Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

161Een stil gebed van David.

Behoed mij, God, ik schuil bij u.

2Ik zeg16:2 Ik zeg – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT: ‘Jij zegt’. tot de HEER: ‘U bent mijn Heer,

mijn geluk, niemand gaat u te boven.’

3Maar tot de goden in dit land,

de machten die ik vereerd heb, zeg ik:

4‘Wie u volgt, wacht veel verdriet.’

Ik pleng voor hen geen bloed meer,

niet langer ligt hun naam op mijn lippen.

5

16:5
Klaagl. 3:24
HEER, mijn enig bezit, mijn levensbeker,

u houdt mijn lot in handen.

6Een lieflijk land is voor mij uitgemeten,

ik ben verrukt van wat mij is toebedeeld.

7Ik prijs de HEER die mij inzicht geeft,

zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

8

16:8
Ps. 121:3
Steeds houd ik de HEER voor ogen,

met hem aan mijn zijde wankel ik niet.

9

16:9-11
Hand. 2:25-28
Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel,

mijn lichaam voelt zich veilig en beschut.

10

16:10
Hand. 13:35
U levert mij niet over aan het dodenrijk

en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.

11U wijst mij de weg naar het leven:

overvloedige vreugde in uw nabijheid,

voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

17

171Een gebed van David.

Luister, HEER, ik vraag om recht,

luister naar mijn smeken,

hoor mijn gebed –

geen leugen komt over mijn lippen.

2Laat van u het oordeel komen,

laat uw oog zien wat juist is.

3

17:3
Job 23:10
Bezoekt u mij in de nacht

en beproeft en peilt u mijn hart,

u zult niets in mijn nadeel vinden,

geen kwaad kwam uit mijn mond.

4Hoe de mensen ook leven,

ik houd mij aan het woord van uw lippen.

De weg van roof en geweld

heb ik altijd gemeden,

5

17:5
Ps. 18:37
mijn voeten volgden uw spoor,

mijn stappen wankelden niet.

6Ik roep tot u om hulp,

want u geeft mij antwoord.

Wil mij horen, God,

luister naar mijn spreken,

7toon mij de wonderen van uw trouw.

Wie bij u schuilen redt u

van hun tegenstanders, met uw machtige hand.

8

17:8
Ruth 2:12
Ps. 36:8
61:5
63:8
91:4
Behoed mij als de appel van uw oog,

verberg mij in de schaduw van uw vleugels

9voor de goddelozen die mij geweld aandoen,

voor de vijanden die mij naar het leven staan.

10Hun hart is gevoelloos en gesloten,

hun mond spreekt hoogmoedige taal.

11Ze sluiten mij in waar ik mijn voeten ook zet,

ze houden mij in het oog en hopen op mijn val.

12

17:12
Ps. 10:9
22:14
35:17
57:5
Mijn vijand is een leeuw, belust op prooi,

een roofdier dat zich schuilhoudt.

13

17:13
Jer. 15:15
Sta op, HEER,

ga op hem af en druk hem tegen de grond.

Laat uw zwaard mij bevrijden van de goddelozen,

14uw hand, HEER, mij verlossen van die mannen

des doods, die leven voor kortstondig gewin.

Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt,

ze mogen hun kinderen ermee verzadigen,

hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet.

15Laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen,

bij het ontwaken mij verzadigen aan uw beeld.

18

181

18:1-51
2 Sam. 22:1-51
Voor de koorleider. Van David, de dienaar van de HEER. Hij sprak de woorden van dit lied tot de HEER toen de HEER hem aan de greep van zijn vijanden had ontrukt, ook aan die van Saul. 2Hij zei:

Ik heb u lief, HEER, mijn sterkte,

3

18:3
Deut. 32:4
HEER, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder,

God, mijn steenrots, bij u kan ik schuilen,

mijn schild, kracht die mij redt, mijn burcht.

4Ik roep: ‘Geloofd zij de HEER,’

want ik ben van mijn vijanden verlost.

5Mij omsloten de banden van de dood,

de kolkende afgrond joeg mij angst aan,

6de banden van het dodenrijk omklemden mij,

op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

7In mijn nood riep ik tot de HEER,

ik schreeuwde naar mijn God om hulp.

In zijn paleis hoorde hij mijn stem,

mijn roepen bereikte zijn oren.

8

18:8-15
Hab. 3:6-13
18:8
Ex. 19:16
Recht. 5:4-5
Toen schudde en schokte de aarde,

de bergen trilden op hun grondvesten,

beefden omdat hij vlamde van woede,

9rook steeg op uit zijn neus,

verterend vuur kwam uit zijn mond,

hij spuwde hete as.

