Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
133

1331Een pelgrimslied van David.

Hoe goed is het, hoe heerlijk

als broeders bijeen te wonen!

2

133:2
Ex. 30:30
Goed als olie op het hoofd

die neervalt op de baard,

de baard van Aäron,

en neervalt op de hals van zijn gewaad,

3

133:3
Deut. 28:8
Hos. 14:6
als de dauw van de Hermon

die neervalt op de bergen van Sion.

Daar geeft de HEER zijn zegen:

leven voor altijd.

134

1341

134:1
1 Kron. 9:33
Ps. 135:1-2
Een pelgrimslied.

Zegen de HEER, u allen

die de dienst van de HEER verricht

en in het huis van de HEER staat, nacht aan nacht.

2

134:2
Ps. 28:2
63:5
118:26
141:2
Hef uw handen op naar het heiligdom

en zegen de HEER.

3

134:3
Num. 6:24
Ps. 128:5
Moge uit Sion de HEER u zegenen,

die hemel en aarde gemaakt heeft.

135

1351

135:1-2
Ps. 134:1
135:1
Ps. 113:1
Halleluja!

Loof de naam van de HEER,

loof hem, dienaren van de HEER,

2u die staat in het huis van de HEER,

in de voorhoven van het huis van onze God.

3Loof de HEER, want hij is goed,

bezing zijn naam, zo lieflijk van klank.

4

135:4
Ex. 19:5
Deut. 7:6
Ps. 33:12
De HEER heeft Jakob uitgekozen,

Israël als zijn kostbaar bezit.

5

135:5
Ex. 18:11
Ps. 95:3
Ik weet het: groot is de HEER,

onze Heer overtreft alle goden.

6

135:6
Ps. 115:3
De HEER maakt alles wat hij wil

in de hemel en op de aarde

en in de diepten van de oceanen.

7

135:7
Job 28:26
37:9
Ps. 148:8
Jer. 10:13
51:16
Wolken wekt hij aan de einder der aarde,

bliksems maakt hij en de regen valt,

de wind laat hij los uit zijn schatkamers.

8

135:8
Ex. 12:29
Ps. 136:10
Hij trof de eerstgeborenen van Egypte,

van mens en van dier,

9

135:9
Ps. 78:43
en deed wonderen en tekenen

– in je midden, Egypte –

voor de farao en al zijn dienaren.

10

135:10-12
Ps. 136:17-22
Hij trof vele volken

en doodde machtige koningen:

11Sichon, koning van de Amorieten,

en Og, koning van Basan,

en alle koningen van Kanaän.

12Hun land gaf hij in bezit,

in bezit aan Israël, zijn volk.

13

135:13
Ps. 102:13
Uw naam, HEER, blijft in eeuwigheid,

van u, HEER, zal men spreken, van geslacht op geslacht.

14

135:14
Deut. 32:36
Want de HEER doet recht aan zijn volk

en ontfermt zich over zijn dienaren.

15

135:15-19
Ps. 115:4-11
Goden van andere volken zijn van zilver en goud,

gemaakt door mensenhanden.

16Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,

ze hebben ogen, maar kunnen niet zien,

17ze hebben oren, maar kunnen niet horen;

er komt geen adem uit hun mond.

18Zoals zij, zo worden ook hun makers,

en ieder die op hen vertrouwt.

19Huis van Israël, prijs de HEER,

huis van Aäron, prijs de HEER,

20huis van Levi, prijs de HEER,

wie de HEER vrezen, prijs de HEER.

21Geprezen zij de HEER op de Sion,

hij die zijn woning heeft in Jeruzalem.

Halleluja!