Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
135

1351

135:1-2
Ps. 134:1
135:1
Ps. 113:1
Halleluja!

Loof de naam van de HEER,

loof hem, dienaren van de HEER,

2u die staat in het huis van de HEER,

in de voorhoven van het huis van onze God.

3Loof de HEER, want hij is goed,

bezing zijn naam, zo lieflijk van klank.

4

135:4
Ex. 19:5
Deut. 7:6
Ps. 33:12
De HEER heeft Jakob uitgekozen,

Israël als zijn kostbaar bezit.

5

135:5
Ex. 18:11
Ps. 95:3
Ik weet het: groot is de HEER,

onze Heer overtreft alle goden.

6

135:6
Ps. 115:3
De HEER maakt alles wat hij wil

in de hemel en op de aarde

en in de diepten van de oceanen.

7

135:7
Job 28:26
37:9
Ps. 148:8
Jer. 10:13
51:16
Wolken wekt hij aan de einder der aarde,

bliksems maakt hij en de regen valt,

de wind laat hij los uit zijn schatkamers.

8

135:8
Ex. 12:29
Ps. 136:10
Hij trof de eerstgeborenen van Egypte,

van mens en van dier,

9

135:9
Ps. 78:43
en deed wonderen en tekenen

– in je midden, Egypte –

voor de farao en al zijn dienaren.

10

135:10-12
Ps. 136:17-22
Hij trof vele volken

en doodde machtige koningen:

11Sichon, koning van de Amorieten,

en Og, koning van Basan,

en alle koningen van Kanaän.

12Hun land gaf hij in bezit,

in bezit aan Israël, zijn volk.

13

135:13
Ps. 102:13
Uw naam, HEER, blijft in eeuwigheid,

van u, HEER, zal men spreken, van geslacht op geslacht.

14

135:14
Deut. 32:36
Want de HEER doet recht aan zijn volk

en ontfermt zich over zijn dienaren.

15

135:15-19
Ps. 115:4-11
Goden van andere volken zijn van zilver en goud,

gemaakt door mensenhanden.

16Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,

ze hebben ogen, maar kunnen niet zien,

17ze hebben oren, maar kunnen niet horen;

er komt geen adem uit hun mond.

18Zoals zij, zo worden ook hun makers,

en ieder die op hen vertrouwt.

19Huis van Israël, prijs de HEER,

huis van Aäron, prijs de HEER,

20huis van Levi, prijs de HEER,

wie de HEER vrezen, prijs de HEER.

21Geprezen zij de HEER op de Sion,

hij die zijn woning heeft in Jeruzalem.

Halleluja!

136

1361

136:1
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 100:5
106:1
107:1
118:1
Jer. 33:11
Loof de HEER, want hij is goed

– eeuwig duurt zijn trouw –

2loof de allerhoogste God

– eeuwig duurt zijn trouw –

3loof de oppermachtige Heer

– eeuwig duurt zijn trouw –

4

136:4
Ex. 15:11
Ps. 72:18
die wonderen doet, hij alleen

– eeuwig duurt zijn trouw –

5

136:5
Gen. 1:8
Spr. 3:19
die de hemel maakte, met wijsheid

– eeuwig duurt zijn trouw –

6

136:6
Gen. 1:10
Ps. 24:2
die de aarde uitspreidde, op het water

– eeuwig duurt zijn trouw –

7

136:7
Gen. 1:16
die de grote lichten maakte

– eeuwig duurt zijn trouw –

8de zon, om te heersen over de dag

– eeuwig duurt zijn trouw –

9maan en sterren, om te heersen over de nacht

– eeuwig duurt zijn trouw –

10

136:10
Ex. 12:29
Ps. 78:51
135:8
die Egypte trof, in hun eerstgeborenen

– eeuwig duurt zijn trouw –

11

136:11
Ex. 12:51
en Israël wegleidde, uit hun midden

– eeuwig duurt zijn trouw –

12

136:12
Deut. 4:34
met krachtige hand en geheven arm

– eeuwig duurt zijn trouw –

13

136:13-15
Ex. 14:21-29
die de Rietzee spleet, in tweeën

– eeuwig duurt zijn trouw –

14en Israël overbracht, daar midden doorheen

– eeuwig duurt zijn trouw –

15en de farao met zijn leger achterliet, in de Rietzee

– eeuwig duurt zijn trouw –

16die zijn volk leidde, in de woestijn

– eeuwig duurt zijn trouw –

17die geduchte koningen versloeg

– eeuwig duurt zijn trouw –

18en machtige koningen doodde

– eeuwig duurt zijn trouw –

19

136:19-20
Num. 21:21-35
136:19
Deut. 2:30
Sichon, koning der Amorieten

– eeuwig duurt zijn trouw –

20

136:20
Deut. 3:1
en Og, de koning van Basan

– eeuwig duurt zijn trouw –

21

136:21
Ps. 44:3
en hun land weggaf, als bezit

– eeuwig duurt zijn trouw –

22

136:22
Jes. 41:8
44:21
als bezit aan Israël, zijn dienaar

– eeuwig duurt zijn trouw –

23die in onze rampspoed aan ons heeft gedacht

– eeuwig duurt zijn trouw –

24en ons ontrukte aan onze belagers

– eeuwig duurt zijn trouw –

25

136:25
Ps. 104:27
145:15
hij geeft brood aan alles wat leeft

– eeuwig duurt zijn trouw –

26

136:26
Dan. 2:19
loof de God van de hemel

– eeuwig duurt zijn trouw!

137

1371

137:1
Ezech. 3:15
Aan de rivieren van Babel,

daar zaten wij treurend

en dachten aan Sion.

2

137:2
Jes. 24:8
Klaagl. 5:14
In de wilgen op de oever

hingen wij onze lieren.

3Daar durfden onze bewakers

te vragen om een lied,

daar vroegen onze beulen:

‘Zing voor ons

een vrolijk lied uit Sion.’

4Hoe kunnen wij zingen

een lied van de HEER

op vreemde grond?

5Als ik jou vergeet, Jeruzalem,

laat dan mijn hand de snaren vergeten.

6

137:6
Ps. 122:1
Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

als ik niet meer denk aan jou,

als ik Jeruzalem niet stel

boven alles wat mij verheugt.

7

137:7
Klaagl. 4:21-22
Ezech. 25:12-14
Ob. 10
Gedenk, HEER,

de dag van Jeruzalems val,

toen het volk van Edom zei:

‘Neer met die stad, neer,

maak haar met de grond gelijk.’

8

137:8
Jer. 50:2
Op. 18:6
Babel, weldra word je verwoest.

Gelukkig hij die wraak zal nemen

en jou doet wat jij ons hebt gedaan.

9

137:9
Hos. 14:1
Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt

en op de rotsen verplettert.