10Hij schoof de hemel open en daalde af,

duisternis onder zijn voeten,

11hij besteeg de cherub en vloog,

zwevend op de vleugels van de wind.

12

18:12
Deut. 4:11
Hij maakte van het donker zijn schuilplaats,

trok een tent om zich heen

van duister water, dichte wolken.

13Een vuurgloed ging voor hem uit,

wolken joegen voort, hagel en gloeiende as.

14

18:14
Ex. 19:19
Job 36:29
De donder van de HEER klonk aan de hemel,

de Allerhoogste verhief zijn stem:

hagel en gloeiende as.

15

18:15-16
Ps. 77:17-19
Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,

wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.

16

18:16
Ex. 15:8
De beddingen van het water werden zichtbaar,

de grondvesten van de wereld kwamen bloot

door uw dreigende blik, HEER,

door de briesende adem uit uw neus.

17Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast

en trok mij op uit de woeste wateren,

18ontrukte mij aan mijn machtige vijand,

aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

19Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,

maar de HEER was mij tot steun.

20Hij leidde mij weg uit de nood en gaf mij ruimte,

bevrijdde mij, omdat hij mij liefhad.

21De HEER heeft mijn onschuld vergolden,

mij beloond voor mijn reine handen:

22ik volgde de wegen die de HEER had gewezen

en werd mijn God niet ontrouw,

23zijn voorschriften hield ik voor ogen,

zijn wetten wees ik nooit af.

24Ik was hem volkomen toegewijd

en hoedde mij steeds voor het kwaad,

25daarom heeft de HEER mijn onschuld beloond,

hij zag mijn reine handen.

26U bent trouw voor de trouwe,

volmaakt voor de volmaakte,

27zuiver voor de zuivere,

maar voor de sluwe ongrijpbaar.

28

18:28
Spr. 3:34
U bent de redder van het vertrapte volk,

wie zich hoog wanen, brengt u ten val.

29

18:29
Job 29:3
U bent het die mijn lamp doet schijnen,

u, HEER, mijn God, verlicht mijn duisternis,

30met u storm ik af op een legerbende,

met mijn God beklim ik de hoogste muur.

31

18:31
Deut. 32:4
Ps. 12:7
Spr. 30:5
Gods weg is volmaakt,

het woord van de HEER is zuiver,

een schild is hij

voor allen die bij hem schuilen.

32

18:32
Jes. 44:8
45:21
Wie anders is God dan de HEER,

wie anders een rots dan onze God?

33De God die mij met kracht omgordt,

leidt mij op een volmaakte weg,

34

18:34
Hab. 3:19
hij geeft mij voeten snel als hinden,

doet mij op toppen van bergen staan,

35oefent mijn handen voor de strijd –

mijn armen spannen de bronzen boog.

36U was het schild dat mij redde,

uw rechterhand ondersteunde mij,

uw woord maakte mij sterk,

37u baande de weg voor mijn voeten,

ik wankelde niet.

38Ik achtervolgde mijn vijanden, haalde hen in

en keerde niet terug voor ik hen had vernietigd,

39ik verpletterde hen, ze stonden niet meer op,

dood lagen ze onder mijn voeten.

40U hebt mij omgord met kracht voor de strijd,

mijn tegenstanders voor mij doen buigen,

41u liet mij de rug van mijn vijanden zien,

mijn haters, ik roeide ze uit.

42Ze riepen om hulp, maar er was geen redder,

ze riepen de HEER, maar hij antwoordde niet.

43Ik verpulverde hen tot stof in de wind,

veegde hen weg als vuil van de straat.

44

18:44
Ps. 2:8-9
U bevrijdde mij van een opstandig volk,

stelde mij aan tot hoofd van de naties.

Een volk dat ik niet kende, onderwierp zich,

45gehoorzaamde mij zodra het van mij hoorde.

Vreemdelingen toonden zich onderdanig,

46

18:46
Micha 7:17
vreemde volken verloren hun kracht,

bevend kwamen zij uit hun burchten.

47De HEER leeft, geprezen zij mijn rots,

hoogverheven is God, mijn redder.

48De God die mij wraak liet nemen,

dwong volken op de knieën,

49bevrijdde mij van mijn vijanden,

verhief mij boven mijn tegenstanders,

ontrukte mij aan mannen van geweld.

50

18:50
Ps. 7:18
Rom. 15:9
Daarom wil ik u prijzen te midden van de volken, HEER,

een loflied zingen tot eer van uw naam.

51Hij schenkt zijn koning grote overwinningen,

betoont zich trouw aan zijn gezalfde,

aan David en zijn nageslacht, voor altijd.