aan te heffen

en van uw wonderen te verhalen.

8HEER, het huis waar u woont heb ik lief,

de plaats waar uw glorie verblijft.

9

26:9
Ps. 28:3
Verwerp mij niet met de zondaars,

met mensen die bloed vergieten.

10Aan hun vingers kleeft onrecht,

hun handen zijn met smeergeld gevuld.

11

26:11
Ps. 25:16
Maar ik ga mijn weg zonder dwalen.

Verlos mij en wees mij genadig.

12

26:12
Ps. 52:11
Mijn voeten staan op effen grond,

waar uw volk bijeen is, wil ik u prijzen, HEER.